Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2018-03-28
ECLI:NL:RBMNE:2018:2224
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,762 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 17/3212 en UTR 17/3214
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2018 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1] te [woonplaats] , en
2. [eiser sub 2A] en [eiseres sub 2B] , te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. E.J. Zorgdrager),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] .
Procesverloop
Bij besluiten van 29 september 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de verzoeken van eisers om tegemoetkoming in planschade voor de percelen [adres] en [adres] te [woonplaats] afgewezen.
Bij besluiten van 5 juli 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur [A] .
Overwegingen
1.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers zijn sinds 1970 respectievelijk sinds 1974 eigenaren van de percelen gelegen aan [adres] en [adres] te [woonplaats] . Op 25 mei 2011 heeft de raad van de gemeente Soest het projectbesluit […] (het projectbesluit) vastgesteld. De derde-partij heeft met verweerder een overeenkomst gesloten waarbij zij zich heeft verbonden eventuele door verweerder toe te kennen tegemoetkoming in planschade voor haar rekening te nemen. Het projectbesluit is in werking getreden en maakt in de nabijheid van de woningen van eisers de bouw van 20 woningen mogelijk, waaronder twee-onder-één-kap-woningen en twee vrijstaande woningen, en een horecalocatie. Daarnaast is het mogelijk geworden om (half)vrijstaande bijgebouwen te realiseren.
1.2
Bij besluit van 16 december 2014 heeft verweerder, na advies te hebben ingewonnen bij [naam adviesbureau 1] , in verband met het projectbesluit een tegemoetkoming in planschade toegekend aan omwonenden van het [straatnaam] en de [straatnaam] te [woonplaats] . Hierbij heeft verweerder een gedeelte van 50% van de schade wegens het normale maatschappelijke risico voor rekening van de aanvragers gelaten, met dien verstande dat indien die korting lager is dan het wettelijke forfait van 2% van de waarde van de onroerende zaak, dat wettelijke forfait in mindering is gebracht op de te vergoeden schade. Bij uitspraak van 17 februari 2015 heeft de rechtbank Gelderland de beroepen tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3611, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.3
Op 8 december 2015 hebben eisers een verzoek ingediend tot tegemoetkoming in planschade als gevolg van het projectbesluit. Eisers hebben de waardevermindering van hun woningen geschat op € 15.000,- tot € 20.000,-. Op 23 september 2016 heeft [naam adviesbureau 2] ( [naam adviesbureau 2] ) verweerder geadviseerd over de planschadeverzoeken. [naam adviesbureau 2] heeft geconcludeerd dat sprake is van een enigszins nadeliger situatie. Voor [adres] is de waarde vóór inwerkingtreding van het projectbesluit vastgesteld op € 440.000,- en de schade op de peildatum op € 12.500,-. Dit is een waardevermindering van 2,8%. Voor [adres] heeft [naam adviesbureau 2] de waarde vóór inwerkingtreding van het projectbesluit vastgesteld op € 465.000,- en de schade op de peildatum op € 10.000,-. Dit is een waardevermindering van 2,15%. [naam adviesbureau 2] heeft het percentage van de schade dat onder het normale maatschappelijke risico valt, bepaald op 4% en verweerder geadviseerd de verzoeken van eisers af te wijzen. Vervolgens heeft verweerder de primaire besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Tijdens de bezwaarprocedure heeft [naam adviesbureau 1] verweerder aanvullend geadviseerd over de planschadeverzoeken.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de planschadeverzoeken van eisers gehandhaafd, waarbij alsnog een percentage van 3% van de schade als normaal maatschappelijk risico is gehanteerd, in plaats van het primair gehanteerde percentage van 4%. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het advies van [naam adviesbureau 2] van 23 september 2016 en op het advies van [naam adviesbureau 1] voor wat betreft het normale maatschappelijke risico.
3. De rechtbank stelt vast dat eisers de planvergelijking en de door [naam adviesbureau 2] vastgestelde waarden van hun woningen direct voor en direct na de peildatum niet hebben betwist. Het geschil spitst zich uitsluitend toe op de vraag of verweerder terecht een percentage van 3% als normaal maatschappelijk risico heeft gehanteerd en de schade daarmee volledig voor rekening van eisers heeft gelaten.
