Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2019-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2019:1259
Civiel recht; Insolventierecht
Wraking
988 tokens
Dictum
19 maart 2019
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: verzoeker.
Procesverloop
1.1.
Verzoeker heeft op 8 maart 2019 in de zaak van de rechtbank Midden-Nederland met nummer 6928956 MC EXPL 18-4138 en in een zaak van de rechtbank Amsterdam een schriftelijk verzoek tot wraking ingediend. Eerstgenoemde zaak is aangespannen door
mr. H.H. Kreikamp, curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. tegen verzoeker en [bedrijf 2] B.V. Het verzoek strekt tot wraking van mr. Bilderbeek en alle rechters van de rechtbank / het gerechtshof Amsterdam en Lelystad. Verzoeker vraagt om behandeling van het verzoek door “een externe wrakingskamer van de commissie van de Tweede Kamer en het gerechtshof Den Haag”.
1.2.
De meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer) heeft afgezien van een mondelinge behandeling, gelet op het volgende.
Beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 39 Rv dient de rechtbank Midden-Nederland een verzoek tot wraking tegen een rechter uit deze rechtbank te behandelen. Dat betekent dat de wrakingskamer slechts kennisneemt van het verzoek tot wraking voor zover het gericht is tegen alle rechters van de rechtbank Lelystad en dat zij de behandeling daarvan niet aan de Tweede Kamer of aan een ander gerecht kan overdragen. De wrakingskamer begrijpt het verzoek als een verzoek gericht tegen de rechters van de rechtbank Midden-Nederland, voor zover zij werkzaam zijn in Lelystad.
2.2.
Artikel 36 Rv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Daarbij dienen feiten en omstandigheden te worden gesteld, die de rechter betreffen tegen wie het wrakingsverzoek zich richt. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen individuele rechters die een zaak behandelen. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel, zoals verzoeker heeft gedaan. De wrakingskamer is daarom van oordeel dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn verzoek tot wraking, voor zover het de wraking van alle rechters van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, betreft.
2.3.
Op grond van deze kennelijke niet-ontvankelijkheid kan overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.1. onder d gelezen in samenhang met artikel 4.3 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Midden-Nederland een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven.
Dictum
De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoeker in zijn verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
3.2.
bepaalt dat de behandeling van de zaak met nummer 6928956 MC EXPL 18-4138 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
3.3.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, mr. Kreikamp, de voorzitter van de afdeling civiel-en bestuursrecht en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, en mrs. N.E.M. Kranenbroek en R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door
mr. A. Minkjan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2019.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.