Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2020-04-08
ECLI:NL:RBMNE:2020:1510
Civiel recht
V ONNIS _ RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familie recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: NL19.9956 Vonnis van 8 april 2020 in de zaak van [eiseres] , wonend in [woonplaats] , eiseres van de vordering, verweerster op de tegenvordering, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat S. Jansen, tegen [verweerder] , wonend in [woonplaats] (Brazilië), verweerder op de vordering, eiser van de tegenvordering, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat N.P.J.M. Kreté-Marres. 1Inleiding Eiseres [eiseres] is de zus van verweerder [verweerder] . Zij zijn de kinderen van [A] geboren in 1928, en van [B] , geboren in 1926. Beide ouders hadden in 1991 hun testament gemaakt. De vader is overleden in 2014. De moeder is overleden op [2018] In deze procedure vorderen beiden vaststelling van de verdeling van de nalatenschap. Allebei hebben zij gereageerd op het standpunt van de ander. Logischerwijs had nu een zitting gepland moeten worden. Helaas is dat als gevolg van de corona-maatregelen op dit moment niet mogelijk. Om de zaak niet langer dan nodig is stil te laten liggen zal de rechtbank hem schriftelijk bespreken. Partijen mogen daarop reageren. Daarna zal bekeken worden of de zaak schriftelijk kan worden afgedaan of dat er misschien dan weer een zitting mogelijk is. In dat geval zal dat wel een kortere zitting kunnen zijn. 2.1. [eiseres] en [verweerder] hebben allebei een opstelling gemaakt van de verdeling, zoals die volgens hen zou moeten zijn. Er zijn een aantal verschillen, en dat is waar het in deze procedure over zal moeten gaan. 2.2. Het lijkt goed om hier vooraf op te merken dat er kennelijk een geschil op twee niveaus ligt. Op het zakelijke niveau ligt de kwestie die hier is voorgelegd, namelijk de verdeling van de nalatenschap. Op het persoonlijke niveau is een relevant aspect de mantelzorg voor moeder, die voor een belangrijk deel op [eiseres] neerkwam, en die haar vermoedelijk zwaar viel. Een dergelijke scheve zorgverdeling leidt niet tot een scheve verdeling van de nalatenschap, maar dat leest de rechtbank ook niet in haar standpunt. Wel is denkbaar dat zo’n scheve verdeling van de zorg invloed heeft op wat broers en zussen onderling van elkaar mogen verwachten, bijvoorbeeld op het gebied van verantwoording van uitgaven. Waar dat relevant is, zal dat hierna verder aan de orde komen. 2.3. De posten waar het geschil over gaat zijn de volgende: twee facturen van accountant [accountant] , voor € 320,65 en voor € 1.160.09; een bedrag van € 11.834 dat [eiseres] van haar ouders gekregen heeft; opnamen van [eiseres] van in totaal (ten minste) € 5.730. de facturen van [accountant] 2.4. De eerste factuur van [accountant] dateert van 10 oktober 2018. Het bedrag is € 320,65 en de omschrijving: fiscale werkzaamheden en adviezen 2018. [eiseres] heeft deze factuur betaald, en zij wil vergoeding daarvan uit de nalatenschap. Zij verwijst naar een e-mail van [verweerder] van 24 september 2018 aan de accountant, met als onderwerp: IB aangifte 2018 Mevr. [B] : Vernam via mijn advocaat dat de IB aangifte 2018 m.b.t. wijlen mijn moeder gedaan moet worden. Zou dit graag via jouw kantoor willen doen. Wat is het tarief voor het doen van deze aangifte en welke bescheiden dienen te worden aangeleverd? 2.5. Volgens [verweerder] ging deze factuur over werkzaamheden voor [eiseres] privé. Dan zal [eiseres] in principe haar stelling moeten bewijzen, omdat zij daarop een vordering baseert. De mail van 24 september 2018 vormt echter wel een onderbouwing voor dat standpunt. Als de factuur van 10 oktober 2018 niet voor die werkzaamheden was, welke factuur is daarvoor dan gestuurd, en wie heeft die factuur dan betaald? Als [verweerder] zijn betwisting handhaaft, zal hij op die vragen moeten ingaan. 2.6. De tweede factuur van [accountant] is niet overgelegd. Het bedrag is € 1.160,09, en volgens [verweerder] heeft hij dat betaald. Zijn standpunt is dat het gaat om werkzaamheden waarvoor moeder opdracht gegeven heeft, en dat de vordering dus in de nalatenschap viel. Hij verwijst naar een brief van een brief van [accountant] aan moeder (in verzorgingshuis) van 15 februari 2018, die als volgt begint: Tijdens onze bespreking met uw zoon [verweerder] is gesproken over de afwikkeling van dc nalatenschap van uw echtgenoot en is ons gevraagd te beoordelen op welke wijze uw vermogen op een fiscaal vriendelijke wijze kan worden verminderd met mede als doel om de CAK-bijdrage te beperken. Uit die brief blijkt al dat moeder zelf niet bij die bespreking was. Volgens [eiseres] heeft moeder er ook geen opdracht voor gegeven; zij wist er niets van voordat zij in het verzorgingshuis die brief ontving. Ook met [eiseres] heeft [verweerder] niet overlegd. En de werkzaamheden waren niet nodig: het was al eens uitgezocht. Voor dat laatste verwijst zij naar een brief van de notaris van 26 oktober 2016 met als onderwerp: uitbetalen erfdelen in de nalatenschap van uw vader. Ook daarin wordt (zij het meer zijdelings) verwezen naar de CAK-bijdrage. 