4. Eisers beroepen zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de ABRvS van 25 november 2015, op het gelijkheidsbeginsel en betogen dat verweerder in hun geval niet een percentage van 3% als normaal maatschappelijk risico kon hanteren, terwijl verweerder in vergelijkbare gevallen een percentage van 2% als normaal maatschappelijk risico heeft gehanteerd. Dat eisers hun planschadeverzoek op een latere datum hebben ingediend, is volgens hen niet relevant, omdat de schade is veroorzaakt door hetzelfde projectbesluit en ook dezelfde peildatum van toepassing is.
5. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijk ordening (Wro) geeft de grondslag voor het toekennen van een tegemoetkoming in planschade. Het tweede lid van dit artikel geeft een opsomming van schadeveroorzakende besluiten die aanleiding kunnen zijn voor het toekennen van een tegemoetkoming.
Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wro blijft binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade voor rekening van de aanvrager. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel blijft van schade in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak in ieder geval een gedeelte gelijk aan twee procent van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade voor rekening van de aanvrager.
Voor het antwoord op de vraag of planschade is geleden, heeft de datum waarop het gestelde schadeveroorzakend besluit in werking is getreden te gelden als peildatum. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 1 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV2434.
6. De rechtbank is, met eisers, van oordeel dat sprake is van gelijke gevallen. Daarbij betrekt de rechtbank dat aan de planschadeverzoeken van eisers hetzelfde schadeveroorzakende besluit in de zin van artikel 6.1, tweede lid, van de Wro ten grondslag ligt dat ook aan de eerdere planschadeverzoeken ten grondslag lag, namelijk het projectbesluit, en dat hun woningen dezelfde ligging hebben ten opzichte van de ontwikkeling. Dit brengt met zich mee dat voor zowel de planschadeverzoeken uit 2014 als voor de latere planschadeverzoeken van eisers dezelfde datum als peildatum heeft te gelden. Uit de hiervoor weergegeven wettelijke systematiek volgt naar het oordeel van de rechtbank bovendien, dat deze peildatum ook moet worden gebruikt bij het bepalen van de omvang van het normale maatschappelijke risico in de zin van artikel 6.2 van de Wro. Dat betekent dat voor de beoordeling van het normale maatschappelijke risico sprake is van gelijke gevallen. Dat eisers hun verzoeken een aantal jaren later hebben ingediend en dat in tussentijd een ontwikkeling in de jurisprudentie heeft plaatsgevonden, zoals verweerder heeft aangevoerd, betekent niet dat geen sprake is van gelijke gevallen. Daarbij overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat uit de adviezen van [naam adviesbureau 2] en [naam adviesbureau 1] in deze procedure volgt dat ook thans, met inachtneming van de ontwikkeling in de jurisprudentie, geen eenduidig beeld bestaat over de hoogte van het normale maatschappelijke risico in deze zaken. Volgens [naam adviesbureau 2] moet dat immers 4% zijn, terwijl [naam adviesbureau 1] vindt dat een percentage van 3% moet worden aangehouden. Daaruit volgt dat ook als rekening wordt gehouden met de lijn in de jurisprudentie verschillende uitkomsten denkbaar zijn volgens de deskundigen. Bovendien gaat de ontwikkeling in de rechtspraak over de vraag of bestuursorganen in redelijkheid de in die zaken gehanteerde percentages als normaal maatschappelijk risico voor rekening van de aanvragers hebben kunnen laten. Deze rechtspraak heeft geen betrekking op het beginsel dat gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld, wat in deze zaken aan de orde is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dus van oordeel dat eisers zich met succes kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel, zodat de beroepsgrond slaagt.
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel. Uit het voorgaande volgt dat er voor verweerder geen afweging meer nodig is voor het bepalen van de hoogte van het normale maatschappelijke risico in deze zaken.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt de bestreden besluiten;
- herroept de primaire besluiten en bepaalt dat aan eisers een tegemoetkoming in planschade wordt toegekend van € 3.700,- voor [adres] en € 700,- voor [adres] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2015 tot en met de dag van betaling;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van (in totaal) € 336,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1002,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. N.M. Spelt en mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen, leden, in aanwezigheid van mr. R.N. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.