Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-12-27
ECLI:NL:RBMNE:2017:6550
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 5639962 UC EXPL 17-738 WV/1337 Vonnis van 27 december 2017 inzake de naamloze vennootschap [eiser] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eisende partij, gemachtigde: mr. M.R. Ruygvoorn, tegen: 1. de vennootschap naar Italiaans recht [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië, gedaagde partij, niet verschenen, 2. [curator] , in persoon en in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de Italiaanse eenmanszaak van [A] , verblijvende te [vestigingsplaats] , Italië, gedaagde partij, gemachtigde: mr. C. Pettinelli (advocaat te Rome, Italië). Partijen zullen in het navolgende aangeduid worden als [eiser] , [gedaagde] en [curator] . 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord (memoria difensiva), inhoudende een incidentele vordering tot onbevoegdverklaring, tevens akte overlegging producties - de conclusie van repliek, tevens incidentele conclusie van antwoord in het incident, tevens akte wijziging van eis - de conclusie van dupliek (comparsa conclusionale) - de akte uitlating producties van [eiser] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Medio 2012 heeft de eenmanszaak van de heer [A] , gevestigd te [vestigingsplaats] , Italië, [eiser] ingeschakeld om hem bij te staan in een geschil met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Rederij de Rotterdam B.V. (gevestigd te Rotterdam) en hem te vertegenwoordigen in een procedure voor de rechtbank Rotterdam tegen deze vennootschap. 2.2. Op 19 juni 2014 heeft de rechtbank van Velletri (Italië) de eenmanszaak van de heer [A] (hierna: de failliet) failliet verklaard, en [curator] benoemd tot curator in het faillissement (nr. 75/2014). [curator] is werkzaam bij het Italiaanse advocatenkantoor [gedaagde] . 2.3. Bij e-mail van 23 oktober 2014 heeft [eiser] , in de persoon van bij haar werkzame advocaat mr. M.R. Ruygvoorn, [curator] verzocht om een opdracht van de zijde van de curator om namens deze de procedure van de failliet bij de rechtbank Rotterdam voort te zetten. 2.4. Bij e-mail van 27 oktober 2014 heeft [curator] hierop gereageerd door aan [eiser] te vragen om de in die procedure geplande zitting te laten uitstellen in verband met het ontvangen van benodigde toestemming van de “giudice delegato” van de rechtbank Velletri die belast was met de afwikkeling van het faillissement (hierna: de rechter-commissaris). 2.5. Op 28 oktober 2014 heeft [eiser] aan [curator] een e-mail gezonden met, voor zover relevant, de volgende inhoud:` “(…) In my opinion, we should inform the Court that we cannot agree to the suggestion by Mr. Van Oijen [advocaat wederpartij; toevoeging kantonrechter] to render a judgement. However, I trust that you will understand that I can no longer act for [A] unless we have made a financial arrangement. To the effect please find attached a copy of the general conditions of my firm including the hourly rates of my colleague Mrs. [B] (with currently on maternity leave) and myself. I kindly request you to inform me whether you are willing to absorb our fees. (…)” Bij deze e-mail was een bestand met algemene voorwaarden gevoegd, die - voor zover relevant – luiden als volgt: “(…) 2. All client assignments are deemed to have been given to [eiser] as an organisation, even in the event that it is the explicit or implicit intent that the assignment be performed by a specific person. (…) 7. (…) The hourly rate of: mr [C] , attorney at law is: € 300,00 ms [B] , attorney at law is: € 280,00 (…) 10. The relationship between [eiser] and its clients shall be governed by Dutch law. The District Court of Utrecht shell have exclusive jurisdiction over any dispute arising between [eiser] and a client. (…)” 2.6. Op deze e-mail heeft [curator] op 3 november 2014 als volgt gereageerd: “It is not possible to satisfy your financial request without Italian bankruptcy Court’s prior approval. So It is necessary t [eiser] vordert samengevat (na eiswijziging; zie hiervoor het onder 4.8 en 4.9 bepaalde) dat de kantonrechter: - gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 10.115,85, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente, - [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag te betalen van € 2.844,00, vermeerderd met wettelijke (handels-)rente, - gedaagden hoofdelijk veroordeelt om een [eiser] te betalen bedrag van € 876,16 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente,, - gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente, - [curator] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 640,00 aan vertaalkosten, vermeerderd met wettelijke (handels) rente, - een certificaat afgeeft als bedoeld in artikel 53 van de Brussel Ibis-Vo. 3.2. [gedaagde] is niet verschenen. [curator] heeft verweer gevoerd. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling in het incident Rechtsmacht 4.1. In het incident vordert [curator] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart. Volgens haar heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht, nu de vorderingen zien op de betaling van honorarium dat is opgebouwd door de juridische dienstverlening binnen een faillissement, zodat op grond van artikel 3 jo 16 van de Insolventieverordening (Verordening EG) nr. 1346/2000) alleen de rechter van de lidstaat die het faillissement geopend heeft, zijnde de rechtbank van Velletri, Italië, bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. 4.2. [eiser] betwist de toepasselijkheid van de Insolventieverordening, en betoogt dat de Nederlandse rechter op grond van artikelen 7 en 25 van de Brussel Ibis-verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012) bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. 