2.7. Hier is het [verweerder] die een vergoeding wil voor deze factuur, en die dus de bewijslast heeft van de feiten waarop hij dat baseert. Het is gebeurd toen moeder nog leefde; hij zal dus moeten onderbouwen dat zij hem daar inderdaad opdracht voor gegeven had, of dat hij anderszins gerechtigd was om voor haar rekening kosten te maken. schenking van € 11.834 2.8. Het derde punt is een bedrag van in totaal € 11.834, dat [eiseres] van vader en moeder gekregen heeft. Dat is gespecificeerd in een handgeschreven (maar niet gedateerde) verklaring, die is ondertekend door de ouders, [eiseres] en haar man. In die verklaring staat: Bijlage testament van Dhr. [A] en Mevr. [B] Geb. [1920] en [1926] Mijn schoonzoon (…) En mijn dochter (…) Hebben reeds de ontvangen de volgende bedragen - 1 Jan 2000 F 5.000,- - 1 Jan 2001 F 4.000,- - 1 Jan 2002 € 2.000,- - 1 Jan 2003 € 2.000,- - 1 Jan 2004 € 1.500,- - 1 Jan 2005 € 1.250.- - l Jan 2006 € 1.000.- 2.9. Volgens [verweerder] blijkt hieruit, dat [eiseres] deze bedragen al ontvangen heeft én dat zij bedoeld waren als voorschot op de erfenis (en niet als schenking). Vader heeft deze verklaring aan hem gegeven omdat hij zijn dochter geld gegeven had als voorschot op haar erfenis, omdat zij financiële moeilijkheden had, en omdat hij wilde dat dit bij de nalatenschap verrekend werd. Volgens [eiseres] waren het wel gewoon schenkingen. De ouders gaven haar steeds met nieuwjaar een bedrag, binnen hun mogelijkheden om belastingvrij te mogen schenken. 2.10. [verweerder] en [eiseres] zijn het erover eens dat de genoemde bedragen zijn overgegaan van het vermogen van de ouders in dat van [eiseres] en haar man, zodat [eiseres] werd verrijkt ten koste van het vermogen van de ouders. Vast staat ook dat daar geen tegenprestatie tegenover stond. Uit de eigen stellingen van [verweerder] blijkt dat vader dit gedaan heeft om [eiseres] te helpen, met andere woorden om haar te bevoordelen. Dat vader of [eiseres] daar een andere bedoeling mee gehad heeft, blijkt uit niets. De rechtbank ziet daarom voorlopig geen reden om daar iets anders in te zien dan een schenking. 2.11. Een ´voorschot op de erfenis´ is overigens sowieso een lastig begrip, omdat de erfenis niet bestaat zolang de erflater nog leeft. Er kan hooguit een verwachting zijn, maar er kan in de tussentijd nog van alles gebeuren. 2.12. In de testamenten van beide ouders staat dat schenkingen niet hoeven te worden ingebracht in de nalatenschap: V. VRIJSTELLING VAN INBRENG. Ik bepaal dat mijn erfgenamen zullen zijn vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap als bedoeld bij artikel 1132 van het Burgerlijk Wetboek 2.13. Het is denkbaar dat vader in strijd met zijn testament deze schenkingen aan [eiseres] toch wilde laten verrekenen met haar aandeel in de nalatenschap. De vraag is of dat mogelijk is. Naar nieuw recht regelt artikel 4:97 BW wat iemand buiten een testament om kan regelen: Bij een onderhands, door de erflater geheel met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend stuk kunnen zonder verdere formaliteiten beschikkingen worden gemaakt tot: a. het maken van legaten van: 1° kleren, lijfstoebehoren en bepaalde lijfsieraden; 2° bepaalde tot de inboedel behorende zaken en bepaalde boeken; b. bepaling dat goederen, bedoeld onder a, buiten een huwelijksgemeenschap vallen; c. aanwijzing van een persoon als bedoeld in artikel 25, tweede en vierde lid, van de Auteurswet en artikel 5, tweede lid, van de Wet op de naburige rechten. Nog afgezien van het feit dat de verklaring niet gedateerd is: een bepaling dat bepaalde schenkingen, in strijd met het testament, toch moeten worden ingebracht, staat er niet bij. De rechtbank: 3.1. houdt de behandeling aan; 3.2. geeft [verweerder] de gelegenheid om zich binnen vier weken uit te laten over de hiervoor besproken onderwerpen en over het vervolg van de procedure, door middel van een taak die de rechtbank hem in het digitale systeem zal geven; 3.3. bepaalt dat daarna [eiseres] de gelegenheid zal krijgen om daarop te reageren. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2020.