Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-01-29
ECLI:NL:RBMNE:2020:222
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,608 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 7849578 UC EXPL 19-6422 RB/40162
Vonnis van 29 januari 2020
inzake
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [woonplaats 1]
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats 2] ,
4. [eiser sub 4],
5. [eiseres sub 5],
beiden wonende te [woonplaats 3] ,
eisende partijen,
gezamenlijk verder te noemen Eisers,
gemachtigde: mr. R.J. Leijssen,
tegen:
de besloten vennootschap
Defam B.V.,
gevestigd te Bunnik,
gedaagde partij,
verder ook te noemen DEFAM,
gemachtigde: mrs. C.W.M. Lieverse en M.J. Bosselaar.
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft van partijen de volgende stukken ontvangen:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;
- productie 11 van Eisers;
- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2;
- productie 3 van DEFAM.
1.2.
Op de comparitie van 3 december 2019 hebben partijen vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht. Omdat partijen wilden nagaan of een minnelijke oplossing zou kunnen worden bereikt, hebben zij met de kantonrechter afgesproken dat zij binnen uiterlijk twee weken na de comparitie aan de kantonrechter zouden mededelen of een minnelijke regeling is bereikt. Partijen hebben de kantonrechter op 17 december 2019 laten weten dat geen regeling is bereikt. Daarom is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Eisers hebben op verschillende momenten via een tussenpersoon een consumentenkrediet afgesloten bij DEFAM. Het gaat om verschillende producten. De kredieten hebben gemeen dat DEFAM de rente kan wijzigen. Deze zaak gaat in de kern over de vraag of de bedingen die het DEFAM toestaan de rente te wijzigen, voldoen aan het transparantievereiste.
2.2.
In de documentatie van de kredieten staat, voor zover van belang, het volgende. In de offerte aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] wordt vermeld:
“DEFAM zal de kredietnemer maandelijks een kredietvergoeding in rekening brengen over de op grond van deze overeenkomst verschuldigde bedragen. Deze kredietvergoeding omvat de totale kosten van het krediet voor de kredietnemer. Deze kredietvergoeding bedraagt thans 0,713% per maand en zal maandelijks ten laste van deze rekening worden geboekt. (…) De kredietnemer is ermee bekend en gaat ermee akkoord dat de debetrentevoet variabel is.”
In de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op dit krediet wordt het volgende bepaald:
“DEFAM zal de kredietnemer maandelijks een kredietvergoeding in rekening brengen op basis van de aan de dan bij DEFAM voor rentekrediet geldende tarieven. De debetrentevoet is variabel en kan gewijzigd worden. De kredietnemer zal periodiek in kennis worden gesteld van wijziging van de debetrentevoet, voordat de wijziging van kracht wordt.”
In de offertes aan [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiseres sub 5] wordt ook een rentepercentage vermeld. Daarbij wordt ook vermeld dat “[w]ijzigingen van dit percentage (…) zo spoedig mogelijk ter kennis van de kredietnemer [zullen] worden gebracht.” In de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op deze kredieten staat:
“DEFAM zal de kredietnemer maandelijks een kredietvergoeding in rekening brengen op basis van de aan de dan bij DEFAM voor rentekrediet geldende tarieven.”
2.3.
De aangehaalde bedingen in de algemene voorwaarden zullen hierna de “wijzigingsbedingen” worden genoemd. Eisers menen dat de wijzigingsbedingen niet voldoen aan het transparantievereiste. Primair vorderen zij dat DEFAM wordt veroordeeld tot herberekening van de rente met inachtneming van het driemaands Euribor-tarief vermeerderd met een opslag. Voor zover uit die herberekening volgt dat de betreffende Eiser nog een bedrag terug moet krijgen, vorderen Eisers terugbetaling van dat bedrag. Aan deze primaire vorderingen leggen Eisers ten grondslag dat de wijzigingsbedingen in een voor hen gunstige zin moeten worden uitgelegd. Subsidiair vorderen Eisers, voor zover zij daar voordeel bij hebben, vernietiging van de wijzigingsbedingen omdat zij onredelijk bezwarend zijn. DEFAM voert verweer.
Beoordeling
Inleiding
3.1.
