Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-02-23
ECLI:NL:RBMNE:2021:716
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,242 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4047
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om aanvullende bijstand afgewezen.
Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het eerste onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer was op 20 januari 2020. Eiser en verweerder hebben zich toen laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan het einde van deze zitting is het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 februari 2020 heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft partijen gevraagd om toestemming om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft daarvoor geen toestemming gegeven.
Daarom is er een tweede onderzoek op de zitting van de meervoudige kamer geweest op 27 januari 2021 via een Skype geluid- en beeldverbinding. Eiser en verweerder hebben zich weer laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Waar deze procedure over gaat
1. Deze procedure gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om de bijstand af te stemmen of bijzondere bijstand toe te kennen omdat de hem toegekende tegemoetkoming voor alleenstaande ouders (de ALO-kop) door de Belastingdienst/toeslagen wordt teruggevorderd. Wat vooraf ging aan deze procedure
2. Eiser ontving met ingang van 6 oktober 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij woonde toen samen met zijn minderjarige dochter. In het kader van gezinshereniging is eisers echtgenote met twee kinderen op 17 april 2017 bij hem komen wonen. Samen ontvangen zij vanaf 23 juni 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden. In 2016 en 2017 heeft eiser van de Belastingdienst/toeslagen kindgebonden budget ontvangen, waaronder de ALO-kop.
3. Omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst de status van eiser na de komst van zijn vrouw met terugwerkende kracht heeft aangepast van ‘alleenstaande ouder’ naar ‘gehuwd’, heeft de Belastingdienst/toeslagen de ALO-kop teruggevorderd van eiser. De Belastingdienst/toeslagen heeft namelijk eisers echtgenote, die in 2016 en een deel van 2017 niet bij hem woonde, alsnog als toeslagpartner voor het kindgebonden budget aangemerkt zodat eiser achteraf geen recht had op de ALO-kop.
4. Eiser heeft eerder een vergelijkbare aanvraag gedaan bij verweerder als de aanvraag die bij besluit van 7 februari 2019 is afgewezen. De eerdere aanvraag is afgewezen met het besluit van 9 augustus 2017. Deze afwijzing is onder wijziging van de juridische grondslag in stand gehouden bij het besluit van 8 maart 2018. Dit besluit staat daarmee in rechte vast.
5. Op 4 februari 2019 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend.
6. Verweerder heeft ook deze aanvraag afgewezen en die afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Waarom een uitspraak van de meervoudige kamer
7. De reden dat de rechtbank deze zaak heeft verwezen naar een meervoudige kamer, is de uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2019. In die zaak speelde een - op hoofdlijnen - vergelijkbare problematiek. De vraag kwam dan ook op of de omstandigheden van deze zaak zo vergelijkbaar zijn, dat eenzelfde soort uitspraak gedaan zou moeten worden. De rechtbank heeft besloten om die vraag door de meervoudige kamer te laten beantwoorden.
Wat eiser vindt
8. Eiser vindt dat verweerder moet afstemmen op grond van artikel 18 van de Participatiewet (Pw). Verweerder zegt wel dat bij eiser geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, maar verwijst daarbij naar een voorbeeld waarin bij een politiek vluchteling wel duurzaam gescheiden leven is aangenomen. Het verbaast eiser dat dit voorbeeld wordt gegeven, nu uit de GBA-code blijkt dat hij een vluchtelingenstatus heeft. De situatie van elke statushouder is dan ook vergelijkbaar met die van een politiek vluchteling die gedwongen is geweest zijn gezin achter te laten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom dit voorbeeld niet vergelijkbaar is met zijn situatie. Verder stelt eiser dat uit de uitspraak van 9 april 2019 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet de conclusie getrokken kan worden dat in eisers gezin sprake is van een toeslagpartner. De situatie van een partner die na eerder verblijf in Nederland naar het buitenland vertrekt en geen contact onderhoudt, is echt heel anders dan de situatie van eiser waarbij hij door zijn vlucht zijn partner noodgedwongen achter heeft moeten laten en gezinshereniging toen nog een onzekere gebeurtenis was. In die situatie kan niet verwacht worden dat de partner bijdraagt in de onderhoudskosten. In het geval van eiser is gesteld noch gebleken dat dit wel mogelijk zou zijn geweest.
Wat verweerder vindt
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens verweerder is - kort samengevat - in eisers geval geen sprake van dezelfde situatie als in de uitspraken van 6 juni 2018 van de CRvB. Verweerder merkt op dat van duurzaam gescheiden echtgenoten geen sprake is, nu eiser zijn echtgenote in het kader van gezinshereniging naar Nederland heeft kunnen halen. Verder merkt verweerder op dat eisers aanvraag in feite een aanvraag om bijstand voor schulden betreft. Verweerder heeft gesteld dat er geen reden is om in strijd met artikel 13, eerste lid, onder g, van de Pw toepassing te geven aan het buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder, nu niet is gebleken van dringende redenen.
