Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-10-18
ECLI:NL:RBMNE:2017:6219
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Almere zaaknummer: 5761283 ME VERZ 17-41 BmR/842 Beschikking van 18 oktober 2017 inzake 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] [vestigingsplaats] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] en 2. [verzoeker sub 2 in het verzoek/verweerder sub 2 in het voorwaardelijk tegenverzoek] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partijen in het verzoek, verwerende partijen in het voorwaardelijk tegenverzoek, verder ook te noemen [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s., gemachtigden: mr. F.J.P. Delissen en mr. drs. R.L. Fabritius, tegen: 1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS FIETS B.V. , gevestigd te Utrecht en 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS STATIONS B.V. , gevestigd te Utrecht en 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS STATIONS RETAILBEDRIJF B.V. , gevestigd te Utrecht, verwerende partijen in het verzoek, verzoekende partijen in het voorwaardelijk tegenverzoek, verder ook te noemen NS Fiets c.s., gemachtigde: mr. J.M. Heikens. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift tot ontruimingsbescherming ex artikel 7:230a BW - het verweerschrift ex artikel 7:230a BW tegen verzoek tot verlenging ontruimingstermijn met voorwaardelijk zelfstandig tegenverzoek - de door de griffie gemaakte aantekeningen op de mondelinge behandeling van 11 juli 2017 - aantekeningen ten behoeve van de zitting van 11 juli 2017 van de zijde van [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. - pleitnotities van de zijde van NS Fiets c.s. 1.2. Ten slotte is beschikking bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 3 december 1990 heeft Servex B.V. met [verzoeker sub 2 in het verzoek/verweerder sub 2 in het voorwaardelijk tegenverzoek] een ‘exploitatie-overeenkomst stationsfietsenstalling’ [vestigingsplaats] gesloten. Servex B.V. is een vennootschap die enige tijd geleden is opgegaan in NS Stations Retailbedrijf. NS Fiets is een volle dochteronderneming van NS Stations. Binnen het concern van NS Groep N.V. heeft NS Fiets als opdracht het verbeteren, stimuleren en uitbreiden van de verbindingen tussen reizigersvervoer per trein en andere vormen van (openbaar) vervoer. Een onderdeel van die taakstelling betreft het beheer van stationsfietsenstallingen. 2.2. De exploitatieovereenkomst bevat de volgende relevante bepalingen: “Artikel 1. Servex verleent aan exploitant, gelijk exploitant van Servex aanneemt, het recht tot exploitatie van de stationsfietsen— stalling te [vestigingsplaats] , mede omvattend het gebruik, ten behoeve van deze exploitatie, van de navolgende ruimten: a. stalling t.b.v. fietsen, bromfietsen en motoren; b. bewaardersverblijf, werkplaats, showroom, toilet, bagagedepot, kantoor, magazijn; alsmede andere ruimten, indien en zodra zij daartoe door Servex aan exploitant ter beschikking zijn gesteld. Artikel 2. 1. Exploitant verbindt zich voor het recht tot exploitatie van de in de overeenkomst genoemde stationsfietsenstalling na het einde van het lopende kalenderjaar te voldoen een bedrag gelijk aan het saldo van de netto-ontvangsten, vermeerderd met de door hem verschuldigde concessie ad f 7.442,-— per kalenderjaar verminderd met de personeelskosten en de door Servex verschuldigde bijdrage in de diverse exploitatiekosten ad f 6.500,-- per kalenderjaar onder verrekening van de in art. 3 bedoelde voorschotten. 2. Servex verbindt zich, indien het in artikel 2 lid 1 berekende saldo negatief is, aan liet einde van het lopende kalenderjaar te voldoen een bedrag gelijk aan dit negatieve saldo onder verrekening van de in art. 3 bedoelde voorschotten.(..)” Artikel 3. 