Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-08-18
ECLI:NL:RBMNE:2022:3436
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,865 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2028
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: P.J.M. Hendriks).
Inleiding
Bij besluit van 26 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken over de periode van 28 maart 2020 tot en met 16 april 2021. Daarnaast vordert verweerder van eiseres een bedrag van € 15.906,32 aan betaalde bijstand over deze periode terug. Verweerder heeft dit besluit genomen omdat eiseres in deze periode haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres in de gemeente Almere had. Verweerder heeft dit gebaseerd op de verklaringen van eiseres die zij heeft afgelegd op 14 april 2020 en op 27 oktober 2021 en bankafschriften die zij heeft overgelegd.
Bij besluit van 31 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard. Omdat verweerder op 14 april 2020 al op de hoogte was van het hoofdverblijf van eiseres buiten de gemeente Almere, wordt de terugvordering van de bijstand op grond van de zes-maandenjurisprudentie beperkt tot een bedrag van € 6.913,94. Alleen de betaalde bijstand over de periode van 28 maart 2020 tot en met 13 oktober 2020 van eiseres wordt teruggevorderd. Voor het overige is het bezwaar ongegrond.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. De rechtbank stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat eiseres in de periode van 28 maart 2020 tot en met 16 april 2021 niet in de gemeente Almere heeft verbleven, maar dat zij in die periode haar hoofdverblijfplaats in [plaats 1] had. Eiseres vindt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere situatie waarin eiseres zich bevond, gelet op de wereldwijde Corona-uitbraak. Dit is de reden dat eiseres langer buiten Almere heeft moeten verblijven.
2. De hoofdregel is dat iemand alleen recht heeft op een uitkering van de gemeente waar iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op een uitkering van de gemeente Almere als zij haar hoofdverblijf in [plaats 1] heeft.
3. Er is een belangrijke uitzondering op die regel, waarin het in een bijzondere situatie soms wel is toegestaan dat iemand kort ergens anders woont met behoud van uitkering. Uit vaste rechtspraak kan worden opgemaakt dat het dan moet gaan om wijziging van de woon- en verblijfsituatie die als tijdelijk is bedoeld, van korte duur is en verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning vanwege bijvoorbeeld een renovatie. Verder mogen er geen aanwijzingen zijn dat de betrokkene zich in die periode elders heeft gevestigd en moet de betrokkene na die (korte) periode in zijn woning zijn teruggekeerd.
4. De vraag of Corona zo’n bijzondere situatie is, hoeft in deze situatie niet beantwoord te worden. De periode dat eiseres in [plaats 1] heeft verbleven was duurde ruim een jaar. Dat is niet kort en alleen al daarom valt de situatie van eiseres niet onder de hiervoor omschreven uitzondering.
5. Daarnaast heeft eiseres ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft contact gehad met verweerder. Verweerder wist dat zij in [plaats 1] verbleef, dat heeft zij in een telefoongesprek met verweerder laten weten. Zij is niet teruggebeld. Niemand heeft tegen haar gezegd dat het niet was toegestaan en dat zij moest terugkeren naar Almere of dat zij haar uitkering zou kwijtraken.
6. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slagen als een toezegging is gedaan of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Uit het stilzitten van verweerder kon eiseres niet redelijkerwijs afleiden dat zij zo lang in [plaats 1] mocht blijven met behoud van haar uitkering. Daarbij is ook van belang dat verweerder aan eiseres, in een vergelijkbare situatie toen eiseres een relatie met iemand in [plaats 2] had, heeft laten weten dat zij geen recht op bijstand zou hebben als zij langere tijd buiten de gemeente Almere zou verblijven. De verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep leidt niet tot een andere conclusie. De situatie in die zaak verschilt te veel van de situatie van eiseres. In die zaak had de gemeente een fout gemaakt en toen de burger daar navraag naar deed, werd de eerdere fout bevestigd. Toen de gemeente dat wilde terugdraaien, mocht dat niet vanwege strijd met het vertrouwensbeginsel.
7. De conclusie is dat verweerder de uitkering van eiseres mocht intrekken en terugvorderen.
8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van deze jurisprudentie is de bevoegdheid om onverschuldigd betaalde bijstand terug te vorderen in tijd beperkt tot zes maanden als het college niet adequaat reageert op informatie waaruit het kan afleiden dat het te veel of ten onrechte uitkering heeft verstrekt. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4469.
Dit staat in artikel 40, eerste lid, van de Participatiewet, zie hierover ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3038
Zie de uitspraken van de CRvB van 12 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1137
en van 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2865
Dit volgt uit de uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
Zie hierover ook de uitspraak van de CRvB van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2023