Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-09-02
ECLI:NL:RBMNE:2022:3733
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1968
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2022 in de zaak tussen
[eiser] uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.S. Träger),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn)
Inleiding
1.1
Eiser werkte als woninginrichter/stoffeerder voor 28 uur per week. Op 29 oktober 2018 is hij uitgevallen voor dit werk vanwege gezondheidsklachten. Eiser heeft eerst twee jaar een Ziektewetuitkering ontvangen. Tegen het einde van die uitkering heeft hij een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2
Het Uwv heeft de aanvraag van eiser beoordeeld. Eiser is hiervoor onderzocht door een arts van het Uwv. Deze arts heeft bepaald wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn per
26 oktober 2020. Deze beperkingen zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Het rapport van de arts is geaccordeerd door een verzekeringsarts. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv vastgesteld dat er drie functies zijn die eiser, ondanks zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft ook nog twee reservefuncties geduid. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiser in deze functies 86,04% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziek meldde. Omdat dit betekent dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is (13,96%), meldt het Uwv aan eiser in het besluit van 28 september 2020 dat hij vanaf 26 oktober 2020 geen WIA-uitkering krijgt. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3
In bezwaar hebben een arts bezwaar en beroep en een verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser telefonisch gehoord. Zij nemen meer fysieke arbeidsbeperkingen voor eiser aan en stellen daarom op 23 februari 2021 een nieuwe FML vast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt vervolgens tot de conclusie dat twee van de eerder geselecteerde functies minder geschikt zijn voor eiser. De overige functies zijn nog wel geschikt voor eiser en op grond van die functies berekent de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat eiser 21,95% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft daardoor minder dan 35%.
1.4
Bij besluit van 8 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Het onderzoek ter ziting heeft online plaatsgevonden op 18 oktober 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.6
Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. De rechtbank heeft het Uwv verzocht om een nadere reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
1.7
Het Uwv heeft informatie verstrekt. De rechtbank heeft gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Daarvan is geen gebruik gemaakt.
1.8
De rechtbank heeft met instemming van beide partijen het onderzoek op 4 april 2022 gesloten.
Waar gaat het over in deze zaak?
2. Volgens het Uwv is eiser per 26 oktober 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt, zodat eiser geen recht heeft op een WIA‑uitkering. Eiser is het hier niet mee eens en vindt zichzelf meer arbeidsongeschikt. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser moet de rechtbank beoordelen of de conclusie van het Uwv dat eiser voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is, juist is. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiser op 26 oktober 2020.
Wat vindt de rechtbank?
3. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:
op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen,
geen tegenstrijdigheden bevatten, en
voldoende begrijpelijk zijn.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet de eisende partij dan wel aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de medische rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.
Zorgvuldig medisch onderzoek
4. De rechtbank is niet gebleken dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest.
Arts [A] heeft eiser op 11 september 2020 op het spreekuur gezien. Deze arts heeft op 21 september 2020 een rapportage opgesteld en heeft deze nader aangepast op
28 september 2020. Dat rapport is getoetst door een verzekeringsarts.
In bezwaar heeft arts bezwaar en beroep Van der Vaart samen met verzekeringsarts bezwaar en beroep Hommema eiser telefonisch gehoord en vervolgens hebben zij na bestudering van de beschikbare medische gegevens op 23 februari 2021 een rapport opgesteld met daarin hun bevindingen. In het rapport gaan zij gemotiveerd in op wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd.
De medische beoordeling
5. Eiser voert aan dat zijn beperkingen worden onderschat. Zo zijn er ten onrechte geen beperkingen aangenomen voor zitten, terwijl hij maar maximaal vier uur per dag kan zitten met noodzakelijke afwisseling. Ook is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen, terwijl hij veel slaapproblemen heeft vanwege zijn pijnklachten en daardoor vermoeidheidsklachten heeft en hij een rustpauze overdag nodig heeft.
6. Arts bezwaar en beroep Van der Vaart en verzekeringsarts bezwaar en beroep Hommema zijn in hun rapport van 23 februari 2021 gemotiveerd ingegaan op wat eiser in bezwaar over zijn medische klachten en zijn gezondheidssituatie naar voren heeft gebracht.
Zij hebben op basis van hun onderzoek aanleiding gezien om verdergaande lichamelijke beperkingen op te nemen ten aanzien van langdurig zitten, buigen, knielen en hurken.
Ten aanzien van het langdurig zitten hebben zij op basis van eisers toelichting in de FML opgenomen dat eiser ongeveer een uur achtereen kan zitten. Zo nodig het grootste deel van de dag, maar niet meer dan 8 uur per dag en niet achtereen.
Ook zijn de verzekeringsartsen gemotiveerd ingegaan op eisers energetische klachten. Zij zien op basis van de Standaard Verminderde arbeidsduur geen medische indicatie om een beperking op de werktijden te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij inzichtelijk gemotiveerd waarom zij geen aanleiding zien om meer beperkingen op te nemen.
7. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de (verzekerings)artsen bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid van eiser en aan hun motivering waarom de in de FML van 23 februari 2021 vastgestelde beperkingen passend zijn voor eiser. Dat eiser het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is juist de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Aan hoe eiser zelf zijn klachten en zijn belastbaarheid ervaart, kan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen doorslaggevende betekenis toekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
7. Eiser voert aan dat de functie receptionist voor hem niet passend is.
Conclusie
14. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 7:12 van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel.
15. De rechtbank zal het Uwv opdragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.
Proceskosten
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 49,- vergoedt.
17. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 759,-en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt het Uwv op om binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van het bepaalde in deze uitspraak;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.518,-;
draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 september 2022.
griffier rechter
(de rechter is verhinderd te
ondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
CBBS: het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem
Basisinformatie CBBS, versie 5, bladzijde 24
Bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep van 13 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1530 en CRvB 1 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3006