Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-08-28
ECLI:NL:RBMNE:2020:3765
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,331 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3182
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. W. Kort),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigde: A.M. Nijland-Nagtegaal).
Inleiding
1.1.
Eiseres heeft bij verweerder een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning en een aanpassing van haar eigen auto op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aangevraagd.
1.2.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder [organisatie 1] gevraagd om de medische noodzaak van de aanvragen van eiseres te onderzoeken. [organisatie 1] heeft een onderzoek verricht en een adviesrapport (hierna: het adviesrapport) opgesteld. Dit adviesrapport is, na overleg met eiseres, op onderdelen aangepast. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om het adviesrapport aan verweerder te verstrekken.
1.3.
In de besluiten van 24 januari 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseres om een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning en een autoaanpassing afgewezen. Als reden heeft verweerder hiervoor gegeven dat eiseres geen specifieke medewerking heeft verleend aan het verkrijgen van een medisch advies. Dan ontbreekt voor verweerder de noodzakelijk informatie om een besluit te nemen.
1.4.
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen deze primaire besluiten. In bezwaar heeft eiseres een gecensureerde versie van het adviesrapport van [organisatie 1] overgelegd.
1.5.
In het besluit van 11 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder meer het bezwaar van eiseres, gericht tegen de afgewezen aanvraag om een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning, gegrond verklaard en dat primaire besluit herroepen. Verweerder meldt in het bestreden besluit dat hij een herzien primair besluit hieromtrent neemt wanneer het opgevraagde onafhankelijke technisch advies van [organisatie 2] na inzage door eiseres aan verweerder is verzonden. Het bezwaar van eiseres, gericht tegen de afgewezen aanvraag om een autoaanpassing, heeft verweerder ongegrond verklaard. Voor de motivering van het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 11 juli 2019. Verweerder heeft tevens een proceskostenvergoeding in bezwaar van € 1.536,- toegekend.
1.6.
Eiseres is het hier niet mee eens en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.7.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een beeld- en geluidverbinding (Skype for Business) op 9 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar begeleidster [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen de heer [B] .
Beoordeling
Ten aanzien van de afgewezen aanvraag om een autoaanpassing
2. Eiseres heeft aangevoerd dat met het gecensureerde adviesrapport van [organisatie 1] en de door haar verstrekte informatie voldoende duidelijk is dat de gevraagde autoaanpassing moet worden toegekend. Uit de gecensureerde versie van het adviesrapport volgt dat het advies is om eiseres de gevraagde autoaanpassing toe te kennen. Verweerder heeft eiseres dan ten onrechte tegengeworpen dat zij gebruik heeft gemaakt van haar inzage- en blokkeringsrecht, door niet het volledige adviesrapport van verweerder kenbaar te maken, waardoor volgens verweerder noodzakelijke gegevens ontbreken. Ook is het onderzoek van verweerder volgens eiseres niet gericht geweest op de vraag of eiseres wel voldoende wordt gecompenseerd in haar vervoersbehoeften.
3. Volgens verweerder is de aanvraag op goede gronden afgewezen, omdat aan de medisch adviseur van [organisatie 1] realistische vragen zijn gesteld en het adviesrapport noodzakelijke gegevens bevat om de aanvraag te kunnen beoordelen. De gecensureerde versie van het adviesrapport is daartoe ontoereikend.
4. De rechtbank geeft eiseres op dit punt geen gelijk. Daartoe overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt.
5. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat, indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid.
Artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015, aanhef en onder a en b bepaalt dat het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
(…)
In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt verplicht is aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 een medisch advies heeft gevraagd aan [organisatie 1] . De rechtbank stelt op basis van gedingstuk 19.2 voorts vast dat verweerder aan de medisch adviseur van [organisatie 1] onder meer specifiek heeft gevraagd of eiseres in staat geacht wordt gebruik te maken van het collectief vervoer. Daarmee ziet het onderzoek van verweerder naar het oordeel van de rechtbank, naast de noodzaak van een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning, eveneens op de noodzaak van compensatie in haar vervoersbehoeften middels een autoaanpassing. De rechtbank acht het onderzoek daarmee toereikend toegespitst op de ondersteuningsvraag van eiseres.
7. De rechtbank stelt voorts vast dat eiseres aan het medisch onderzoek haar medewerking heeft verleend, maar dat zij met inroeping van haar inzage- en blokkeringsrecht heeft geweigerd het volledige medisch adviesrapport aan verweerder te verstrekken. Eiseres heeft in de bezwaarfase een gecensureerde versie van adviesrapport overgelegd (gedingstuk 17.4 – 17.6). De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat eiseres in de gecensureerde versie in ieder geval het antwoord van de medisch adviseur op de vraag van verweerder of eiseres in staat wordt geacht gebruik te maken van het collectief vervoer volledig heeft weggelakt.
