Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-12-14
ECLI:NL:RBMNE:2017:6726
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 17/1688, UTR 17/1689, UTR 17/1190 en UTR 17/1192 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2017 in de zaak tussen [eiser ] (eiser) en [eiseres] (eiseres), in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), geboren op [2001] en [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ), geboren op [2004] ,te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. E. Osinga), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder (gemachtigde: mr. W.I. Koelewijn). Procesverloop Zaaknummer UTR 17/1688 ( [minderjarige 1] ) Bij besluit van 16 september 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode van 2 juni 2015 tot 17 augustus 2015 een extra individuele voorziening toegekend voor kort verblijf, begeleiding groep en individuele begeleiding in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ter hoogte van € 8.813,60. Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij besluit van 14 oktober 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode van 2 september 2015 tot 28 februari 2016 meerdere individuele voorzieningen toegekend, waaronder behandeling in het [instelling] in de vorm van zorg in natura met vervoer en per week 9 dagdelen groep, 10 uur begeleiding individueel en 2 uur behandeling individueel. Daarnaast is een pgb ter hoogte van € 11.880,96 toegekend voor begeleiding groep in het weekend (19 keer), begeleiding individueel logeren bij sociaal netwerk in het weekend (7 keer), begeleiding groep in de vakantie (1 week) en individuele begeleiding in de ochtend en middag door een professional (25 weken). Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder de op dat moment aan [minderjarige 1] verstrekte indicaties met drie maanden tot 1 november 2015 verlengd. Bij besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten I tot en met III ongegrond verklaard. Zaaknummer UTR 17/1689 ( [minderjarige 2] ) Bij besluit van 21 oktober 2015 (het primaire besluit IV) heeft verweerder aan [minderjarige 2] over de periode van 2 september 2015 tot en met 28 februari 2016 individuele voorzieningen toegekend voor begeleiding individueel (7 uur per week), kortdurend verblijf (1 etmaal per week) en begeleiding groep (2 dagdelen per week met vervoer) in de vorm van een pgb. Tevens heeft verweerder de aanvraag voor individuele begeleiding door eiseres/moeder van 15 uren per week in de vorm van een pgb afgewezen. Bij afzonderlijk besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit V) heeft verweerder de op dat moment aan [minderjarige 2] verstrekte indicaties met drie maanden tot 1 november 2015 verlengd. Bij afzonderlijk besluit van 9 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten IV en V ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld. Zaaknummers UTR 17/1190 ( [minderjarige 1] ) en UTR 17/1192 ( [minderjarige 2] ) Bij besluit van 8 december 2016 (het bestreden besluit III) heeft verweerder aan [minderjarige 1] over de periode 1 november 2016 tot 30 april 2017 individuele voorzieningen toegekend voor Maatschappelijke deelname bij het [instelling] (8 dagdelen per week), vervoer naar [instelling] (4 dagen per week), Behandeling bij het [instelling] (2 uur per week) en Ondersteuning zelfredzaamheid bij het [instelling] (10 uur per week) in de vorm van zorg in natura. Daarnaast is aan [minderjarige 1] Tijdelijk verblijf (2 etmalen per week), Maatschappelijke participatie (3 dagdelen per week) en Ondersteuning zelfredzaamheid (13 uur per wee Daarbij heeft verweerder de primaire besluiten VI en VII van 8 december 2016, verzonden op 21 december 2016 en die op het definitieve rapport van [adviesbureau] zijn gebaseerd in de plaats gesteld van de herroepen besluiten I tot en met V. Voor de grondslagen van de primaire besluiten VI en VII heeft verweerder verwezen naar het rapport van [adviesbureau] van 8 juli 2016. 3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder de gevraagde pgb voor individuele begeleiding door eiseres/moeder ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat sprake is van overbelasting. Daarbij stellen eisers dat het begrip ‘overbelasting’ niet in de Jeugdwet (Jw) voorkomt. Het beleid dat verweerder hanteert is daarom in strijd met de wet. In dit verband hebben eisers tevens aangevoerd dat verweerder het definitieve rapport van [adviesbureau] niet aan zijn besluiten ten grondslag had mogen leggen, omdat het onvoldoende is onderbouwd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen medische deskundige heeft geraadpleegd om te beoordelen of sprake is van overbelasting en dat zij onvoldoende op de concept-rapporten hebben kunnen reageren. 4. Op 1 januari 2015 is de Jw in werking getreden. De wet vervangt het onder de oude wetgeving bestaande wettelijke recht op zorg door een jeugdhulpplicht voor gemeenten. De gemeente treft daar waar een jeugdige of zijn ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of maatschappelijke participatie, een voorziening op het gebied van jeugdhulp. De gemeente is alleen gehouden een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist zij of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft. De gemeente is gehouden om te zorgen voor een deskundige advisering over en beoordeling van de vraag of er een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is en welke voorziening dit dan is. Dat neemt echter niet weg dat zij een zelfstandige afweging kan maken over welke voorziening precies moet worden getroffen. De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben op basis van een beoordeling van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager (vgl. Kamerstukken II 2012/13, 33684, nr. 3, blz. 8). Deze verantwoordelijkheid voor de gemeenten is neergelegd in artikel 2.3 van de Jw. 5. Artikel 8.1.1, eerste lid, van de Jw biedt de mogelijkheid aan het college om, indien de jeugdige of zijn ouders dit wensen, een pgb te verstrekken dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat een pgb wordt verstrekt indien:a. de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake van dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp, in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; enc. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.Volgens het derde lid van dit artikel kan bij verordening worden bepaald onder welke voorw Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. 