Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2018-01-17
ECLI:NL:RBMNE:2018:297
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 17/2220
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2018 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en
de Algemeen Directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigden: mr. J.M. van der Heijden en I.S.B. Metaal).
Procesverloop
Bij brief van 4 november 2016 heeft verzoeker verweerder verzocht om vergoeding van de schade die hij door het besluit van 14 juli 2014 stelt te hebben geleden. Verweerder heeft het verzoek op 18 november 2016 afgewezen.
Bij brief van 22 mei 2017 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het besluit van 14 juli 2014.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op de gestelde schade veroorzaakt door het besluit van 14 juli 2014. Met dit besluit heeft verweerder verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard en aan hem deelname aan het Alcoholslotprogramma (ASP) opgelegd. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2014 herroepen. Vervolgens heeft verzoeker bij verweerder een verzoek ingediend om de schade te vergoeden die hij stelt te hebben geleden door het besluit van 14 juli 2014. Dit heeft geleid tot de hier bij de rechtbank voorliggende procedure.
De rechtbank overweegt ambtshalve dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd is op een verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. Dat het besluit van 14 juli 2014 onrechtmatig is, staat tussen partijen niet ter discussie. De rechtbank zal hierna beoordelen of verzoeker recht heeft op vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden door dat onrechtmatige besluit.
Verzoeker is van mening dat de schade die hij stelt te hebben geleden door het besluit van 14 juli 2014 aan verweerder moet worden toegerekend. Dat besluit heeft namelijk tot gevolg gehad dat hij door zijn toenmalige werkgever [bedrijfsnaam 1] is ontslagen. Voor het werk dat hij bij [bedrijfsnaam 1] zou gaan verrichten, had hij immers een rijbewijs nodig. Hij kon zijn rijbewijs echter niet behouden, aangezien hij vanwege een gebrek aan financiële middelen niet aan het ASP kon deelnemen. Ook had verzoeker niet de beschikking over een auto waar hij het alcoholslot in kon bouwen. Verzoeker verwijst in dit kader naar de brief van zijn werkgever van 17 juli 2014. Ook verwijst verzoeker naar de e-mail van zijn werkgever van 26 oktober 2017. Ter zitting heeft verzoeker onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622) het standpunt toegelicht dat het opleggen van deelname aan het ASP in zijn geval gezien het voorgaande onevenredig was. Na het ontslag heeft verzoeker, ondanks daartoe verschillende pogingen te hebben ondernomen, geen betaald werk kunnen krijgen. Verzoeker verwijst hierbij naar een aantal reacties op zijn sollicitaties uit de periode na zijn ontslag. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat het niet bij deze sollicitaties is gebleven, maar dat hij niet alle sollicitatiepogingen heeft ingebracht. Dat verzoeker wel werkzaamheden heeft verricht voor [bedrijfsnaam 2] doet aan het voorgaande niet af, aangezien geen sprake was van betaalde arbeid. Verzoeker merkt op dat hij in de periode na zijn ontslag bij [bedrijfsnaam 1] heeft geleefd van een geldlening. Verzoeker heeft in dit verband de verklaring van zijn vader, [verzoeker] , van 6 april 2017 overgelegd. Verzoeker begroot zijn schade op een bedrag van in totaal € 23.328,-, waarvan € 21.600,- aan misgelopen salaris (12 keer € 1.800,- per maand) en € 1.728,- aan misgelopen vakantietoeslag.
