Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-04-13
ECLI:NL:RBMNE:2022:1602
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Mondelinge uitspraak
1,390 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2603-V
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2022 op het verzet van
[opposante] , te [woonplaats] , opposante
(gemachtigde: mr. N. Rachid),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), geopposeerde(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).
Procesverloop
Opposante heeft tegen de beslissing op bezwaar van het Uwv van 4 mei 2021 over de uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 27 september 2021 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
De rechtbank heeft het verzet op 13 april 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Opposante is verschenen, bijgestaan door mr. P.E. Epping, als waarnemer van haar gemachtigde. Namens het Uwv is mr. E.F. de Roy van Zuydewijn verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het Uwv het bezwaar van opposante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat zij beroep heeft ingesteld tegen twee besluiten van het Uwv, maar dat de rechtbank in haar uitspraak van 27 september 2021 slechts één besluit heeft behandeld. De rechtbank is daarom ten onrechte tot algehele niet-ontvankelijkheid gekomen. Opposante heeft deze grond ter zitting ingetrokken en daarom zal de rechtbank daar niet verder op ingaan.
4. Opposante voert verder aan dat in de bezwaarfase wel sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat het Uwv haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Opposante was tijdelijk niet in staat om haar eigen belangen te behartigen. Ze begreep niet dat het een besluit was, omdat er geen motivering in het besluit stond. Opposante heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld en mocht op haar kwalificaties vertrouwen. Dat een advocaat geen stukken doorstuurt of geen rechtsmiddelen inzet kan niet voor rekening van opposante komen. Opposante verwijst in dit kader naar een uitspraak van rechtbank Rotterdam.
5. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie van opposante, ziet zij geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het besluit is op de juiste wijze aan opposante kenbaar gemaakt. Zij is daarover volgens het Uwv ook telefonisch ingelicht en onder het besluit stond een bezwaarclausule. Opposante had zelf verschillende acties kunnen ondernemen om tijdig pro forma bezwaar in te stellen, bijvoorbeeld het inschakelen van iemand die haar belangen kan behartigen. Opposante geeft ook aan een advocaat te hebben ingeschakeld, maar dat deze haar verkeerd dan wel onjuist heeft ingelicht. Een dergelijke omstandigheid komt echter, anders dan opposante meent, wel degelijk voor haar rekening en risico. De verwijzing van opposante naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam kan niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank overweegt in dit kader dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. In de zaak die bij de rechtbank Rotterdam speelde ging het immers om een nota van griffierecht die door de rechtbank per abuis naar de voormalig gemachtigde was gestuurd. Die had de nota niet doorgestuurd naar de nieuwe gemachtigde en in dat geval had de rechtbank het beroep niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren in verband met het niet tijdig voldoen van het griffierecht, omdat aan de huidige gemachtigde van eiseres geen herstel verzuim voor het betalen van het griffierecht was geboden.
6. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 27 september 2021. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Uitspraak van 24 januari 2020, ROT 19/1886.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8122.