8. Naar het oordeel van de rechtbank houdt de verplichting om de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is als bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 ook in dat eiseres eraan meewerkt dat verweerder kennis kan nemen van de resultaten van het medisch onderzoek. Zonder dat laatste zou het eerste immers zinloos zijn voor het onderzoek naar de behoefte van maatschappelijke ondersteuning. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 mei 2020 respectievelijk van 4 maart 2020. Door het antwoord van de medisch adviseur op de vraag omtrent het collectief vervoer, een van de relevante antwoorden voor de beoordeling van de aanvraag van eiseres om een autoaanpassing, volledig weg te lakken, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 om de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is.
9. Dat eiseres zoals zij stelt, een inzage- en blokkeringsrecht heeft, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Op grond van artikel 7:446, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet eiseres in de gelegenheid worden gesteld om van de uitslag en de gevolgtrekking van een onderzoek ter beoordeling van haar gezondheidstoestand als eerste kennis te nemen om te kunnen beslissen of daarvan mededeling wordt gedaan aan anderen. De in 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 opgenomen verplichting om in het kader van de toepassing van de Wmo 2015 de redelijkerwijs nodige medewerking te verlenen ter uitvoering van de wet doet aan het blokkaderecht geen afbreuk. Ook doet het blokkaderecht geen afbreuk aan de uit dit artikel voortvloeiende verplichting. Het is aan eiseres om een afweging te maken of zij al dan niet gebruik maakt van het blokkaderecht met de bijbehorende gevolgen.
10. Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht, terwijl eiseres niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting. Verweerder heeft het recht op een maatwerkvoorziening in de vorm van een autoaanpassing niet kunnen vaststellen en daarom de aanvraag van eiseres mogen afwijzen. Het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrond verklaring van het bezwaar tegen het primaire besluit van 24 januari 2019 (met kenmerk
[.] ), is ongegrond.
Ten aanzien van de afgewezen aanvraag om een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning
11. Eiseres heeft ook aangevoerd dat verweerder, kort gezegd, het besluit over de handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning in strijd met de wet- en regelgeving alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft genomen. Eiseres acht het niet juist dat verweerder voor de toekenning van de rolstoel [organisatie 3] als exclusieve leverancier handhaaft. Ook acht eiseres het onjuist dat verweerder het technisch onderzoek van [organisatie 2] afwacht. Volgens eiseres is voldoende duidelijk dat voor haar alleen de Icon A1 rolstoel met bijbehorende configuraties passend en toereikend is. Zij wenst deze rolstoel via [organisatie 4] ( [organisatie 4] ) toegekend te krijgen. Verweerder heeft haar daar inmiddels ook een concrete en op haar toegesneden toezegging over gedaan. Het is dan in strijd met het vertrouwensbeginsel dat deze rolstoel niet aan haar wordt toegekend.
12. Verweerder heeft in het bestreden besluit medegedeeld voornemens te zijn aan eiseres een rolstoel met elektrische ondersteuning toe te kennen. Blijkens het bestreden besluit neemt verweerder pas een definitief herzien primair besluit hieromtrent, als verweerder het technisch advies van [organisatie 2] heeft ontvangen.In beroep en ter zitting heeft verweerder verklaard dat verweerder eiseres inmiddels de onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat zij de Icon A1 met de door eiseres gewenste configuraties, als vermeld in het door eiseres overgelegd stuk, toegekend krijgt. Dit zou dan in [organisatie 4] via [organisatie 3] geleverd worden. Na de gedane toezegging is echter gebleken dat deze rolstoel niet meer door [organisatie 3] wordt geleverd en de door eiseres gewenste configuraties niet realiseerbaar dan wel niet veilig bleken, zodat het voor verweerder niet mogelijk lijkt de gedane toezegging na te komen.
13.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep, voor zover het betrekking heeft op de autoaanpassing, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover het betrekking heeft op de handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning, gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een handbewogen rolstoel met elektrische ondersteuning met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op
28 augustus 2020.
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de uitspraak rechter
te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
ECLI:NL:CRVB:2020:1093
ECLI:NL:CRVB:2020:567
Zie in dit kader de uitspraak van de CRvB van 12 mei 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1093).
Zie bijlage 3 bij het aanvullend beroepschrift van 25 juni 2020.