14. De rechtbank stelt voorop dat verweerder aan alle bestreden besluiten het definitieve rapport van [adviesbureau] ten grondslag heeft gelegd. Volgens vaste rechtspraak van CRvB dient het bestuursorgaan dat met besluitvorming is belast, in de eerste plaats ervoor zorg te dragen dat een zorgvuldig onderzoek wordt ingesteld naar de feiten en omstandigheden die voor het te nemen besluit de grondslag vormen. Indien voor het vaststellen van die feiten mede gebruik wordt gemaakt van deskundigheid waarover het bestuursorgaan zelf niet beschikt, kan het zich laten adviseren door daartoe in te schakelen deskundigen. Het ligt op de weg van het bestuursorgaan dat van een dergelijk advies gebruik maakt, zich ervan te vergewissen dat het advies voldoet aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf moeten worden gesteld. Om die reden kan van een advies waarop het bestuursorgaan mag afgaan slechts sprake zijn, indien daaruit ten minste blijkt op basis van welke gegevens het tot stand is gebracht en welke procedure bij het tot stand brengen van het advies is gevolgd. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de CRvB van 22 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4729). 15. Uit het definitieve rapport van [adviesbureau] blijkt dat de conceptrapporten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op 7 juli 2016 zijn besproken met de juridisch medewerker en betrokken functionarissen van het team Jeugdhulp van de Gemeente Houten . Eisers waren ook voor dit gesprek uitgenodigd, maar zijn niet verschenen. Eisers hadden de conceptrapporten op 5 juli 2016 ontvangen en verweerder zocht om de geplande bespreking op 7 juli 2016 uit te stellen. Vervolgens heeft [adviesbureau] – zonder reactie van eisers – op 8 juli 2016 het definitieve rapport uitgebracht. De bezwaarschriftencommissie (BAC) heeft hierover op 4 januari 2017 geoordeeld dat eisers – gelet op de omvang van de conceptrapporten en bijlagen en de omstandigheid dat zij deze pas twee dagen voor het gesprek van 7 juli 2016 hadden ontvangen – ten onrechte onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld om een reactie op de conceptrapporten te geven en dat hun reactie ook ten onrechte niet in het rapport van [adviesbureau] is verwerkt. De BAC heeft verweerder geadviseerd de reactie van eisers als nog in de beslissing op bezwaar mee te nemen. 16. De rechtbank deelt het oordeel en de overwegingen van de BAC dat verweerder eisers in de gelegenheid had moeten stellen om op de conceptrapporten te reageren. Eisers hebben tijdig kenbaar gemaakt dat ze gebruik wilden maken van de mogelijkheid om op de conceptrapporten te reageren en aangegeven dat ze daar meer tijd voor nodig hadden. Verweerder heeft het gesprek zonder aanwezigheid van eisers laten doorgaan en [adviesbureau] verzocht het onderzoekstraject te sluiten. Daarbij heeft [adviesbureau] naar aanleiding Te minder, nu eisers in beroep een verklaring van [eigenaar] , eigenaar van [kliniek] , van 12 januari 2017 hebben overgelegd, wat een reactie betreft op een verslag van [adviesbureau] van 11 mei 2016 en waarin staat dat eisers voortdurend overbelast zijn. Daarin geeft [eigenaar] aan dat de term “Voortdurend overbelast” te sterk is geformuleerd, omdat eisers het in sommige perioden zwaarder hebben dan in andere perioden, het redelijk goed gaat in het gezin en dat er een balans is tussen de zorgbehoefte en de zorg die zij ontvangen. Dat het soms zwaar is voor eisers, wordt bovendien mede veroorzaakt door het niet krijgen van de juiste zorg/hulpverlening, aldus [eigenaar] . Niet gebleken is dat [adviesbureau] deze verklaring bij zijn advies/rapporten heeft betrokken en waarom [adviesbureau] nog steeds vindt dat eisers overbelast zijn. In dit verband hecht de rechtbank er nog waarde aan om op te merken dat uit artikel 6, derde lid, onder b, van het Besluit – dat thans geen geldige werking heeft, omdat deze onbevoegd door het college is opgesteld – zou volgen dat eisers zelf moeten aangeven dat zij overbelast zijn om het pgb. Een strikte lezing van dat artikel zou inhouden dat wanneer eisers dat niet doen of zij betwisten dat van overbelasting sprake is, er geen grondslag bestaat om het pgb om die reden te weigeren. 19. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het definitieve rapport van [adviesbureau] onzorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud onvoldoende inzichtelijk en concludent is. Door desondanks het definitieve rapport aan alle bestreden besluiten ten grondslag te leggen heeft verweerder in strijd gehandeld met artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb, zodat de bestreden besluiten ook om deze reden voor vernietiging in aanmerking komen. 20. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten I, II, III en IV. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat hiertoe onvoldoende informatie voorhanden is en gelet op de ter zitting gedane mededeling van partijen dat recente ontwikkelingen hebben plaatsgevonden die bij een nieuw te nemen besluit dienen te worden betrokken. Verweerder zal ook opnieuw onderzoek moeten verrichten naar welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdigen om, gezond en veilig op te groeien en naar in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Een bestuurlijke lus is, gelet op de mogelijke duur van het onderzoek door verweerder, niet aangewezen. 21. Het voorgaande betekent dat verweerder nieuwe besluiten zal moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt verweerder hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 22. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. 23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de mate van samenhang die de zaken vertonen, sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de beroepsgronden nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend door de huidige gemachtigde en op het punt van de bestreden besluiten en de daartegen aangevoerde gronden nagenoeg identiek zijn en dat alle vier de zaken gelijktijdig door de rechtbank zijn behandeld. Artikel 3 van het Bpb voorziet erin dat, bij samenhangende zaken, de hoogte van de vergoeding beperkt blijft tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dan ook vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het ve