Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-03-30
ECLI:NL:RBMNE:2021:1258
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,247 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5172
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats 1], eiser,
(gemachtigde: mr. E.P. Koevoets),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: R. van den Brink).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij een uitkering ontvangt wegens betalingsonmacht van zijn voormalige werkgever [werkgever]
Bij besluit van 28 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser bij vonnis van de kantonrechter toegewezen nakosten van € 100,- toegekend en voor het overige het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 16 februari 2021. Eiser was daarbij aanwezig en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser is op 1 september 2015 in dienst getreden bij restaurant [restaurant] te [woonplaats 2]. De arbeidsovereenkomst is per 6 januari 2016 door opzegging geëindigd. De kantonrechter heeft [restaurant] bij beschikking van 13 april 2016 onder meer veroordeeld om eiser een schadevergoeding, achterstallig loon met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente over deze bedragen te betalen. Bij brief van 3 juni 2019 is namens eiser verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge Hoofdstuk IV van de Werkloosheidwet (WW). Als reden is aangegeven dat DH Exploitatie B.V. in mei 2019 ontbonden is.
2. Eiser verzoekt verweerder om vergoeding van achterstallig loon en vakantiegeld, niet genoten vakantiedagen en een schadevergoeding. Om zijn aanvraag volledig te maken heeft eiser op 4 juli 2019 een ingevuld formulier ’Aanvraag overname loonbetalingsverplichtingen’ ingediend. Hierbij is aangegeven dat de werkgever zijn activiteiten inmiddels heeft ondergebracht in [werkgever]
3. Verweerder heeft eiser een uitkering toegekend voor het brutoloon en de onkosten over de periode van 8 oktober 2015 tot en met 6 januari 2016, het vakantiegeld over de periode van
1 september 2015 tot en met 6 januari 2016 en de over deze periode opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen. In bezwaar is de post nakosten aan de uitkering toegevoegd.
4. In zijn beroep tegen het bestreden besluit heeft eiser aangevoerd dat aan hem ten onrechte geen uitkering is toegekend voor de schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en de wettelijke verhoging van 50% wegens niet (tijdig) betaalde salaris. Volgens eiser zijn beide bedragen te zien als loon.
5. Verweerder stelt hier tegenover dat de wettelijke verhoging geen loon is, maar een boete voor de werkgever die er schuld aan heeft dat het loon niet tijdig is betaald. Verder voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor overname van het loon over de opzegtermijn.
6. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep op een analoge toepassing van de WW-bepalingen die overname van loon regelen voor beide posten niet kan slagen. Voor de schadevergoeding geldt dat het vaste rechtspraak is dat de vordering op basis van artikel 7:680 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen betalingsverplichting is van een in betalingsonmacht geraakte werkgever die voor overneming door het Uwv in aanmerking komt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:1809). Ten aanzien van de wettelijke verhoging is de rechtbank van oordeel dat dit een sanctiemiddel is om onwillige werkgevers aan te sporen het loon van hun werknemers tijdig te betalen. De verhoging is daarom geen loon in de zin van een beloning voor verricht werk en naar het oordeel van de rechtbank daar ook niet aan gelijk te stellen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is uitgesproken op 30 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.