Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-06-22
ECLI:NL:RBMNE:2022:2358
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,093 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2001
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: M.J.M. Bergers),
en
de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verweerder)
(gemachtigde: M. van Dongen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de oplegging van de een Educatieve Maatregel Gedrag en verkeer (EMG), een cursus over verantwoord rijgedrag.
Bij besluit van 14 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser de verplichting tot het volgen van deze cursus, de EMG, opgelegd. Met het bestreden besluit van 21 december 2020 op het bezwaar van eiser heeft verweerder dat besluit gehandhaafd.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 mei 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Over de ontvankelijkheid van het beroep
1. De rechtbank dient allereerst ambtshalve de vraag te beantwoorden of het beroep tijdig is ingediend en of het beroep aldus ontvankelijk is. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en zal dit hieronder toelichten.
2. Het bestreden besluit is van 21 december 2020. Indien het besluit ook op die dag bekend is gemaakt, eindigde de termijn voor het indienen van beroep op 1 februari 2021. Het beroepschrift dateert van 21 april 2021 en is ook op die dag door de rechtbank per fax ontvangen. Het beroepschrift is derhalve ná 1 februari 2021 ingediend. Eiser zegt dat het beroep niet te laat is ingediend omdat hij het besluit van 21 december 2020 niet heeft ontvangen. Op 4 maart 2021 heeft eiser verweerder daarom in gebreke gesteld en bij brief van 10 maart 2021 heeft verweerder aan eiser het besluit van 21 december 2021 alsnog toegestuurd. Eiser is daarom van mening dat hij tijdig, dat wil zeggen binnen zes weken nadat het besluit van 21 december 2020 op 15 maart 2021 aan hem bekend werd gemaakt, beroep heeft ingesteld op 21 april 2021.
3. Verweerder zegt dat het besluit van 21 december 2020 op de juiste wijze bekend is gemaakt. Op 21 december 2020 is het besluit per post verzonden naar het juiste adres van eiser. Ook is een kopie van het besluit verzonden naar het kantooradres van de gemachtigde van eiser. Desgevraagd heeft verweerder ter onderbouwing van deze verzending op 18 mei 2022 twee printscreens overgelegd met een toelichting over de werkwijze van de administratie van de afdeling bezwaar en beroep. Verweerder heeft erkend dat dit geen verzendadministratie is, maar hieruit kan volgens verweerder niet anders worden afgeleid dan dat het besluit op 21 december 2020 is verzonden naar zowel eiser als zijn gemachtigde.
4. Verder merkt verweerder op dat eiser in de beroepsprocedure stelt dat verweerder op 15 maart 2021 een kopie van het besluit naar hem heeft verzonden. Verweerder maakt hieruit op dat eiser in ieder geval op 15 maart 2021 kennis heeft genomen van het besluit. Eiser diende zo spoedig beroep in te stellen nadat hij op 15 maart 2021 op de hoogte was geraakt van het besluit, en dat heeft eiser niet gedaan. Het beroep is immers niet ingediend binnen een redelijke termijn van twee weken na het alsnog bekend raken met het besluit. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk volgens verweerder.