1. Exploitant dan wel Servex, is verplicht maandelijks als voorschot bij vooruitbetaling te voldoen 1/12 gedeelte van het in artikel 2 lid 1, dan door het reizend publiek verloren of achtergelaten goederen, terstond af te geven aan NS, met opgave van plaats en tijd, waarop zij zijn gevonden; j. aan de door Servex aan te wijzen personen desgewenst inlichtingen betreffende de exploitatie te verschaffen; k. te zorgen voor een goede/deugdelijke kwaliteit van uitgevoerde reparaties e.d.; 1. te zorgen dat de in artikel 12 bedoelde huurfietsen in onberispelijke staat worden verhuurd; m. het bagagedepot altijd op slot te houden; en niet gerechtigd: n. zonder toestemming van Servex de exploiatie geheel of gedeeltelijk over te laten of het gebruik der ruimten ten behoeve van deze exploitatie geheel of gedeeltelijk af te staan aan derden; o. zonder toestemming van Servex andere bedrijven uit te oefenen of andere werkzaamheden te verrichten,dan de exploitatie van de stationsfietsenstalling; p. zich zonder toestemming van Servex te belasten met de bewaring van bagage; q. aan het personeel van NS krediet te verlenen of gelden ter leen te verstrekken; r. enig tot de stationsfietsenstalling behorende goed als onderpand of tot zekerheid jegens derden te verbinden; s. te gedogen dat niet in de stalling werkzame personen zich ophouden in het bewaardersverblijf. (..)” Artikel 12. 1. Exploitant is gerechtigd voor eigen rekening fietsen te verkopen, te repareren en te verhuren. 2. Exploitant verbindt zich uitsluitend fietsen van de door Servex goedgekeurde merken en typen te verhuren. Door Servex zijn in overleg met de Vereniging van Stationsrijwielstallingsexploitanten (VSRE) goedgekeurd: “Sparta-Railstar” fietsen. 3. Exploitant is verplicht de in lid 2 bedoelde fietsen conform de in bijlage 1 behorend bij deze Algemene Voorwaarden en in overleg met de VSRE bepaalde richtlijnen en voorschriften aan te schaffen en te verhuren. 4. Exploitant is verplicht een lijst met reparatie/montage en huurtarieven zichtbaar voor het publiek op te hangen. (..)” 2.4. Partijen zijn op 1 december 2009 een modelovereenkomst NS OV-fiets aangegaan, waarbij in de considerans van de overeenkomst is opgenomen dat met deze overeenkomst een gemengde overeenkomst is beoogd van opdracht c.q. van lastgeving als bedoeld in artikel 7:400 en artikel 7:414 BW in combinatie met een overeenkomst van bruikleen als bedoeld in artikel 7:1777 BW. 2.5. Partijen hebben jaarlijks (aangepaste) beheerovereenkomsten gesloten. 2.6. In samenspraak tussen NS Fiets c.s. en de Vereniging van StationsRijwielstallingsExploitanten (VSRE) is in 2007 een modelovereenkomst ‘van opdracht tot het verrichten van werkzaamheden van een rijwielstalling alsmede van huur van een rijwielshop’ opgesteld. Bij brief van 25 april 2012 met betrekking tot afspraken omtrent de renovatie is door NS Fiets c.s. medegedeeld dat na de verbouwing de door de VSRE goedgekeurde modelovereenkomst zal worden aangeboden en dat de huurprijs zal worden vastgesteld op basis van de in en uitstappers. De overeenkomst is uiteindelijk niet (definitief) tot stand gekomen. In de modelovereenkomst is het regime van artikel 7:290 BW van toepassing verklaard. 2.7. Bij brief van 21 juni 2016, betekend op 29 juni 2016, heeft NS Fiets c.s. de overeenkomst(en) tussen partijen opgezegd tegen 31 december 2016 en de ontruiming aangezegd tegen 1 januari 2017: “(..) NS fiets is bezig met een operatie, die gericht is op de landelijke invoering van een nieuw model met betrekking tot het beheer en de exploitatie van stationsfietsenstallingen. Wij willen binnenkort ook tot invoering van het nieuwe model overgaan in de stalling te [vestigingsplaats] . Daarvoor is vereist dat het beheer en de exploitatie, zoals die plaatsvinden in de huidige vorm, worden beëindigd.(..)” Teneinde over de Juridische kwalificatie van de situatie geen misverstanden te laten ontstaan hecht ik eraan u te laten weten dat NS Fiets B.V. zich primair op het standpunt stelt dat voornoemde exploitatieovereenkomst als een overeenkomst van opdracht moet worden gezien, althans als een gemengde overeenkomst waarin het element van op BW geldt dat dan sprake is van een gemengde overeenkomst met elementen van 290-huur en 230a-huur, waarbij steeds het element van huur in de zin van artikel 7:290 e.v. BW overheerst. Van een overeenkomst met kenmerken van opdracht is geen sprake. Voorts heeft [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. zich op het standpunt gesteld dat zij in 2010 heeft ingestemd met de modelovereenkomst. Deze overeenkomst dient conform de inhoud van de overeenkomst zelf te worden opgezegd met inachtneming van de bepalingen ex artikel 7:290 e.v. BW. Indien de overeenkomst zich kwalificeert als een huurovereenkomst van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW dan wel het element van huur van bedrijfsruimte in de zin van deze bepaling zou overheersen, dient [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. op grond van een belangenafweging een veel langere periode te krijgen om zich voor te kunnen bereiden op een ontruiming. 