Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2019-03-07
ECLI:NL:RBMNE:2019:1275
Bestuursrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 18/3685 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaak tussen [eiser] te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: M. Chouaibi), en de korpschef van Politie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Hofkes). Bij besluit van 5 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Bij besluit van 27 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder is tevens verschenen: [teamchef] , teamchef. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, voorzitter, en mr. C. Karman en mr. M. Eikelenboom-Renden, leden, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2019. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. 1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser was sinds 2002 in dienst bij de politie, laatstelijk in de functie van [functie] . Op 16 maart 2017 heeft de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) de opdracht gekregen een oriënterend onderzoek in te stellen naar eiser in verband met mogelijk plichtsverzuim. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2017. Naar aanleiding van de resultaten van het oriënterend onderzoek is door de afdeling VIK een disciplinair onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 oktober 2017. 2. Nadat verweerder op 21 december 2017 een voornemen daartoe kenbaar heeft gemaakt en eiser zijn zienswijze hierover naar voren heeft gebracht, heeft verweerder eiser bij het primaire besluit de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder, j van het Besluit algemene rechtspositie politie. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit. 3. Verweerder heeft eiser, samengevat, de volgende gedragingen verweten: dat eiser 1 á 2 keer per jaar een joint rookt in verband met migraine en dit niet heeft gemeld bij zijn leidinggevende; dat eiser harddrugs in zijn bezit heeft gehad en dit ook heeft gebruikt in oktober en november 2016. Het geheel van voormelde gedragingen heeft verweerder aangemerkt als ernstig plichtsverzuim. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat dit plichtsverzuim eiser kan worden toegerekend. Gezien dit ernstig plichtsverzuim heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, die verweerder gezien de aard en de omvang van de door hem geconstateerde gedragingen alsmede het tijdsverloop evenredig acht. 4. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven is het noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Op bedoelde feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Verder moet het plichtsverzuim de ambtenaar zijn toe te rekenen en mag de opgelegde straf niet onevenredig zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1663). 5. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiser de in overweging 3. vermelde en aan hem verweten gedragingen heeft begaan en of deze gedragingen als plichtsverzuim zijn aan te merken. Met betrekking tot de onder 3.a) aan eiser verweten gedraging 6.Niet in geschil is dat eiser 1 á 2 keer per jaar een joint rookte in verband met migraine, dat hij dit niet bij zijn leidinggevende heeft gemeld en dat dit plichtsverzuim oplevert. Met betrekking tot de onder 3.b) aan eiser verweten gedraging 7.Eiser voert aan dat de verklaringen van mevrouw [A] ( [A] ) tegenstrijdig zijn en niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Volgens eiser hebben zijn collega’s, de heer [B] ( [B] ) en de heer [C] ( [C] ), naar waarheid verklaard en komen hun verklaringen niet overeen met de verklaringen van [A] . [B] heeft verklaard dat er op het feest [naam ] geen drugs zijn gebruikt. Volgens eiser zijn politieagenten getraind op het analyseren van mensen die wellicht onder invloed zijn. Hoe verweerder tot het oordeel is gekomen dat het aannemelijk is dat eiser harddrugs heeft gebruikt, blijft volgens eiser onbeantwoord. Eiser heeft tijdens het verhoor uitgelegd waarom hij drugs heeft besteld. Eiser snapt dat zijn gedrag onhandig is geweest en dat de uitleg als ongeloofwaardig wordt bestempeld en daar heeft hij spijt van. Volgens eiser blijkt uit de WhatsApp-gesprekken niet dat hij harddrugs heeft gebruikt. 8.De rechtbank stelt vast dat eiser heeft erkend dat er op 23 oktober 2016 MDMA, een harddrug, in de keuken van zijn woning lag. De rechtbank is van oordeel dat uit de WhatsApp-gesprekken tussen eiser en [A] en de verklaringen van [A] voldoende aannemelijk is geworden dat eiser op 23 oktober 2016 de harddrug MDMA heeft gebruikt. Hieraan legt de rechtbank het volgende ten grondslag: De WhatsApp-gesprekken tussen eiser en [A] ( [A] ) op 23 oktober 2016: [A] : Heeft iemand bij jullie m in me drankje gedaan? Of had ik dat zelf genomen? Eiser: Volgens mij zelf schat Eiser: In de keuken (..) Eiser: Klote wishkey [A] : Waauw bizar dit [A] : Nee bedoel drugs Eiser: Ja dat ook [A] : Heb in m gebruikt met jou? Nee toch? Eiser: Lag in de keuken [A] : Ik weet nog dat ik niks wilde Eiser: Er staat me wel iets van bij (..) Eiser: Maar wel vaag met die m Eiser: Wanneer voelde je het dan toen je wegging? [A] : Nee [A] : Later [A] : In de auto [A] : Opeens vet op m’n kaken aan kauwen Eiser: Ok ok [A] : Kan me niet herinneren dat ik het zelf nam namelijk [A] : Maar voelde me gruwelijk lekker hahah Eiser: Ik ga dat niet in je drankje gooien hoor Eiser: Hahahaha Eiser: Ja dat is dan wel weer het leuke ervan Eiser: Ik zat ook te spacen hoor pfff (..) Eiser: Was wel een topavond [A] : Ja klopt [A] : Ja vaker doen zeg Eiser: Pfff voel hem nog steeds Eiser: Ja toch [A] : Ja ik ook [A] : Helemaal Link dit De verklaring van [A] van 21 april 2017: “Ik zag toen het één en ander op tafel liggen, en nu ik meer bekend ben met harddrugs, weet ik dat het MDMA was. Ik zag een zakje op tafel liggen. In het zakje zat een soort van doorzichtige substantie, het leek op een steentje. Ik zag dat [eiser] er een stukje van in zijn mond deed en daarna een slok whisky dronk.” De verklaring van [A] van 12 juni 2017: “In de woning van [eiser] bij de after party heb ik harddrugs, MDMA, in zijn woning zien liggen. Het lag in de keuken, op het aanrecht. Althans daar haalde [eiser] vandaan. [eiser] heeft mij, in de keuken, de harddrugs aangeboden. Dat heb ik toen geweigerd. (..) Er is wel degelijk drugs gebruik op de after party. [eiser] heeft voor mij neus drugs gebruikt. Ik weet niet of zijn collega’s dit hebben gezien. Zij waren in de ruimte, maar of zij echt zaten te kijken wat [eiser] deed, dat weet ik niet. (..) Ja, ik zag dat hij met zijn vinger in het zakje van de MDMA ging en daarna vervolgens zijn vinger in zijn mond deed om deze zeg maar af te likken.” 9. Eiser heeft op 28 juni 2017 verklaard dat hij met ‘m’ in de WhatsApp-gesprekken MDMA bedoelt. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven genoemde WhatsApp-gesprekken tussen eiser en [A] dat eisers bericht dat hij ‘ook zat te spacen’ gelet op de context van het gesprek ziet op het gebruik van MDMA. Uit de verklaringen van [A] volgt dat zij eiser op 23 oktober 2016 in zijn woning MDMA heeft zien gebruiken. Dat [A] verschillend heeft verklaard over de wijze waarop eiser MDMA tot zich nam, betekent niet dat aan de verklaringen van [A] geen waarde mag worden gehecht.