Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2019-01-21
ECLI:NL:RBMNE:2019:366
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,667 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/1448
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2019 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Maachi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigden: P.J.M. Hendriks en J.D. Klasen).
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting voor een woning in de gemeente [plaatsnaam] afgewezen.
Bij besluit van 5 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Voor de zitting heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat ter zitting de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4697) aan de orde zal worden gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiseres stond in de periode van 24 augustus 2013 tot 19 september 2017 ingeschreven op een adres in de gemeente Almere. Zij ontving bijstand van de gemeente Almere. Op grond van haar medische situatie heeft eiseres een urgentieverklaring gekregen voor een gelijkvloerse woning. Met ingang van 19 september 2017 is eiseres verhuisd naar een woning in de gemeente [plaatsnaam] en staat zij daar ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP).
2. In het bestreden besluit heeft verweerder een onderscheid gemaakt in de kosten voor het gasstel en de kledingkast, als duurzame gebruiksgoederen, en kosten voor de vloer, verf en gordijnen. Wat betreft de kosten voor de duurzame gebruiksgoederen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres hiervoor een aanvraag voor bijzondere bijstand moet indienen bij de gemeente [plaatsnaam] , omdat dat de gemeente is waar zij naar toe verhuist. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar een uitspraak van de CRvB van 16 januari 2001, nr. 99/416 NABW en de gemeentelijke richtlijn verhuiskosten. Wat betreft de kosten voor vloer, verf en gordijnen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verhuisvergoeding van € 2.000,- die op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) is toegekend een passende en toereikende voorliggende voorziening is.
Vloer, verf en gordijnen
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden in het beroepschrift zich slechts richten tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist op de duurzame gebruiksgoederen. Die gronden gaan immers alleen over waarom verweerder volgens haar bevoegd is daarop te beslissen. Eerst ter zitting, nadat de rechtbank daarover een vraag heeft gesteld, heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat in beroep het bestreden besluit ook wordt betwist voor zover daarin wordt gesteld dat de verhuisvergoeding die is toegekend op grond van de Wmo passend en toereikend is. Eiseres heeft aangevoerd dat deze vergoeding, als al moet worden aangenomen dat de vergoeding op grond van de Wmo voorliggend is, in ieder geval niet passend en toereikend is.
4. Verweerder heeft zich hierover ter zitting op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat de toegekende verhuiskostenvergoeding niet toereikend was. In bezwaar is zij daartoe in de gelegenheid gesteld, maar de aangetoonde kosten die samenhingen met de verhuizing kwamen net boven het bedrag van € 1.000,-. Niet is gebleken dat eiseres geen vloer, verf of raambekleding kon aanschaffen.
5. Gelet op deze reactie van verweerder ter zitting en nu verweerder ook geen bezwaar heeft gemaakt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de ter zitting aangevoerde beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beoordeling te laten. Ter zitting en dus in beroep heeft eiseres de enkele stelling dat de vergoeding niet passend en toereikend is niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de toegekende verhuiskostenvergoeding, gelet op het doel en de hoogte van de vergoeding, is aan te merken als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Met die enkele stelling heeft eiseres evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan haar naast de vergoeding op grond van de Wmo bijzondere bijstand verleend had moeten worden voor de kosten van vloer, verf en gordijnen. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Kledingkast en gasstel
6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij zich voor de aanvraag voor bijzondere bijstand voor kosten van woninginrichting tot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaatsnaam] moet richten. Ten tijde van de aanvraag woonde zij in Almere, zodat het college van burgemeester en wethouders van die gemeente bevoegd is.
7. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de
artikelen 1:10, eerste lid, en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van artikel 1:10, eerste lid, van het BW bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van een woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.
In artikel 1:11, eerste lid, van het BW is bepaald dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven.
8. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank overweegt verder dat de situatie ten tijde van de aanvraagdatum bepalend is voor het antwoord op de vraag welk college op grond van artikel 40, eerste lid, van de PW bevoegd is die aanvraag in behandeling te nemen. De datum waarop de kosten zich voordoen waarvoor bijstand wordt aangevraagd, is in zoverre niet van belang.
9. Gelet op het voorgaande moet de vraag beantwoord worden of uit de concrete feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat eiseres op 22 augustus 2017, de datum dat zij de aanvraag voor bijzondere bijstand heeft ingediend, haar woonstede in de gemeente Almere heeft prijsgegeven.
10. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat op grond van het ter zake gevoerde gemeentelijke beleid (http://www.gripopparticipatiewet.nl/beleidswijzers/toon/ code/B102) geldt dat bij verhuizing naar een andere gemeente voor kosten van (her)inrichting de gemeente beslist waarin de betrokkene zich gaat vestigen op de bijstandsaanvraag. Die invulling van artikel 40, eerste lid, van de PW is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met dit artikellid, gezien ook in samenhang met de rechtspraak van de CRvB. Op grond van dit beleid is immers altijd de gemeente bevoegd te beslissen waarin de belanghebbende zich gaat vestigen. Dit terwijl uit artikel 40, eerste lid, van de PW en uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat de gemeente bevoegd is te beslissen waar de belanghebbende ten tijde van de aanvraag woonplaats heeft, als bedoeld in de desbetreffende artikelen van het BW. Dat beleid moet dan ook buiten toepassing blijven.
11. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit de feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat eiseres haar woonstede in Almere met ingang van 18 augustus 2017 heeft prijsgegeven. Eiseres heeft toen een woning geaccepteerd in de gemeente [plaatsnaam] , zij betaalt sindsdien ook huur voor die woning en heeft de huur van de woning in Almere opgezegd. Het feit dat zij zich pas heeft laten inschrijven in de BRP van [plaatsnaam] per 19 september 2017 en zij feitelijk op 18 augustus 2017 nog niet in haar woning in [plaatsnaam] verbleef omdat de woning nog niet was ingericht, maakt dit volgens verweerder niet anders.
12. Uit het dossier blijkt dat eiseres het huurcontract van de woning aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] op 18 augustus 2017 heeft ondertekend. Zij is op 19 september 2017 verhuisd naar [plaatsnaam] en heeft zich met ingang van die datum ingeschreven in de BRP van de gemeente [plaatsnaam] . Haar woning in Almere is opgezegd met ingang van 20 september 2017. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat eiseres op 18 augustus 2017 een huurcontract van een woning in een andere gemeente heeft ondertekend en het huurcontract van haar woning in Almere heeft opgezegd per 20 september 2017 onvoldoende voor de conclusie dat eiseres op 22 augustus 2017 haar woonstede in Almere heeft prijsgegeven.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de afwijzing van bijzondere bijstand
voor de kosten van duurzame gebruiksgoederen is gehandhaafd;
- herroept in zoverre het primaire besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze
uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, rechter, in aanwezigheid van mr. C. ten Klooster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
CRvB 26 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2865, ro 4.4
CRvB 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4854 en
CRvB 6 december 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:4697