Over de wijzigingsbedingen is niet afzonderlijk onderhandeld, zodat zij binnen de reikwijdte van Richtlijn 93/13/EEG (hierna: de Richtlijn) vallen. De wijzigingsbedingen vallen in beginsel ook binnen de definitie van algemene voorwaarden in artikel 6:231 onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Wel voert DEFAM aan dat de uitzondering voor kernbedingen van toepassing is. Deze uitzondering gaat niet op als de wijzigingsbedingen niet voldoen aan het transparantievereiste. In dat geval gelden ook voor kernbedingen de toetsingsnormen die van toepassing zijn op algemene voorwaarden. Dat volgt uit artikel 4 lid 2 Richtlijn en artikel 6:231 onder a BW.
Het transparantievereiste
3.2.
Aan bedingen tussen een bedrijf en een consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld wordt de eis gesteld dat zij duidelijk en begrijpelijk zijn. Dit transparantievereiste houdt niet alleen in dat bedingen woordelijk begrijpelijk moeten zijn. De bedingen en de verschafte informatie moeten, gezamenlijk, een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument óók voldoende inzicht bieden in de contractuele mechanismen en de economische gevolgen daarvan. Het belang daarvan is dat de consument vóór sluiting van de overeenkomst kennis kan nemen van alle contractvoorwaarden en de gevolgen van de overeenkomst. Op basis van dat inzicht kan hij of zij beslissen of hij de overeenkomst wil aangaan. In dit geval gaat het erom dat de klant kan weten in welke gevallen de rente wordt gewijzigd en op basis van welke criteria, en in enige mate kan inschatten welke omvang de totale kostprijs van de lening zal hebben.
3.3.
De wijzigingsbedingen bieden een dergelijk inzicht niet, ook niet in samenhang met de overige documentatie. Een redelijk omzichtige en oplettende consument kan uit wat hiervoor in 2.2 wordt weergegeven niet afleiden onder welke omstandigheden, en hoe, de rente zou mogen worden gewijzigd. Dergelijke informatie is ook niet langs andere weg gegeven. Op de zitting bleek immers dat Eisers niet in een gesprek of met informatiemateriaal zijn voorgelicht. DEFAM stelt wel dat zij een website heeft waarop informatie over de rente staat, maar legt niet uit wat daar precies stond toen Eisers hun kredieten afsloten. Ook het gegeven dat DEFAM gebonden is aan een wettelijk renteplafond (nu 14 %) maakt niet dat de consument voldoende inzicht is verschaft, omdat dit plafond een ruime marge laat. Hetzelfde geldt voor de stelling van DEFAM dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid de mogelijkheid om de rente te verhogen, begrenst. Dat is zo, maar dat levert nog niet het hiervoor in 3.2 bedoelde inzicht op.
3.4.
DEFAM heeft verder aangevoerd dat een ongeclausuleerd wijzigingsbeding bij doorlopende kredieten zoals DEFAM die verstrekt, noodzakelijk is. In dit verband stelt DEFAM, samengevat, dat zij vooraf geen inzicht heeft in de omvang van de verschillende kostenposten in de toekomst en het daarom noodzakelijk is dat zij de rente ongeclausuleerd kan wijzigen. Met andere woorden: een ongeclausuleerd wijzigingsbeding ‘hoort’ nu eenmaal bij een doorlopend krediet.
Dit gaat niet op. Dat DEFAM geen volledige zekerheid heeft over de toekomstige kosten, betekent niet dat zij die onzekerheid moet kunnen afwentelen op klanten. Het transparantievereiste brengt nou juist mee dat dat niet zonder meer kan. Dat kan namelijk niet als dat ertoe leidt dat de klant onvoldoende inzicht heeft in, onder meer, de financiële gevolgen van de overeenkomst die hij of zij aangaat.
Daarbij komt dat DEFAM in ieder geval zo veel mogelijk inzicht moet bieden. DEFAM was ter zitting in staat om een aantal relevante factoren te noemen: fundingkosten, kosten van bedrijfsvoering, risico-opslag en liquidity spread. Daaruit volgt al dat DEFAM meer inzicht kan bieden dan zij aan Eisers heeft geboden. Zij had inzicht moeten geven in de componenten en het mechanisme van het wijzigingsbeding. Dat de totale kosten bij een lening met een variabele rente tot op zekere hoogte altijd onzeker zijn, zoals DEFAM betoogt, maakt dat niet anders.
