Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-08-16
ECLI:NL:RBMNE:2021:4514
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,047 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/819
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P.J. de Booij),
en
De korpschef van Politie, verweerder.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Eiser heeft op 7 november 2020 bezwaar gemaakt tegen een brief van verweerder van 29 september 2020. In deze brief heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet wordt opgenomen in de tolkendatabase van de Nationale Politie. Volgens verweerder was deze brief geen besluit waar bezwaar tegen kon worden gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de brief van 29 september 2020 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Dat is van belang omdat de rechtbank pas kan toekomen aan de vraag of het niet opnemen van eiser in de tolkendatabase van de Nationale Politie rechtmatig is, als de brief van 29 september 2020 als een besluit is aan te merken. Als deze vraag ontkennend wordt beantwoord, dan is geen bezwaar mogelijk tegen de brief.
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de brief van 29 september 2020 geen besluit is waar eiser bezwaar tegen kon maken. De rechtbank overweegt dat een rechtshandeling publiekrechtelijk is, indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen publiekrechtelijke grondslag. Werkzaamheden als tolk/vertaler voor de politie worden verricht op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht. De beslissing om eiser niet op te nemen in de tolkendatabase en geen gebruik te maken van zijn diensten is dan ook geen publiekrechtelijke rechtshandeling, maar vindt zijn grondslag in het privaatrecht. Om die reden is de brief van 29 september 2020 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5. Verweerder verwijst terecht naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat beslissingen van de korpschef om tolken toe te laten tot of te verwijderen uit het tolkenbestand van de politie geen publiekrechtelijke rechtshandelingen zijn, maar dat deze gericht zijn op gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden. De verwijdering uit het tolkenbestand heeft geen invloed op de inschrijving in het door de minister beheerde register als bedoeld in artikel 2 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
6. Dit betekent dat verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wat eiser heeft geschreven aan de rechtbank is geen reden om hier anders over te denken. Het besluit van verweerder is juist en het beroep is kennelijk ongegrond (artikel 8:54 Awb).
7. Eiser krijgt geen gelijk en daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
ECLI:NL:RVS:2014:2672