Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-09-27
ECLI:NL:RBMNE:2021:5280
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,298 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 3509-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2021 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (het college) van 28 augustus 2021.
In de uitspraak van 4 juni 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 juni 2021 het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van mening dat het college de bezwaarschriften van opposant terecht als samenhangend had aangemerkt en daarom bij het berekenen van de te vergoeden kosten als één zaak heeft aangemerkt. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van niet juist omdat er in geen enkele context sprake kan zijn van samenhangende zaken. Er zijn twee afzonderlijke bezwaarschriften ingediend en er heeft op 14 juli 2021 een hoorzitting plaatsgevonden. Hierdoor had verweerder drie punten moeten toekennen. Opposant stelt dat er voor beide bezwaarschriften een punt gegeven moet worden. Een bezwaarschrift ziet op de afwijzing van de aanvraag van bijzondere bijstand en het andere bezwaarschrift ziet op de afwijzing van de algemene bijstand. De rechtsbelangen van beide aanvragen en dus ook beide bezwaarprocedures zijn verschillend. Dat het college er zelf voor heeft gekozen om op beide bezwaarschriften te beslissen met één besluit en te behandelen op één hoorzitting doet niet af aan het feit dat er voor beide bezwaarschriften een punt gegeven dient te worden.
4. De rechtbank is het niet eens met opposant. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarschriften terecht samenhangend zijn behandeld. Er is sprake van samenhangende zaken als er door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij is het dus niet van belang of dat er sprake is van een gelijktijdige indiening van de bezwaarschriften of identieke aanvragen, maar het gaat er om of dat het bestuursorgaan de besluiten gelijktijdig heeft behandeld en of er geen substantiële extra inspanning is gevergd door de rechtsbijstandverlener. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.
5. Zoals opposant zelf ook aangeeft zijn beide bezwaarschriften behandeld op één hoorzitting en ook is er één beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank heeft dit onderkend en heeft daarbij correct geoordeeld dat er sprake is van een proceskostenvergoeding op grond van artikel 3 van het Bpb. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verweerder op de juiste wijze twee punten heeft toegekend voor het behandelen van de bezwaarschriften.
6. Het verzet is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2021 blijft in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
ECLI:NL:RBNHO:2015:1568
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20 / 3509-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2021 op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (het college) van 28 augustus 2021.
In de uitspraak van 4 juni 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 juni 2021 het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank was van mening dat het college de bezwaarschriften van opposant terecht als samenhangend had aangemerkt en daarom bij het berekenen van de te vergoeden kosten als één zaak heeft aangemerkt. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2021 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van niet juist omdat er in geen enkele context sprake kan zijn van samenhangende zaken. Er zijn twee afzonderlijke bezwaarschriften ingediend en er heeft op 14 juli 2021 een hoorzitting plaatsgevonden. Hierdoor had verweerder drie punten moeten toekennen. Opposant stelt dat er voor beide bezwaarschriften een punt gegeven moet worden. Een bezwaarschrift ziet op de afwijzing van de aanvraag van bijzondere bijstand en het andere bezwaarschrift ziet op de afwijzing van de algemene bijstand. De rechtsbelangen van beide aanvragen en dus ook beide bezwaarprocedures zijn verschillend. Dat het college er zelf voor heeft gekozen om op beide bezwaarschriften te beslissen met één besluit en te behandelen op één hoorzitting doet niet af aan het feit dat er voor beide bezwaarschriften een punt gegeven dient te worden.
4. De rechtbank is het niet eens met opposant. De rechtbank oordeelt dat de bezwaarschriften terecht samenhangend zijn behandeld. Er is sprake van samenhangende zaken als er door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Daarbij is het dus niet van belang of dat er sprake is van een gelijktijdige indiening van de bezwaarschriften of identieke aanvragen, maar het gaat er om of dat het bestuursorgaan de besluiten gelijktijdig heeft behandeld en of er geen substantiële extra inspanning is gevergd door de rechtsbijstandverlener. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.
5. Zoals opposant zelf ook aangeeft zijn beide bezwaarschriften behandeld op één hoorzitting en ook is er één beslissing op bezwaar genomen. De rechtbank heeft dit onderkend en heeft daarbij correct geoordeeld dat er sprake is van een proceskostenvergoeding op grond van artikel 3 van het Bpb. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verweerder op de juiste wijze twee punten heeft toegekend voor het behandelen van de bezwaarschriften.
6. Het verzet is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank van 7 juni 2021 blijft in stand.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 27 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
ECLI:NL:RBNHO:2015:1568