3.5.
DEFAM heeft op de zitting nog naar voren gebracht dat zij zich moet kunnen aanpassen aan de marktomstandigheden, dus de mate van concurrentie in de markt voor consumptief krediet. Voor zover DEFAM bedoelt dat zij de rente voor bestaande klanten ongeclausuleerd moet kunnen verhogen enkel omdat de markt dat toelaat – dus ook zonder kostenstijging – gaat dat niet op. De wens om een dergelijke verhoging door te voeren vormt bij uitstek niet een rechtvaardiging voor een ongeclausuleerd rentewijzigingsbeding.
3.6.
Nu de kantonrechter tot het oordeel komt dat de wijzigingsbedingen niet voldoen aan het transparantievereiste, kan de vraag of deze bedingen kernbedingen zijn in het midden blijven, zo volgt uit 3.1 hiervoor.
De primaire vorderingen tot herberekening en terugbetaling
3.7.
Omdat de wijzigingsbedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn, moet de voor de consument meest gunstige uitleg gelden. Die uitleg moet berusten op feitelijke aanknopingspunten, die Eisers moeten stellen. Dat Eisers mochten begrijpen dat het driemaands Euribor-tarief zou worden gehanteerd, en op grond waarvan, hebben zij niet gesteld, laat staan onderbouwd. Dat zij ervan uitgingen dat er ‘een marktrente’ zou worden gevolgd, zoals zij stellen, is onvoldoende. Eisers stellen immers niet dat die veronderstelling berust op een verklaring of gedraging van DEFAM, laat staan op de woordelijke inhoud van de wijzigingsbedingen. De ‘uitleg’ van Eisers kan dus niet worden gevolgd en de primaire vorderingen worden afgewezen. Dat betekent dat de overige verweren van DEFAM tegen de primaire vorderingen, waaronder het beroep op de klachtplicht en verjaring, niet hoeven te worden behandeld.
De subsidiaire vordering tot vernietiging
3.8.
Dat de wijzigingsbedingen niet duidelijk en begrijpelijk zijn, betekent nog niet dat zij onredelijk bezwarend zijn. Of een beding onredelijk bezwarend is, is afhankelijk van de vraag of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In dat verband geldt dat voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst in aanmerking worden genomen, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft. Bovendien gaat het om het gezamenlijke effect van de bedingen in de overeenkomst. Voor de vraag of er een aanzienlijke verstoring van het evenwicht is, is van belang wat de rechtspositie van de consument zou zijn geweest als er geen wijzigingsbeding zou zijn overeengekomen. Of die verstoring ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, is afhankelijk van de vraag of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.
In verband met rentewijzigingsbedingen heeft de Hoge Raad in een arrest van 22 november 2019 benadrukt dat een gebrek aan transparantie meeweegt bij de oneerlijkheidstoetsing en dat de mogelijkheid voor de kredietnemer om de lening gedurende de looptijd zonder boete af te lossen, niet buiten beschouwing kan blijven. In de bijlage bij de Richtlijn, de ‘blauwe lijst’, is ook met zoveel woorden betekenis toegekend aan de mogelijkheid voor de consument om een overeenkomst bij een hem onwelgevallige wijziging, te beëindigen.
3.9.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra, kantonrechter, bijgestaan door
mr. R. Bloemink als griffier, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2020.
Artikel 5, eerste volzin, Richtlijn en in artikel 6:238 lid 2, eerste volzin, BW.
HvJEU 21 maart 2013, C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (RWE), punt 52 en 53, HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282 (Kásler), punt 73 en 74 en HvJEU 26 februari 2015, C-143/13, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei), HvJEU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703 (Andriciuc).
Vgl. HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282 (Kásler), punt 74.
Zie in het bijzonder HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282 (Kásler), punt 73 en 74.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.4 en 4.2.3.
Artikel 5 Richtlijn en artikel 6:238 lid 2 BW.
Artikel 3 lid 1 Richtlijn. Zie HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.2.1.
Artikel 4 lid 1 Richtlijn. Zie HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.2.1.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.2.3 en 4.3.2.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 3.2.3.
HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 4.1.2.
Punt 1 onder l en punt 2 onder b.
Artikel 6:258 BW. Zie HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, rov. 4.3.1.