Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-03-14
ECLI:NL:RBMNE:2022:1140
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,725 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/4095
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats], verweerder
(gemachtigde: N.V. Volchenko).
Procesverloop
1. In het besluit van 17 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan eisers een boete opgelegd van € 8.300,-.
1.1.
In het besluit van 11 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen voor zover het de hoogte van de boete betreft. Verweerder heeft de boete vastgesteld op
€ 1.371,29.
1.2.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Verzoek vrijstelling griffierecht
2. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek te honoreren.
Wat aan deze zaak vooraf ging
3. Eisers ontvingen vanaf 1 november 2009 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm.
3.1.
Naar aanleiding van een melding op 23 april 2019 heeft verweerder onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van eisers recht op bijstand. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het ‘Rapport onderzoek fraudeteam’ van 2 oktober 2019 (het onderzoeksrapport).
3.2.
Op 14 november 2019 heeft verweerder het recht op bijstand van eisers met ingang van 19 oktober 2016 ingetrokken en de over de periode van 19 oktober 2016 tot en met 30 juni 2019 verleende bijstand teruggevorderd.
3.3.
Op 23 april 2020 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het besluit van 14 november 2019 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 14 november 2019 herroepen voor zover daarbij het recht op bijstand over de periode van 19 oktober 2016 tot 19 december 2016 is ingetrokken en teruggevorderd. Verweerder heeft de terugvordering vastgesteld op € 49.853,58 (bruto). Voor het overige heeft verweerder het bestreden besluit in stand gelaten.
3.4.
Eisers hebben tegen het besluit van 23 april 2020 beroep ingesteld (zaaknummer UTR 20/1966).
3.5.
Op 17 februari 2021 heeft verweerder het primaire besluit genomen.
3.6.
De rechtbank heeft op 1 maart 2021 het beroep met zaaknummer UTR 20/1966 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
3.7.
Op 11 september 2021 heeft verweerder het besluit genomen waartegen dit beroep zich richt.
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie sociale zekerheid (de commissie) aan het bestreden besluit het volgende ten grondslag gelegd. Eisers hebben de inlichtingenplicht geschonden door de inschrijvingen van de eenmanszaak van eiseres bij de Kamer van Koophandel (KvK) niet te melden en tevens niet te melden dat zij op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht. Aan eisers kan, uitgaande van grove schuld en een draagkracht van € 258,63 per maand, een boete van
€ 4.655,43 worden opgelegd. Omdat verweerder in de zienswijze en tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat de boete wordt verlaagd tot een bedrag van € 1.371,29, heeft verweerder de hoogte van de boete conform deze toezegging vastgesteld.
Het beoordelingskader
5. Het bestuursorgaan moet voor het opleggen van een boete aantonen dat de betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Verder moet daarvoor, anders dan bij een herziening, intrekking en/of terugvordering, de schending van de inlichtingenverplichting aan de betrokkene zijn te verwijten. Daarnaast moet de boete evenredig zijn aan de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit over de boete aan deze eisen voldoet en dus leidt tot een evenredige sanctie.
6. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit over de intrekking en terugvordering van de bijstand op 1 maart 2021 (zaaknummer UTR 20/1996) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat eisers de inlichtingenplicht hebben geschonden. Dit betekent echter niet dat bij de beoordeling van een opgelegde boete de schending van de inlichtingenverplichting een vaststaand gegeven is. Daarover moet een zelfstandig oordeel worden gegeven. De bewijslast bij een boete is zwaarder dan bij de intrekking. Bij een boeteoplegging moet de bijstandverlenende instantie aantonen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a van de Participatiewet (Pw), waaronder de schending van de inlichtingenverplichting.
Schending van de inlichtingenplicht
Inschrijving KvK
7. De rechtbank oordeelt dat de inschrijving bij de KvK een voor de bijstand relevant gegeven is, omdat daaruit kan worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft zich als zelfstandige te vestigen en daarmee inkomsten te verwerven. De omstandigheid dat het een betrokkene niet lukt om als zelfstandige aan het werk te gaan, ontslaat hem niet van de verplichting om de bijstandverlenende instantie van de inschrijving op de hoogte te stellen.
