Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-10-29
ECLI:NL:RBMNE:2020:4682
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,055 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5322
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2020 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
en
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder(gemachtigde: mr. S. Heersink).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 5 oktober 2020 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 13 november 2019 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 22 september 2020 heeft verzoeker de rechtbank bericht dat verweerder aan zijn beroep is tegemoet gekomen en dat hij daarom het beroep intrekt. Daarbij heeft hij een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van zijn verletkosten à € 742,50, waarvan € 55,- voor het bijwonen van de zitting (tijdsduur 1 uur) en de overige € 687,50 vanwege het indienen van (een toelichting op) het bezwaar en beroep. Verweerder heeft verzocht om afwijzing van het verzoek, omdat het niet is onderbouwd en het merendeel van de posten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4. De rechtbank overweegt daarover dat onder verletkosten in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van het Bpb worden verstaan de kosten van tijdverzuim voor bijvoorbeeld het persoonlijk bijwonen van een zitting en de heen- en terugreis. Het gaat daarbij dus niet om kosten van tijdverzuim voor het lezen en opstellen van stukken. Voor de tijd die verzoeker daaraan heeft besteed, wordt daarom geen vergoeding toegekend.
5. Het tarief voor de verletkosten wordt vermeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bpb, en is forfaitair vastgesteld tussen de € 7,- en € 86,- per uur, afhankelijk van de omstandigheden. Verzoeker heeft verzocht de verletkosten te vergoeden tegen het tarief dat hij als zelfstandige hanteert, te weten € 55,- per uur. De rechtbank stelt vast dat verzoeker dit uurtarief niet heeft onderbouwd. Verzoeker is weliswaar niet verplicht zijn kosten te specificeren, maar bij het ontbreken van een specificatie dient de rechter volgens vaste jurisprudentie de vergoeding op het laagste tarief vast te stellen, te weten € 7,- per uur.
6. Op 16 juni 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Deze zitting heeft een uur geduurd. Verzoeker komt daarom in aanmerking voor vergoeding van zijn verletkosten ter hoogte van 1 uur x € 7,-. Van reistijd is geen sprake, omdat de zitting via een Skype-verbinding heeft plaatsgevonden.
7. Verweerder moet ook het griffierecht van € 174,- aan verzoeker betalen.
Dictum
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 7,- aan proceskosten; - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 174,- moet vergoeden.
Verweerder moet deze bedragen betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ5488 en 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511.