Verweerder stelt zich - voor zover van belang - op het standpunt dat de door verzoeker gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Verweerder vindt daarbij van belang dat niet is gebleken dat verzoeker zijn werk bij [bedrijfsnaam 1] alleen kon uitoefenen zonder deelname aan het ASP en hij door de oplegging van deelname aan het ASP zijn baan is verloren. Zo heeft verzoeker niet onderbouwd dat hij niet in staat was om een alcoholslot in te bouwen in een auto die hij voor de uitoefening van zijn werk kon gebruiken. Dat zijn voormalig werkgever hem heeft ontslagen wegens de oplegging van de deelname aan het ASP, volgt niet uit de overgelegde brief van 17 juli 2014. Verzoeker behoort daarom niet tot de gevallen als benoemd in de eerder genoemde uitspraak van de ABRvS van 4 maart 2015 waarbij de oplegging van deelname aan het ASP tot onevenredige gevolgen zou leiden. De keuze om niet aan het ASP deel te nemen, als gevolg waarvan verzoeker niet de beschikking had over een rijbewijs, komt voor zijn eigen rekening en risico. Daarmee ontbreekt dan ook het causaal verband tussen het besluit van 14 juli 2014 en de door verzoeker gestelde schade. In verzoekers geval is het besluit van 14 juli 2014 slechts herroepen vanwege de beslissing van de Minister van Verkeer en Waterstaat om de artikelen 17 en 18 van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) te laten vervallen. Daaruit volgt dat aan verzoeker wel rechtmatig deelname aan het ASP had kunnen worden opgelegd. Verweerder wijst er op dat indien destijds niet deelname aan het ASP was opgelegd, aannemelijk is dat verweerder gelet op de omstandigheden nog steeds een besluit had genomen waarbij verzoekers rijbewijs zou zijn geschorst. Ook om die reden is er volgens verweerder geen sprake van causaal verband. Ook vindt verweerder dat verzoeker niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht. Verder meent verweerder dat geen sprake is geweest van inkomensderving, aangezien niet vaststaat dat verzoeker daadwerkelijk bij [bedrijfsnaam 1] in dienst is getreden. Uit de aangifte inkomstenbelasting van 2014 blijkt verder ook van geen inkomen.
De rechtbank overweegt dat op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:3462) voor vergoeding van de geleden schade slechts in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade als gevolg van die gebeurtenis, kan worden toegerekend (causaal verband). De bewijslast ligt hierbij bij degene die stelt schade te hebben geleden en die schade vergoed wil zien, zie in dit verband bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 13 juni 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA7600). In het hier voorliggende geval ligt de bewijslast dus bij verzoeker, aangezien hij stelt schade te hebben geleden en hij van mening is dat verweerder de schade dient te vergoeden.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van causaal verband tussen de door verzoeker gestelde schade en het onrechtmatige besluit van 14 juli 2014. Deze vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Voor het bepalen of sprake is van causaal verband is bepalend of aannemelijk is dat verweerder destijds een rechtmatig besluit zou hebben genomen dat naar aard en omvang dezelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Dat een dergelijk besluit zou zijn genomen, zal in beginsel kunnen worden aangenomen als verweerder, na vernietiging, opnieuw beslist, en een vergelijkbaar besluit neemt en dat besluit onherroepelijk wordt, maar kan ook worden afgeleid uit andere omstandigheden (zie in dit verband overweging 8.1 van de eerder genoemde uitspraak van de ABRvS van 28 december 2016). In dit geval heeft verweerder niet een vergelijkbaar besluit genomen, maar vindt de rechtbank aannemelijk dat verweerder verzoekers rijbewijs gelet op de omstandigheden rechtmatig had kunnen schorsen en dat ook zou hebben gedaan. Deze omstandigheden zijn daarin gelegen dat de constatering op 1 juni 2014 dat verzoeker met een te hoog alcoholgehalte aan het verkeer deelnam, de derde keer was in een periode van vijf jaren. Ook in dat geval had verzoeker niet de beschikking gehad over een rijbewijs en zou hij dezelfde - gestelde - financiële gevolgen hebben ondervonden. Gelet hierop is de door verzoeker gestelde schade niet veroorzaakt door het onrechtmatige besluit van 14 juli 2014. Ook anderszins is geen sprake van causaal verband tussen de door verzoeker gestelde schade en het onrechtmatige besluit van 14 juli 2014. Verzoeker had namelijk feitelijk in het bezit kunnen zijn geweest van een rijbewijs in de betreffende periode.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzitter, en mr. V.E. van der Does en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. J.P.A. ter Schure, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2018
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.