Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-01-22
ECLI:NL:RBMNE:2021:195
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,057 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1467
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: E. Witte).
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de inkomsten van eiser van week 45 tot en met week 52 worden toegerekend aan de maand december 2019.
Bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van ongegrond verklaard.
Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden via Skype op 22 december 2020. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiser werkt naast zijn WW-uitkering bij [bedrijf] Aan de hand van de door de werkgever aan de Belastingdienst verstrekte gegevens heeft verweerder het totale sv-loon vastgesteld. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.
Grondslag van het bestreden besluit
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de laatste dag van de 4 wekenperiode bepaalt aan welke maand het inkomen moet worden toegerekend. Volgens verweerder betekent dit dat zowel het loon genoten in de periode van 4 november 2019 tot en met 1 december 2019 als de periode van 2 december 2019 tot en met 31 december 2019 moet worden toegerekend aan de maand december 2019. De einddatum van beide periodes ligt namelijk in december 2019.
Beoordeling
3. Eiser voert aan dat het Uwv de juiste bruto inkomsten moet registreren. Hij wordt benadeeld door het Uwv en de jaaropgaves kloppen niet. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn beroep niet ziet op het bestreden besluit van 6 maart 2020, maar op de jaaropgaves van 2018 en 2019.
4. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat een jaaropgave niet als besluit kan worden aangemerkt. Hiertegen kan daarom geen bezwaar en/of beroep worden ingesteld. Verweerder heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van 19 juli 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2016:2760.
5. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er uitsluitend bezwaar en/of beroep kan worden ingesteld tegen besluiten. Bij een jaaropgave gaat het om (het verstrekken van) informatie van feitelijke aard, waar geen bezwaar en/of beroep openstaat. De aan eiser verstrekte jaaropgaves van 2018 en 2019 bevatten bedragen die aan hem zijn uitgekeerd en zijn niet op rechtsgevolg gericht. Het bezwaar van eiser tegen de jaaropgaves van 2018 en 2019 heeft daarom geen betrekking op een besluit. De rechtbank kan in deze zaak alleen een oordeel geven op het bestreden besluit van 6 maart 2020. Eiser heeft echter geen gronden aangevoerd tegen dit besluit.
6. Nu er geen beroep mogelijk is tegen de jaaropgaves van 2018 en 2019 en eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit, is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het uitgesproken op 22 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.