8. Eisers stellen dat zij de inlichtingenplicht niet hebben geschonden. Zij waren voortdurend in overleg met hun klantmanager over het mogelijk opstarten van een bedrijf. Verweerder was dus op de hoogte van de gang van zaken rondom de eenmanszaak van eiseres.
9. De rechtbank stelt vast dat eisers niet hebben onderbouwd dat zij bij hun toenmalige klantmanager melding hebben gemaakt van de inschrijvingen bij de KvK. Dit blijkt ook niet uit het procesdossier. Zoals de rechtbank in overweging 8. van haar uitspraak van
1. maart 2021 al heeft vastgesteld, blijkt uit de gesprekken/gespreksverslagen van 6 januari 2015, 3 februari 2015, 12 oktober 2016, 22 januari 2017, 24 januari 2017 en 5 december 2017 weliswaar de wens van eisers om een onderneming te starten, maar niet dat zij van de daadwerkelijke inschrijvingen bij het KvK melding hebben gemaakt.
Op geld waardeerbare activiteiten
10. Eisers voeren aan dat zij in de te beoordelen periode geen op geld waardeerbare werkzaamheden hebben verricht. Eisers waren bij de zaak van hun dochter alleen betrokken als ouders en hebben daar geen werkzaamheden verricht. Eiser heeft zijn dochter op haar verzoek weleens met raad en daad bijgestaan, maar zijn dochter nam zelf de beslissingen. Eiseres was er vaak alleen in het weekend om te helpen met afsluiten. Zij betwist dat zij werkzaamheden in de zaak van haar dochter heeft verricht en/of dat zij vanuit die zaak of vanuit huis kleding heeft verkocht. Er zijn geen bedrijfsactiviteiten ontplooid en haar eenmanszaak heeft geen inkomen gegenereerd.
11. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat eisers op geld waardeerbare activiteiten hebben verricht in de zaak van hun dochter. De rechtbank verwijst voor wat betreft haar motivering allereerst naar de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2022 en maakt de overwegingen 10. en 11. van die uitspraak tot de hare.
12. De stelling dat eiser de zaak van zijn dochter alleen maar heeft gebruikt om lid te worden van Businessclub [businessclub] (Businessclub), acht de rechtbank gezien de verklaringen van [A] niet aannemelijk. [A] heeft immers verklaard dat eiser in 2017 bij hem heeft geïnformeerd naar een lidmaatschap van de Businessclub van “zijn” kapsalon. Verder heeft [A] verklaard dat eiser op het aanvraagformulier voor het lidmaatschap had aangegeven dat hij adviseur is van de kapsalon. Eiser wilde zo ook op de website van de Businessclub vermeld worden. Daartoe heeft eiser aan [A] zijn mailadres, telefoonnummer en een foto verstrekt. Ook heeft [A] verklaard dat eiser regelmatig naar de Businessclub kwam om te netwerken met andere bedrijven.
13. Verder is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eisers hebben aangevoerd, aan de verklaringen van [B] en [C] wel degelijk waarde kan worden gehecht. Alle getuigen hebben immers in hoofdlijnen eensluidend, zonder voorbehoud en uit eigen waarneming verklaard dat eisers bij de bezoeken aan de kapsalon aanwezig waren, dat eiseres daar kleding verkocht en dat eiser het woord voerde.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de rechter is verhinderd om
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
€ 1.523,56 (feitelijk inkomen) - € 1.264,93 (beslagvrijevoet).
Zie onder 4.3 en 4.4 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:807.
Zie de uitspraak van de CRvB van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4096.
Zie bv onder 4.4. van de uitspraak van de CRvB van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2983.
Zie bv de pagina’s 621 en 622 van het onderzoeksrapport.