3.3. NS Fiets c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd. NS Fiets c.s. baseert haar verweer - kort weergegeven - op het volgende. NS Fiets c.s. stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een huurovereenkomst. De exploitatieovereenkomst is een overeenkomst van opdracht c.q. lastgeving. Voor wat betreft de beëindiging van de overeenkomst zijn uitsluitend de bepalingen met betrekking tot de overeenkomst van opdracht c.q. lastgeving van toepassing (art. 7:408 jo 424 BW). Subsidiair stelt NS Fiets c.s. zich op het standpunt dat mogelijk sprake is van een gemengde overeenkomst, waarbij de overeenkomst wordt beheerst door de wettelijke bepalingen met betrekking tot de beëindiging van een overeenkomst van opdracht c.q. lastgeving. Meer subsidiair luidt het standpunt dat sprake is van een gemengde huurovereenkomst, die in overheersende mate ziet op 7:230a BW, zodat voor wat betreft de beëindiging van de overeenkomst art. 7:228 BW bepalend is. In geen van deze gevallen zijn de wettelijke bepalingen met betrekking tot de beëindiging van bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 e.v. BW op de overeenkomst van toepassing. 3.4. NS Fiets c.s. verzoekt voorwaardelijk bij beschikking, voor zover NS Fiets c.s. geheel of gedeeltelijk in haar primaire of haar subsidiaire standpunt wordt gevolgd en [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard, voor recht te verklaren dat de exploitatieovereenkomst door het verstrijken van de lopende termijn, althans door de opzegging per 31 december 2016 is geëindigd. Wordt NS Fiets c.s. gevolgd in haar meer subsidiaire standpunt dan verzoekt zij de kantonrechter het verlengingsverzoek af te wijzen en het tijdstip van ontruiming vast te stellen. 3.5. [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het voorwaardelijke verzoek van NS Fiets c.s.. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Kwalificatie 4.1. De vraag die voorligt is hoe de exploitatieovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Is sprake van een huurovereenkomst in de zin van art. 7:290 BW en/of in de zin van art. 7:230a BW, of van een overeenkomst van opdracht en/of lastgeving, of van een gemengde overeenkomst van twee van de genoemde (benoemde) overeenkomsten, die al dan niet in overheersende mate ziet op het gebruik van de ruimte in de zin van één van de benoemde overeenkomsten. Voor zover sprake is van een gemengde overeenkomst ligt de vraag voor of deze kunnen worden gesplitst dan wel, als dat niet het geval is, welke bepalingen van welk wettelijk regime dienen te prevaleren, indien zij niet met elkaar verenigbaar zijn ten aanzien van de (mogelijkheid van) opzegging van de overeenkomst. 4.2. De vraag of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een huurovereenkomst of anderszins, kan niet in het algemeen of in In het Huisstijl- en Formulemanual [naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] , opgesteld door NS Fiets c.s., wordt onder exploitatie vermeld een huurvergoeding in de gemengde (beheer- én huur) overeenkomst of de huurovereenkomst. Het belang voor NS Fiets c.s. bij de formule lag enerzijds bij de totale levensvatbaarheid van de stallingen en anderzijds bij een verbetering van de uitstraling van de stalling en de winkel. Het streven was gericht op een win-win situatie: voor de exploitanten een beter renderende rijwielshop, voor NS Fiets c.s. het bereiken van zoveel mogelijk levensvatbare bewaakte stallingen. In 2007 is tussen NS Fiets c.s. en VSRE een modelovereenkomst opgesteld. In de modelovereenkomst is VSRE weliswaar akkoord gegaan met een splitsing tussen beheer (van