Wat de rechtbank vindt
10. Voor een weergave van het toepasselijke kader van de ALO-kop in samenhang met het recht op bijstand verwijst de rechtbank naar de hiervoor al genoemde uitspraak van de CRvB van 6 juni 2018. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
11. Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de stellingen van eiser geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien, die zouden moeten leiden tot afstemming van bijstand met terugwerkende kracht. De omstandigheid dat middelen die eerder aan eiser ter beschikking stonden (namelijk de ALO-kop) worden teruggevorderd, is geen bijzondere omstandigheid die moet leiden tot verlening van bijstand met terugwerkende kracht.
13. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de aanvraag voor de ALO-kop te doen, op basis van informatie die onjuist was. Hij heeft bij die aanvraag namelijk ingevuld dat hij ongehuwd was. Dat eiser door Vluchtelingenwerk is geadviseerd om op basis van een afspraak tussen Vluchtelingenwerk en de Belastingdienst/toeslagen onjuiste informatie te verstrekken, om op die manier de ALO-kop te krijgen is door eiser niet aangetoond. Als dit zo was geweest dan had het in de lijn van de verwachtingen gelegen dat eiser bezwaar had gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/toeslagen om over te gaan tot terugvordering. De terugvordering zou dan immers niet terecht zijn geweest, omdat eiser had gehandeld op basis van een afspraak tussen Vluchtelingenwerk en de Belastingdienst/toeslagen.De rechtbank stelt verder vast dat eiser, tegen de bedoeling van de wetgever in, ervoor heeft gekozen om de ALO-kop bij de Belastingdienst/toeslagen aan te vragen op basis van onjuiste informatie, in plaats van het indienen van een aanvraag om bijstand bij de gemeente. De negatieve gevolgen van deze keuze, namelijk dat hij nu geen bijstand kan krijgen om de gevolgen van de terugvordering van de ALO-kop ongedaan te maken, kunnen niet bij verweerder worden neergelegd. Van bijzondere omstandigheden is dan ook geen sprake.
14.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/4047
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).
Procesverloop
Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om aanvullende bijstand afgewezen.
Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het eerste onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer was op 20 januari 2020. Eiser en verweerder hebben zich toen laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Aan het einde van deze zitting is het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 februari 2020 heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft partijen gevraagd om toestemming om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Eiser heeft daarvoor geen toestemming gegeven.
Daarom is er een tweede onderzoek op de zitting van de meervoudige kamer geweest op 27 januari 2021 via een Skype geluid- en beeldverbinding. Eiser en verweerder hebben zich weer laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Waar deze procedure over gaat
1. Deze procedure gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om de bijstand af te stemmen of bijzondere bijstand toe te kennen omdat de hem toegekende tegemoetkoming voor alleenstaande ouders (de ALO-kop) door de Belastingdienst/toeslagen wordt teruggevorderd. Wat vooraf ging aan deze procedure
2. Eiser ontving met ingang van 6 oktober 2016 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Hij woonde toen samen met zijn minderjarige dochter. In het kader van gezinshereniging is eisers echtgenote met twee kinderen op 17 april 2017 bij hem komen wonen. Samen ontvangen zij vanaf 23 juni 2017 bijstand naar de norm voor gehuwden. In 2016 en 2017 heeft eiser van de Belastingdienst/toeslagen kindgebonden budget ontvangen, waaronder de ALO-kop.
3. Omdat de Immigratie- en Naturalisatiedienst de status van eiser na de komst van zijn vrouw met terugwerkende kracht heeft aangepast van ‘alleenstaande ouder’ naar ‘gehuwd’, heeft de Belastingdienst/toeslagen de ALO-kop teruggevorderd van eiser. De Belastingdienst/toeslagen heeft namelijk eisers echtgenote, die in 2016 en een deel van 2017 niet bij hem woonde, alsnog als toeslagpartner voor het kindgebonden budget aangemerkt zodat eiser achteraf geen recht had op de ALO-kop.
4. Eiser heeft eerder een vergelijkbare aanvraag gedaan bij verweerder als de aanvraag die bij besluit van 7 februari 2019 is afgewezen. De eerdere aanvraag is afgewezen met het besluit van 9 augustus 2017. Deze afwijzing is onder wijziging van de juridische grondslag in stand gehouden bij het besluit van 8 maart 2018. Dit besluit staat daarmee in rechte vast.
