Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-03-23
ECLI:NL:RBMNE:2020:1549
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
803 tokens
Dictum
van de officier van justitie in de zaak tegen:
[A] ,
geboren op [1986] te [geboorteplaats] ,wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [A] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M.V.C. Fellinger en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit het volgende:
de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
het rapport met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 6 september 2016 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden agent van politie Eenheid Midden-Nederland;
het vonnis en het strafdossier onder parketnummer 16/652756-16, waaruit blijkt dat [A] op 23 maart 2020 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.
Beoordeling
2.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in de strafzaak met voormeld parketnummer gevorderd dat verdachte integraal wordt vrijgesproken. Zij heeft om die reden ter terechtzitting gevorderd dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot ontneming, gelet op zijn bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte enig voordeel heeft genoten. Meer subsidiair heeft hij bepleit dat de vordering pondspondsgewijs dient te worden gedeeld door vier en heeft hierbij verwezen naar ECLI:NL:HR:2015:878 en ECLI:NL:HR:20118:783.
2.3
Beoordeling
De rechtbank heeft [A] in de onderliggende strafzaak bij vonnis van 23 maart 2020 vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten, derhalve ook van het feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verklaard (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
Dictum
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. A.M. Crouwel, J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2020.
Mr. A.M. Crouwel, mr. J. Wiersma en de griffier zijn buiten staat het vonnis te ondertekenen.