een rijwielstalling) en huur (van een rijwielshop), maar dan wel onder de voorwaarde dat beheer en verhuur onlosmakelijk aan elkaar worden gekoppeld en onder de voorwaarde dat op de volledige rechtsverhouding (beheer en verhuur) de 290-bedrijfsruimteregeling van toepassing is met de daarin opgenomen termijnbescherming en - in zijn algemeenheid - de waarborg dat (tussentijdse) beëindiging op verzoek van NS Fiets c.s. tegen de zin van een exploitant alleen maar kan geschieden door tussenkomst van de rechter als neergelegd in de betreffende bepalingen van titel 7.4 BW. Bij brief van 25 april 2012 wordt door NS Fiets c.s. naar aanleiding van een renovatie aan [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. bovendien de goedgekeurde modelovereenkomst in het vooruitzicht gesteld. Aan de bepaling van artikel 7:201 lid BW is ten aanzien van de stallingsruimte en de winkel voldaan. De stallingsruimte dient subsidiair op grond van artikel 7:290 lid 3 BW te worden aangemerkt als onroerende aanhorigheid waardoor ook deze ruimte tot bedrijfsruimte moet worden gerekend. 4.5. Voor het geval de exploitatieovereenkomst als een gemengde overeenkomst dient te worden gekwalificeerd spelen de bovengenoemde feiten bij de beoordeling eveneens een rol. De verschillende overeenkomsten kunnen worden gesplitst primair in een overeenkomst in de zin van artikel 7:290 e.v. BW( winkel etc) en in de zin van artikel 7:230a BW (stalling) dan wel opdracht (stalling). Voor zover de overeenkomsten niet kunnen worden gesplitst, hebben de dwingendrechtelijke regels van artikel 7:290 BW voorrang, aldus [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s.. (Nader) standpunt NS Fiets c.s. 4.6. NS heeft nooit bedoeld de exploitatie van de stationsfietsenstallingen zelf uit handen te geven aan de beheerders. De verantwoordelijkheid van de exploitatie als zodanig ligt geheel in handen van NS Fiets c.s.. Alhoewel de beheerders zonder meer als zelfstandige ondernemers kunnen worden gezien, lopen zij bij de uitoefening van hun werkzaamheden geen enkel financieel risico. Zij ontvangen standaard maandelijks een substantiële, kostendekkende vergoeding van NS Fiets c.s. voor hun eigen aanwezigheid in de stallingen en voor die van hun personeelsleden gedurende de aan het begin van het jaar vastgestelde openingstijden. NS Fiets c.s. betaalt de beheerders voor het klein onderhoud en schoonmaak een extra vergoeding ter dekking van ‘exploitatiekosten’. In 2015 ontving [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. een totale urenvergoeding van € 129.160,37. Zowel de urenvergoedingen als de exploitatiekostenvergoedingen worden maandelijks verrekend met de stallingsgelden die de beheerders voor NS Fiets c.s. in ontvangst nemen en moeten afdragen. Naast de afdracht van de stallingsgelden aan NS betalen de beheerders haar een concessie vergoeding voor het recht om vanuit de stalling bepaalde commerciële activiteiten te verrichten (verkoop, verhuur en reparatie). De overeenkomst bevat alle elementen van een overeenkomst van opdracht zoals nee Uitsluitend huur of opdracht of gemengde overeenkomst (kwalificatie) 4.9. [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat de exploitatieovereenkomst uitsluitend ziet op een huurovereenkomst betreffende bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 e.v. BW. Evenmin kan NS Fiets c.s. worden gevolgd in haar standpunt dat de exploitatieovereenkomst uitsluitend ziet op een overeenkomst van opdracht c.q. lastgeving in de zin van artikel 7:400 jo 7:414 BW. De kantonrechter is van oordeel dat de exploitatieovereenkomst een gemengde overeenkomst is, omdat zij enerzijds voor wat betreft de door partijen zo genoemde ‘commerciële ruimte’ voldoet aan de omschrijving van huur in de zin van artikel 7:290 BW en voor wat betreft de exploitatie van de stalling voldoet aan de omschrijving van opdracht en lastgeving. Uitgangspunt voor de beoordeling is de inhoud van de exploitatieovereenkomst uit 1991. Weliswaar is onweersproken door [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. gesteld dat de overeenkomst dateert van 1 januari 1982, hetgeen ook kan worden afgeleid uit het door [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. overgelegde uittreksel uit de Kamer van koophandel, maar enig schriftelijk stuk terzake ontbreekt. De kantonrechter neemt het volgende in aanmerking. 