5. Op 4 februari 2019 heeft eiser een nieuwe aanvraag ingediend.
6. Verweerder heeft ook deze aanvraag afgewezen en die afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. Waarom een uitspraak van de meervoudige kamer
7. De reden dat de rechtbank deze zaak heeft verwezen naar een meervoudige kamer, is de uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2019. In die zaak speelde een - op hoofdlijnen - vergelijkbare problematiek. De vraag kwam dan ook op of de omstandigheden van deze zaak zo vergelijkbaar zijn, dat eenzelfde soort uitspraak gedaan zou moeten worden. De rechtbank heeft besloten om die vraag door de meervoudige kamer te laten beantwoorden.
Wat eiser vindt
8. Eiser vindt dat verweerder moet afstemmen op grond van artikel 18 van de Participatiewet (Pw). Verweerder zegt wel dat bij eiser geen sprake is van duurzaam gescheiden leven, maar verwijst daarbij naar een voorbeeld waarin bij een politiek vluchteling wel duurzaam gescheiden leven is aangenomen. Het verbaast eiser dat dit voorbeeld wordt gegeven, nu uit de GBA-code blijkt dat hij een vluchtelingenstatus heeft. De situatie van elke statushouder is dan ook vergelijkbaar met die van een politiek vluchteling die gedwongen is geweest zijn gezin achter te laten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom dit voorbeeld niet vergelijkbaar is met zijn situatie. Verder stelt eiser dat uit de uitspraak van 9 april 2019 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet de conclusie getrokken kan worden dat in eisers gezin sprake is van een toeslagpartner. De situatie van een partner die na eerder verblijf in Nederland naar het buitenland vertrekt en geen contact onderhoudt, is echt heel anders dan de situatie van eiser waarbij hij door zijn vlucht zijn partner noodgedwongen achter heeft moeten laten en gezinshereniging toen nog een onzekere gebeurtenis was. In die situatie kan niet verwacht worden dat de partner bijdraagt in de onderhoudskosten. In het geval van eiser is gesteld noch gebleken dat dit wel mogelijk zou zijn geweest.
Wat verweerder vindt
9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen. Volgens verweerder is - kort samengevat - in eisers geval geen sprake van dezelfde situatie als in de uitspraken van 6 juni 2018 van de CRvB. Verweerder merkt op dat van duurzaam gescheiden echtgenoten geen sprake is, nu eiser zijn echtgenote in het kader van gezinshereniging naar Nederland heeft kunnen halen. Verder merkt verweerder op dat eisers aanvraag in feite een aanvraag om bijstand voor schulden betreft. Verweerder heeft gesteld dat er geen reden is om in strijd met artikel 13, eerste lid, onder g, van de Pw toepassing te geven aan het buitenwettelijk begunstigend beleid van verweerder, nu niet is gebleken van dringende redenen.
Wat de rechtbank vindt
10. Voor een weergave van het toepasselijke kader van de ALO-kop in samenhang met het recht op bijstand verwijst de rechtbank naar de hiervoor al genoemde uitspraak van de CRvB van 6 juni 2018. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
11. Volgens vaste rechtspraak wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene een aanvraag om bijstand heeft ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat van dit uitgangspunt wordt afgeweken.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de stellingen van eiser geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien, die zouden moeten leiden tot afstemming van bijstand met terugwerkende kracht. De omstandigheid dat middelen die eerder aan eiser ter beschikking stonden (namelijk de ALO-kop) worden teruggevorderd, is geen bijzondere omstandigheid die moet leiden tot verlening van bijstand met terugwerkende kracht.
13. Eiser heeft er zelf voor gekozen om de aanvraag voor de ALO-kop te doen, op basis van informatie die onjuist was. Hij heeft bij die aanvraag namelijk ingevuld dat hij ongehuwd was. Dat eiser door Vluchtelingenwerk is geadviseerd om op basis van een afspraak tussen Vluchtelingenwerk en de Belastingdienst/toeslagen onjuiste informatie te verstrekken, om op die manier de ALO-kop te krijgen is door eiser niet aangetoond. Als dit zo was geweest dan had het in de lijn van de verwachtingen gelegen dat eiser bezwaar had gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst/toeslagen om over te gaan tot terugvordering. De terugvordering zou dan immers niet terecht zijn geweest, omdat eiser had gehandeld op basis van een afspraak tussen Vluchtelingenwerk en de Belastingdienst/toeslagen.De rechtbank stelt verder vast dat eiser, tegen de bedoeling van de wetgever in, ervoor heeft gekozen om de ALO-kop bij de Belastingdienst/toeslagen aan te vragen op basis van onjuiste informatie, in plaats van het indienen van een aanvraag om bijstand bij de gemeente. De negatieve gevolgen van deze keuze, namelijk dat hij nu geen bijstand kan krijgen om de gevolgen van de terugvordering van de ALO-kop ongedaan te maken, kunnen niet bij verweerder worden neergelegd. Van bijzondere omstandigheden is dan ook geen sprake.
14.