4.3. Over de vraag welke verordening van toepassing is bij een met een insolventieprocedure samenhangende zaak heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (vgl. HvJ EU 4 september 2014, EU:C:2014:2145). 4.4. De onderhavige vordering is gebaseerd op een gestelde verbintenis uit onrechtmatige daad alsmede op een verbintenis uit hoofde van een overeenkomst van opdracht van [curator] aan [eiser] , strekkende tot het verlenen van juridische bijstand bij het voortzetten van een, vóór het faillissement gestarte, procedure bij de rechtbank Rotterdam van de failliet tegen een Nederlandse vennootschap. Dergelijke verbintenissen vloeien voort uit het gewone handelsrecht, en niet uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures. Dit betekent dat de Insolventieverordening op de onderhavige zaak niet van toepassing is, en dat het geschil in beginsel valt onder de Brussel Ibis-verordening. De omstandigheid dat, zoals [curator] stelt, naar Italiaans recht de curator bij het uitvoeren van haar taken een openbaar ambtenaar is, maakt nog niet dat geen sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van deze verordening. Van het toepassingsgebied van de verordening is ook alleen uitgesloten de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (artikel1 lid 1 sub d), en daarvan is bij een curator geen sprake. 4.5. Voor zover de vordering is gebaseerd op het bestaan van een overeenkomst van opdracht, geldt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om daarvan kennis te nemen op de voet van artikel 7 lid 1 sub b van de Brussel Ibis-verordening, nu de diensten door [eiser] werden verstrekt in Nederland. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad geldt naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat bij ‘plaats van het schadebrengende feit’ als bedoeld in artikel 7 sub 2 van de Brussel Ibis-verordening zowel gedoeld wordt op de p Tussen partijen is in geschil of de opdracht tot het verlenen van juridische bijstand van de failliet in de Nederlandse procedure is verleend door [curator] zelf (standpunt [eiser] ), dan wel (standpunt [curator] ) door [curator] als vertegenwoordiger van de boedel van de failliet of door de rechter-commissaris in het faillissement. 4.12. Naar het oordeel van de kantonrechter kan deze kwestie evenwel in het midden blijven. Immers, ook indien aangenomen zou moeten worden dat het standpunt van [curator] op dit punt juist is, en [curator] dus op zijn minst heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht, heeft [curator] als curator in strijd gehandeld met de zorgvuldigheid die haar in het maatschappelijk verkeer betaamt, en daarmee onrechtmatig. Deze onrechtmatigheid bestaat eruit dat zij heeft nagelaten [eiser] ervoor te waarschuwen dat de vergoeding die zij voor haar werkzaamheden uiteindelijk zou ontvangen, achteraf zou kunnen worden gematigd door de rechter-commissaris in faillissement, en dat zij, nadat de werkzaamheden door [eiser] waren uitgevoerd en gefactureerd, zelf dit verzoek tot matiging zou gaan indienen bij de rechter-commissaris. 4.13. [eiser] wist weliswaar dat zij zou worden betaald uit gelden die binnen zouden komen in het faillissement, maar zij hoefde er - gelet op de mededelingen die [curator] aan haar heeft gedaan - geen rekening mee te houden dat achteraf tot matiging van de vergoeding zou worden overgegaan. In dit kader wijst de kantonrechter in het bijzonder op het feit dat [curator] : in reactie op de e-mail van [eiser] van 28 oktober 2014 (productie 2 van [eiser] ), waarin deze vraagt of [curator] bereid is om haar fees te accepteren die zijn vermeld in de bijgevoegde algemene voorwaarden, reageert door mede te delen dat de fees van [eiser] superpreferent zouden zijn (productie B van [curator] ); in haar e-mail van 5 december 2014 (productie 5 van [eiser] ) aangeeft dat het niet mogelijk is over te gaan tot maandelijkse uitbetaling, maar dat de betalingen volgen op het moment dat de eerste gelden in de zaak binnenkomen, en dat zij garandeerde dat [eiser] niet zou hoeven wachten tot het einde van de gehele procedure om haar geld te krijgen. Verzocht werd om in de tussentijd de facturen naar haar op te sturen zodat “wij een goed beeld hebben van de kosten”. Het bij die mail gevoegde document, dat de garantie zou vormen van de rechter-commissaris dat [eiser] betaald zou worden, is kennelijk de beslissing van de rechter-commissaris van 11 november 2014, strekkende tot het verlenen van toestemming aan de curator om de procedure in Nederland voort te zetten en zich hierbij bij te laten staan door [eiser] . In het bijbehorende verzoek wordt gerept over een uurtarief van € 300,00 en € 280,00 per uur voor 2 advocaten van [eiser] , maar in de beslissing van de rechter-commissaris wordt op geen enkele wijze gerept over de onaanvaardbaarheid van dat tarief. nadat de werkzaamheden van [eiser] in de Nederlandse procedure waren voltooid, heeft [curator] zelf aan de rechter-commissaris een verzoek gedaan tot matiging van de aan [eiser] uit te keren vergoeding tot een bedrag van € 8.226,00, en wel vanwege de beperkte aard van de door [eiser] verrichte werkzaamheden, de in Italië geldende tarieven en het feit dat een deel van de facturen zag op de periode dat er nog geen sprake was van een door de rechter vastgesteld faillissement (productie 9 van [curator] ). 4.14. [curator] moest er vanuit gaan dat [eiser] niet bekend was met de wijze waarop in een Italiaans faillissement werd omgegaan met het vergoeden van kosten van rechtsbijstand van een in het buitenland ingeschakelde advocaat, en zij had er in het kader van de discussie over de vergoeding voor moeten waarschuwen dat het mogelijk was dat de vergoeding achteraf werd gematigd. Aan het eind van de rit heeft zij zelf een verzoek tot matiging van de aan [eiser] toekomende vergoeding bij de rechter-commissaris ingediend. De kantonrechter begrijpt