5. Ter zitting heeft verweerder verder toegelicht dat het vreemd is dat eiser twee afschriften van het bestreden besluit heeft overgelegd waarbij de datumstempels op verschillende plekken zijn geplaatst. Hieruit leidt verweerder af dat eiser eerder dan na toezending van het bestreden besluit bij brief van 10 maart 2021 in het bezit was van het bestreden besluit.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder het besluit van 21 december 2020 niet aangetekend heeft verzonden. Als de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden poststuk niet heeft ontvangen, moet het bestuursorgaan aannemelijk maken dat een besluit op een bepaalde datum naar de geadresseerde is verzonden. De rechtbank kan verweerder volgen dat het opmerkelijk is dat van de zijde van eiser twee keer een beslissing op bezwaar is overgelegd, namelijk een keer bij het pro forma beroepschrift en een keer als bijlage bij de email van eiser van 13 juli 2021, met twee verschillende plaatsen waarop de datumstempel staat. Dit laat echter onverlet dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bestreden besluit op 21 december 2020 is verzonden. Verweerder erkent ter zitting ook dat de overgelegde printscreens geen verzendadministratie is. De rechtbank dient er daarom van uit te gaan dat het besluit pas bij brief van 10 maart 2021 op correcte wijze aan eiser bekend is gemaakt. Anders dan verweerder stelt geldt nu de verzending niet aannemelijk is geworden, een beroepstermijn van zes weken en niet een termijn van twee weken. Deze termijn van zes weken is begonnen op 11 maart 2021 en is geëindigd op 21 april 2021. De rechtbank heeft eisers beroep ontvangen op 21 april 2021, dus tijdig. Dit betekent dat eisers beroep ontvankelijk is.
Over de beroepsgronden van eiser
7. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht aan eiser een EMG heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Verweerder was gehouden aan eiser een EMG op te leggen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
8. De rechtbank is uitgegaan van het volgende.
9. Op 6 augustus 2020 heeft verweerder een mededeling ontvangen van de politie, eenheid Amsterdam, op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Uit deze mededeling blijkt het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorieën B/T/AM van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven. Het vermoeden is gebaseerd op het rijgedrag van eiser op 30 juli 2020. Geconstateerd werd dat eiser een groot aantal gedragingen pleegde waarbij door dat rijgedrag het overige verkeer in gevaar is gebracht of in ieder geval in gevaar konden worden gebracht. Eisers rijgedrag en de daarmee gepaard gaande gevaarzetting is weergegeven in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van overtreding van 1 augustus 2020. De verbalisanten hebben geconstateerd dat eiser meerdere keren dicht op zijn voorligger reed, de doorgetrokken streep overschreed, meerdere keren geen richting aangaf, over de busbaan reed, rakelings een voertuig rechts inhaalde en geen richting aangaf, twee keer door rood reed en in een beweging met hoge snelheid de voetgangersoversteekplaats passeerde. Hierdoor moesten twee voetgangers met een kinderwagen hard achteruit stappen.
10. Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit naar aanleiding van deze mededeling op grond van artikel 131, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw in samenhang van artikel 14, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) een EMG opgelegd.
11. Eiser heeft tegen besluit bezwaar gemaakt, maar verweerder heeft het besluit in bezwaar gehandhaafd. Volgens verweerder is er geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de gegevens afkomstig van de politie.
12. Eiser is het hier niet mee eens en betwist dat hij degene is die het voertuig bestuurd heeft. Hij heeft niet zelf gereden, terwijl aan hem wel de EMG is opgelegd. De verbalisanten hebben gesproken met de bestuurder van de auto maar volgens het proces-verbaal hebben zij de identiteit van de bestuurder niet geverifieerd. Ter zitting heeft eiser gesteld dat er volgens hem bij zijn identificatie sprake is van etnisch profileren. Eiser voert verder aan dat de individuele Mulder beschikkingen die zijn toegezonden aan zijn partner allemaal gegrond zijn verklaard, waarmee naar het oordeel van eiser de rechtmatigheid van deze beschikkingen is komen te vervallen.
13. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed, dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Verder is niet vereist dat het CBR een eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
14. De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van overtreding op ambtsbelofte is opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid ervan mag worden uitgegaan. Niet in geschil is dat de in het proces-verbaal van overtreding geconstateerde verkeersovertredingen, indien van de juistheid daarvan kan worden uitgegaan, het opleggen van een EMG rechtvaardigen.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder aan eiser terecht een EMG heeft opgelegd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE - Wettelijk kader
Wegenverkeerswet
Artikel 130
1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
[…].
Artikel 131
1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid;
[…].
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 14
1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:
a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;
[…].
(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1336)
ECLI:NL:RVS:2018:3712