Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-12-28
ECLI:NL:RBMNE:2017:6581
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/4979 beslissing van de voorzieningenrechter van 28 december 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [verzoekster] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar dochter [naam minderjarige] , te [woonplaats] , verzoekster [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. S.V. Ramdihal), en het bestuur van de Stichting Openbaar Onderwijs [vestigingsplaats] , verweerder (gemachtigden: mr. J.M.P. Blom en [gemachtigde] ). Procesverloop Bij besluit van 15 november 2017 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de dochter van verzoekers met ingang van 15 november 2017 tot 7 december 2017 de toegang tot de school ontzegd en het voornemen uitgesproken de dochter met ingang van 7 december 2017 te schorsen en definitief van school te verwijderen. Bij besluit van 7 december 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de dochter van verzoekers geschorst met ingang van die datum tot de datum van ingang van de definitieve verwijdering van de dochter van verzoekers als leerling van de school. Verzoekers hebben tegen beide primaire besluiten bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2017. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. E.C. Ramdihal, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens was aanwezig [A] , directeur van [naam onderwijsinstelling] . Overwegingen Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Verweerder heeft een uittreksel uit het Gezagsregister overgelegd met betrekking tot [voornaam van minderjarige] . Hieruit blijkt dat verzoeker formeel niet de vader is van [voornaam van minderjarige] en dat hij niet belast is met het ouderlijk gezag over haar. Dit betekent dat hij haar in rechte niet kan vertegenwoordigen. Om die reden is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De voorzieningenrechter behandelt hierna het verzoek voor zover ingediend door verzoekster. De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit 1 gelding had tot 7 december 2017. Die datum is inmiddels verstreken. Het bezwaar tegen dit besluit heeft wegens het ontbreken van procesbelang dan ook geen kans van slagen. Hierin is dan ook geen reden gelegen om het verzoek toe te wijzen. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. De dochter van verzoekster zit in groep 7 van [naam onderwijsinstelling] . Op vrijdag 29 september 2017 is er een ruzie ontstaan in de klas tussen de dochter van verzoekster en een ander kind, [B] . Als gevolg hiervan is een ernstig conflict ontstaan tussen verzoekers en de moeder van [B] , waarbij over en weer beledigingen en bedreigingen zijn geuit. Ook in de richting van de school en de leerkrachten zijn zowel door verzoekers als de moeder van [B] bedreigingen geuit. Dit vond plaats in of bij de school. De school heeft meerdere malen de politie ingeschakeld om fysiek geweld te voorkomen. Bij brief van 7 november 2017 heeft de school, na alle betrokkenen gesproken te hebben, een aantal maatregelen meegedeeld aan verzoekers en de moeder van [B] . Op 10 november 2017 heeft zich opnieuw een ernstig incident voorgedaan tussen verzoekers en de moeder van [B] . Diezelfde dag heeft verweerder de dochter van verzoekster per direct geschorst tot 15 november 2017. Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hiervoor weergegeven onder procesverloop. Ook [B] is met ingang van 10 november 2017 geschorst in afwachting van een definitief besluit tot verwijdering. Zij is inmiddels ingeschreven op een andere school en volgt daar onderwijs. Artikel 40c van de Wet op het primair onderwijs (de Wpo) bepaalt dat het bevoegd gezag met opgave van redenen een leerling voor een periode v