Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2017-07-17
ECLI:NL:RBMNE:2017:7055
Civiel recht
Kort geding
2,892 tokens
Inleiding
VONNIS
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/440233 / KG ZA 17-412
Vonnis in kort geding van 17 juli 2017
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. K.J.T. Boersma te Tiel, tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, procederend in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 juni 2017, met producties;
de conclusie van antwoord en tevens eis in reconventie, met producties;
de akte met producties van [eiser] ;
de pleitnota van [eiser] ;
de mondelinge behandeling op 28 juni 2017, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Uit hoofde van een op 22 maart 2017 gesloten koopovereenkomst heeft [eiser] een woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning) verkocht. Op grond van de koopovereenkomst diende [eiser] de woning op 4 juli 2017 te leveren.
2.2.
Op 4 mei 2017 heeft [gedaagde] verlof gekregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank tot het leggen van conservatoir beslag op de woning ten laste van de heer [eiser] . Op diezelfde dag is op de woning bij exploot conservatoir beslag gelegd ter verzekering van een bedrag van € 150.000,00.
2.3.
Op 5 mei 2017 is het beslag ingeschreven in de openbare registers. Het exploot is op 9 mei 2017 betekend aan [eiser] .
Geschil
3.1.
[eiser] vordert- na wijziging van eis- bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: Primair:
• het conservatoir beslag gelegd op de woning aan de [adres] te [woonplaats] op te heffen, dan wel subsidiair [gedaagde] te veroordelen dit beslag op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom van €10.000,00 ineens en van E 2500,00 per dag of een gedeelte daarvan, dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, gedurende de periode dat [gedaagde] binnen één uur dan wel binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijkt hieraan te voldoen;
Subsidiair:
• Het conservatoir beslag gelegd op de woning aan de [adres] te [woonplaats] op te heffen onder de voorwaarde dat eiser vervangende zekerheid heef gesteld voor een bedrag van € 75.000,00 dan wel meer subsidiair € 150.000,00 door middel van ofwel een bankgarantie ofwel het in depot houden van voornoemd bedrag bij [notaris] te [vestigingsplaats] totdat onherroepelijk is beslist op de door [gedaagde] bij de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem ingestelde vordering;
Primair en subsidiair:
• [gedaagde] te verbieden opnieuw conservatoir beslag te leggen op de woning aan de [adres] te [woonplaats] , zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag dan wel een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bepalen bedrag;
• [gedaagde] te veroordelen en de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten.
3.2.
Ter onderbouwing van deze vordering stelt [eiser] - voor zover van belang- dat [gedaagde] het conservatoir beslag heeft gelegd ten laste van [eiser] , niet zijnde degene die eigenaar is van de woning. Daarnaast staat in het kadaster als beslaglegger ingeschreven de heer [gedaagde] , terwijl verlof is verleend aan mevrouw [gedaagde] . Voorts stelt [eiser] dat de eis in hoofdzaak niet (tijdig) is ingesteld omdat de heer [eiser] is gedagvaard en niet [eiser] zelf. Ook is het conservatoir beslag niet tijdig betekend en daardoor nietig, aldus [eiser] . Daarnaast is het door [gedaagde] ingeroepen recht ondeugdelijk.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Geschil
4.1.
[gedaagde] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
• veroordeling van [eiser] tot betaling van € 105.000,00;
• veroordeling van [eiser] tot storting van € 45.000,00 in depot bij [notaris] te [vestigingsplaats] ;
• veroordeling van [eiser] tot betaling van de wettelijke rente over € 150.000,00 vanaf
• veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.2.
Aan deze vordering legt [gedaagde] ten grondslag hetgeen zij in de bodemprocedure heeft aangevoerd. [gedaagde] stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en dat zij daardoor schade heeft geleden nu achteraf is gebleken dat [eiser] als beheerder geen toestemming had mogen geven voor de verbouwing van haar toenmalige huurwoning.
4.3.
[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] in haar vordering, dan wel dat haar vordering moet worden afgewezen met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Volgens artikel 705 lid 2 wetboek van burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv.) kan de opheffing van een conservatoir beslag onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende vervangende zekerheid is gesteld. Volgens artikel 505 lid 1 Rv. dat ook van toepassing is op conservatoir beslag op onroerende zaken door het verbindingsartikel 712 Rv., dient het proces-verbaal van inbeslagneming in de openbare registers worden ingeschreven. Volgens hetzelfde lid dient op straffe van nietigheid, het afschrift van dat proces-verbaal niet later dan drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde worden betekend. De termijn begint te lopen na de inschrijving in de openbare registers.
5.2.
De voorzieningenrechter zal het beroep op nietigheid van het beslag wegens verzuim van vormen als meest verstrekkend standpunt als eerste behandelen. In het onderhavige geval is het conservatoir beslag op de woning op 4 mei 2017 gelegd en vervolgens op 5 mei 2017 ingeschreven in de openbare registers. Dit betekent dat het afschrift van het proces-verbaal uiterlijk op maandag 8 mei 2017 had moeten worden betekend aan [eiser] . [gedaagde] heeft het proces verbaal echter pas op dinsdag 9 mei 2017 doen betekenen, waardoor sprake is van verzuim van vormen die nietigheid tot gevolg
heeft. Dat, zoals [gedaagde] tracht te betogen, 5 mei 2017 een algemeen erkende feestdag is, hetgeen betekent dat de termijn met een dag wordt verlengd, waardoor de betekening wel tijdig zou zijn geschied, is onjuist.
Immers volgens artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet wordt enkel een in een wet gestelde termijn die op een algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dit betekent dat het beslag nietig is en zal worden opgeheven.
5.3.
De vordering van [eiser] om [gedaagde] te verbieden om opnieuw conservatoir beslag te leggen op de woning aan de [adres] te [woonplaats] zal worden afgewezen. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is vereist dat de rechter de voorlopige inschatting moet kunnen maken dat de vordering in de bodemzaak zal stranden. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om tot deze inschatting te kunnen komen.
5.4.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding
€ 97,31
- griffierecht
€ 287,00
- salaris advocaat
€ 816,00
Totaal
€ 1.200,31
Beoordeling
6.1.
Volgens artikel 7.1 van het Procesreglement kort gedingen kan een eis in reconventie alleen kan worden gedaan door een partij die bij advocaat is verschenen. Aangezien [gedaagde] in persoon is verschenen, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
6.2.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 x tarief € 816,00).
7In conventie en in reconventie voorts
7.1.
De nakosten zullen op de in het dictum te bepalen wijze worden toegewezen.
Dictum
8.1.
heft op het op de woning aan de [adres] te [woonplaats] ten laste van [eiser] gelegde conservatoir beslag,
8.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.200,31, waarvan € 816,00 aan salaris advocaat,
in reconventie
8.3.
verklaart [gedaagde] niet-ontvankelijk in haar vordering,
8.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 408,00 aan salaris advocaat,
in conventie en in reconventie voorts
8.5.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 2 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van 14 dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
8.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
8.7.
wijst af hetgeen anders of meer is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2017.
type: KG coli: dvm