Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2020-10-08
ECLI:NL:RBMNE:2020:4306
Bestuursrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/3058 uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoeker/verzoekster 1] en [verzoeker/verzoekster 2] , te [woonplaats] , verzoekers, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Hillenaar). Bij besluit van 29 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 27 juni 2020 het voetgangersgebied in het centrum van Utrecht tijdelijk uitgebreid met (onder andere) het deel van de [straatnaam 1] tussen de [brug 1] en de [brug 2] . Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Verzoekers waren daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2020. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Staatscourant 2019, nr. 35554. Uitspraak van 4 juli 1996 (ECLI:NL:RVS:1996:ZF2254). Uitspraak van 3 april 2000, registratienummer 00/501 GEMWT (niet gepubliceerd). Staatsblad 1990, 460, par. 8. 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. Het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 29 mei 2020 waarbij verweerder heeft besloten het voetgangersgebied in het centrum van Utrecht tijdelijk uit te breiden in verband met het coronavirus. Met deze maatregel heeft verweerder beoogd het mogelijk te maken dat ook op drukke plekken in het centrum de 1,5 meter afstand-regel kan worden gewaarborgd. Bij de uitbreiding van het voetgangersgebied is onder andere het deel van de [straatnaam 1] tussen de [brug 1] en de [brug 2] betrokken. 3. Verzoekers wonen aan dit deel van de [straatnaam 1] en ondervinden onevenredig veel nadeel van het besluit. Zij hebben toegelicht dat er sinds de inwerkintreding van het besluit venstertijden gelden waarbinnen de straat is afgezet met hekken en zij niet naar hun woning mogen rijden met de fiets of de auto, maar alleen mogen lopen. Dit is voor een van de verzoekers erg problematisch, omdat het vanwege zijn ziekte kan voorkomen dat hij met spoed naar het ziekenhuis moet worden vervoerd met de auto en ook omdat hij na zijn regelmatige bezoeken aan het ziekenhuis en zijn toestand op dat moment, voor de deur van zijn woning moet worden afgezet. Daarbij brengt zijn ziekte mee dat hij veel moet kunnen wandelen. Ook dit is problematisch geworden nu tijdelijk het éénrichtingsverkeer is opgeheven in de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] , die haaks staan op het stuk van de [straatnaam 1] waar verzoekers wonen. Hierdoor is volgens verzoekers het fiets- en autoverkeer toegenomen en is de verkeerssituatie onveilig geworden, zodat verzoeker niet meer rustig kan wandelen zonder te hoeven vrezen aangereden te worden, terwijl een aanrijding hem juist vanwege zijn ziekte fataal kan worden. Voorts is de maatregel voor dit gebied minder noodzakelijk. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht het besluit op te schorten tot er een regulier verkeersbesluit is genomen. 4. De voorzieningenrechter overweegt dat voor het in behandeling nemen van een verzoek om een voorlopige voorziening is vereist dat sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit waarmee het verzoek connex is. 5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hier gaat om een tijdelijke door spoed ingegeven maatregel zoals bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikel 34 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW). De maatregel is vereist vanwege een dringende omstandigheid van voorbijgaande aard, zoals bedoeld in sub a, van artikel 34 van het BABW, in dit geval het coronavirus. Op grond van artikel 35 en 37 van het BABW is het volgens verweerder niet vereist hiervoor een verkeersbesluit te nemen als de maatregel niet langer dan vier maanden van kracht is, zoals hier het geval is. De tijdelijke maatregel is daarom niet voor bezwaar en beroep vatbaar, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aldus verweerder. 6. Verzoekers zijn het met verweerder eens dat voor de maatregel geen verkeersbesluit nodig was vanwege de zojuist aangehaalde bepalingen. Zij hebben echter aangevoerd dat de maatregel wel een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Als dit niet het geval zou zijn, dan zou de rechtsbescherming van de burger ernstig in het gedrang komen, aangezien de maatregel wel rechtsgevolgen heeft en er gehandhaafd wordt op naleving van de maatregel. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben verzoekers gewezen op een publicatie in de Staatscourant van een andere tijdelijke verkeersmaatregel op grond van artikel 34 van het BABW genomen door het college van burgemeester en wethouders van Purmerend, dat blijkens de bezwaarclausule wel voor bezwaar vatbaar is en dus een besluit in de zin van de Awb moet zijn. Ook hebben zij gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) ten aanzien van de plaatsing van een bushaltebord in Almere en een uitspraak van de President van de rechtbank Alkmaar ten aanzien van de aanwijzing van een parkeerplaats voor vergunninghouders. In deze beide gevallen werd door de rechtsprekende instantie geoordeeld dat wel sprake was van een besluit in de zin van de Awb, omdat de maatregelen waren gericht op rechtsgevolg. 7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in dit geval heeft kunnen beroepen op artikel 34, aanhef en onder a van de BABW, in de zin dat het coronavirus een dringende omstandigheid van voorbijgaande aard is. De voorzieningenrechter stelt bovendien vast dat de uitbreiding van het voetgangersgebied een tijdelijke maatregel is, die niet langer dan 4 maanden in werking zal zijn, namelijk van 27 juni 2020 tot en met 26 oktober 2020, met een tussentijdse verlenging op 25 augustus 2020. 8. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de tijdelijke maatregel geen verkeersbesluit is en dat het voor het nemen van de maatregel ook niet nodig was om een verkeersbesluit te nemen, op grond van de artikelen 15, tweede lid van de WVW in samenhang met de artikelen 34, onder a, 35 en 37 van het BABW. De vraag die in deze zaak centraal staat is of de tijdelijke maatregel een besluit is in de zin van de Awb. In de nota van toelichting van het BABW bij de artikelen 34 tot en met 42 is het volgende opgenomen: “Op de algemene regel dat voor de plaatsing of toepassing van verkeerstekens en voor het uitvoeren van maatregelen een besluit is vereist is een aantal uitzonderingen dat is gelegen in de omstandigheden die aanleiding zijn tot de plaatsing, toepassing of uitvoering. Deze omstandigheden, waarvan in de onderdelen a en b van artikel 35 een opsomming wordt gegeven, zijn van tijdelijke aard en nopen veelal tot een onmiddellijke realisering. Met name dit laatste staat het nemen van een verkeersbesluit in de weg. Voorts is de bevoegdheid tot tijdelijke plaatsing en tot het tijdelijk uitvoeren van maatregelen, gezien de aard van de omstandigheden, niet beperkt tot het in artikel 20 genoemde gezag, doch ook toegekend aan het openbaar lichaam dat het beheer over een weg heeft of, indien geen openbaar lichaam het beheer heeft, de eigenaar van de weg. (…) Ten einde tot uitdrukking te laten komen, dat het hierbij uitsluitend gaat om bijzondere omstandigheden, wordt in artikel 37 het tijdelijke en incidentele karakter van de in deze paragraaf geregelde maatregelen nog eens benadrukt. Indien de omstandigheden langer dan vier maanden duren dan wel zich regelmatig voordoen, dient een verkeersbesluit overeenkomstig paragraaf 6 te worden genomen. Op dit punt is de regeling ten opzichte van die in het RVV 1966 aangescherpt. De termijn van vier maanden is gekozen omdat de termijn van drie maanden zoals voorgesteld in het voorontwerp voor het BABW de wegbeheerders voor te grote lasten zou plaatsen terwijl de termijn van zes maanden zoals voorgesteld in het ontwerpbesluit zoals voorgelegd aan de Raad van State te lang wordt bevonden voor een goede rechtsbescherming. Een termijn van vier maanden lijkt voldoende aan beide aspecten tegemoet te komen.” Hieruit komt naar voren dat de wetgever bij het creëren van de mogelijkheid om een tijdelijke maatregel te nemen zonder voorafgaand verkeersbesluit, een afweging heeft gemaakt tussen tijdelijke spoed die vereist dat dergelijke maatregelen snel moeten worden genomen en het vereiste van een goede rechtsbescherming. Deze afweging heeft geresulteerd in de keuze dat een tijdelijke maatregel zonder een daaraan ten grondslag liggend verkeersbesluit voor een termijn van maximaal vier maanden mag gelden. De wetgever overweegt dat een kortere termijn wegbeheerders, dan wel eigenaren van de betreffende weg, voor te grote lasten zou plaatsen en dat een langere termijn onvoldoende tegemoetkomt aan het vereiste van een gedegen rechtsbescherming.