Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2022:173
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,743 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4933
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 januari 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
de burgemeester van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigden: mr. V. Groeneveld en mr. E. van Essen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting de Alliantie, gevestigd in Hilversum (gemachtigde: K. Sluijs).
Procesverloop
In het besluit van 8 december 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder gelast om het pand aan de [adres] te [plaatsnaam] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden te sluiten.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 januari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
Overwegingen
Verzoek om voorlopige voorziening
1. De voorzieningenrechter van de rechtbank kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij het nemen van een beslissing op een verzoek tot voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster gelast wordt om met ingang van 20 december 2021 de woning voor de duur van 3 maanden te verlaten.
3. Verzoekster verzoekt om een voorlopige voorziening zodat het besluit wordt opgeschort tot het moment dat op het bezwaar is beslist.
Aanleiding
4. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 13 september 2021 blijkt dat de sociale recherche op 31 augustus 2021 de woning van verzoekster heeft betreden. Hierbij zijn verzoekster en [A] , haar partner en tevens medebewoner, aangehouden. Na de aanhouding heeft een doorzoeking in de woning plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking is het volgende aangetroffen:
1424 gram hasjblokken
859 gram henneptoppen
616 gram Fenacetine (versnijdingsmiddel)
4,34 gram cocaïne
Gripzakjes
Pony packs
Groot geldbedrag in bankbiljetten
Kokers met muntgeld
Digitale weegschaal
Meerdere wapens
De politie heeft op basis van de bevindingen van de doorzoeking de conclusie getrokken dat het aannemelijk is dat vanuit de woning van verzoekster drugs werd verhandeld en geeft verweerder daarom in overweging om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet tijdelijk te sluiten.
Het bestreden besluit
5. Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft verweerder bij het bestreden besluit gelast om de woning voor de duur van 3 maanden te sluiten. Verweerder acht sluiting van de woning noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. Door sluiting kan de bekendheid van de woning binnen het criminele circuit als drugspand worden doorbroken en de loop er naar toe eruit worden gehaald. Verweerder vindt de sluiting evenredig. Verweerder vindt ook dat het maatschappelijke belang om de woning te sluiten zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van verzoekster om in de woning te blijven wonen.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder bevoegd was om de woning te sluiten.
Noodzaak
7. Verzoekster voert aan dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, omdat er geen sprake is van een noodzaak om de woning te sluiten. Verzoekster voert aan dat sluiting een ultimum remedium is en dat verweerder in dit geval een minder ingrijpend middel had moeten toepassen. Verzoekster verwijst in dit verband naar de conclusie van de advocaat-generaals Widdershoven en Wattel van 7 juli 2021. Verzoekster vindt het bevreemdend dat de drugs en de daaraan gerelateerde attributen aan het licht zijn gekomen na een onderzoek van de sociale recherche in plaats van een onderzoek door de politie in het kader van de Opiumwet. Verzoekster stelt daarbij vraagtekens bij de stelling van verweerder dat er sprake zou zijn van drugshandel en/of drugsoverlast vanuit de woning en daarmee van noodzaak tot sluiting van de woning. Verder zijn er volgens verzoekster sinds het voornemen geen meldingen van overlast gedaan. [A] is na zijn aanhouding ook niet meer in de woning aanwezig geweest. Zijn voorlopige hechtenis is geschorst en de rechtbank heeft als voorwaarde opgenomen dat hij bij zijn moeder verblijft.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten. Er is in de woning hard- en softdrugs aangetroffen die de handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt. Op grond daarvan mag worden aangenomen dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel. Dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel blijkt ook uit de verschillende in de woning aangetroffen drugsgerelateerde attributen, zoals bijvoorbeeld Fenacetine (versnijdingsmiddel), gripzakjes, een weegschaal, wapens, en een groot geldbedrag aan bankbiljetten. Op zitting heeft verweerder hierover nog naar voren gebracht dat sprake was van een winkel in drugs. Op basis van de bestuurlijke rapportage staat voldoende vast dat er dagelijks aanloop naar de woning was. Er zouden regelmatig mensen aan de deur komen die dan binnengelaten werden en korte tijd later de woning weer zouden verlaten. Dat uit de stukken niet precies blijkt hoe vaak dit is gebeurd, betekent niet dat niet van deze aanloop mag worden uitgegaan. Ook deze omstandigheid maakt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er sprake was van drugshandel vanuit de woning en dat sluiting van de woning daarom noodzakelijk is. Dat de aanleiding voor het betreden van de woning niet was gelegen in drugs(handel), rechtvaardigt niet de conclusie dat er dan ook geen sprake kan zijn geweest van drugshandel vanuit de woning en daarmee gepaard gaande overlast en er geen noodzaak bestond om de woning te sluiten.
9. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat met een minder ingrijpend middel niet hetzelfde doel wordt bereikt. Met de sluiting van de woning heeft verweerder beoogd om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen en de ‘loop’ naar de woning eruit te halen, waarmee de woning aan het drugscircuit wordt onttrokken. Verweerder heeft aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden dat verzoekster al dan niet met behulp van (gedwongen) hulpverlening zich niet meer schuldig zal maken aan drugshandel niet die betekenis hoeven toekennen die verzoekster daaraan toegekend wenst te zien. Immers het doel van de sluiting is het wegnemen van de bekendheid van de woning als drugspand en dit staat los van de persoonlijke omstandigheden van verzoekster.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er een noodzaak bestaat om de woning te sluiten. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn.
Evenredigheid
11. Verzoekster voert aan dat de sluiting van haar woning niet evenredig is. Verzoekster meent dat persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt, omdat zij geen betrokkenheid heeft bij de aanwezigheid van de drugs in de woning. Verzoekster was daar niet van op de hoogte. Over verzoekster zijn ook geen relevante justitiële gegevens bekend. Het gaat hier om een eerste overtreding. Verder voert verzoekster aan dat de woningsluiting grote gevolgen heeft. Verzoekster zal haar woning verliezen en zij zal gescheiden komen te wonen van haar dochter met wie zij nu in de woning samenwoont. Verder dreigt stopzetting van de bewindvoering als de woning wordt gesloten. Verzoekster doet in dit verband nog een beroep op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 6 oktober 2021.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de sluiting van de woning niet onevenredig is. Verweerder heeft in dit verband terecht opgemerkt dat er geen sprake is van een situatie waarin de persoonlijke verwijtbaarheid aan de kant van verzoekster ontbreekt.
Conclusie
16. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Gelet op het voorgaande slagen de gronden van verzoekster, zoals die nu zijn, niet. Daarom heeft het bezwaar op dit moment geen redelijke kans van slagen. Ook verder, gelet op de betrokken belangen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 januari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2021:1468.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2243).
ECLI:NL:RVS:2021:2243.
ECLI:NL:RBLIM:2021:9229.