4.10. De beide hiervoor genoemde ruimten (stalling en winkel/reparatieruimte) waren, naar de kantonrechter uit de gedingstukken afleidt, destijds eigendom van de N.V. Nederlandse Spoorwegen. Servex, thans NS Fiets, exploiteerde voor deze vennootschap deze fietsenstalling en heeft blijkens de considerans bij de exploitatieovereenkomst die taak aan [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. toevertrouwd. Aan [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. is bij de overeenkomst voor het stallingdeel het gebruik verstrekt, maar zeer beperkt en sterk ingekaderd in de voorschriften van Servex, zoals ook opgenomen in haar algemene voorwaarden. Het ging alleen om het gebruik van de door Servex ingerichte ruimte voor het uitvoeren van de stallingactiviteiten, waarbij [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. blijkens de considerans de aanwijzingen van Servex nauwgezet diende op te volgen en dit alles binnen de door Servex vastgestelde openingstijden. Dit was kennelijk ook de situatie die [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. overnam van de vorige exploitant. De kaartjes kocht de klant die zijn fiets wilde stallen van Servex via de bemiddeling van [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s.. Servex bepaalde de tarieven en ontving – via [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. – de opbrengst. Het gebruik van de stallingsruimte betrof dus uitsluitend het gebruik ten behoeve van de taak van Servex. Voor dit gebruiksrecht was er geen (duidelijke) tegenprestatie van [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s.. Sterker nog: [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. is voor zijn stallingactiviteiten door Servex betaald, met een jaarlijkse kostendekkende vergoeding van de personeels- en beheerkosten van [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s., welke vergoeding niet afhing van de gerealiseerde omzetten. De door [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. geleverde arbeid kan in geen geval als de bedoelde tegenprestatie worden gezien, omdat zij daarvoor volledig werd betaald. Dat onder artikel 2 van de overeenkomst weliswaar e ontwikkelde [(naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek)-formule] , waarin is opgenomen dat de doelstellingen van destijds nog steeds gelden te weten: schone veilige stallingen inclusief service door [(naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek)-winkels] . Door NS Fiets is de missie van [naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] als volgt omschreven: “ NS Fiets en de V.S.R.E. streven ernaar de [(naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek)-winkel] als een kwalitatief goed reparatie-, verhuur- en verkooppunt van fietsen/accessoires neer te zetten. De [(naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek)-winkel] moet bijdragen aan de professionele uitstraling van de bewaakte fietsenstallingen. Middels deze winkels wil NS Fiets op een eenduidige manier service verlenen en activiteiten aanbieden aan haar klanten. De [(naam verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek)-winkel] moet een open, veilige en prettige omgeving zijn waar klanten worden geholpen tegen redelijke prijzen op een goed zichtbare locatie door deskundig en klantvriendelijk personeel.” In de modelovereenkomst van 2007 is bovendien die samenhang nog eens uitdrukkelijk bevestigd; opgenomen is dat het beheer van de stalling en de bedrijfsvoering van de ondernemer in de gehuurde bedrijfsruimte onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Niet valt in te zien dat dit ten tijde van het sluiten van de exploitatieovereenkomst anders lag. [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. heeft onvoldoende betwist betoogd dat de exploitant uit de inkomsten van de stallingactiviteiten alleen geen onderneming kon en kan drijven. De bovengenoemde feiten leiden tot de slotsom dat de overeenkomst voldoet aan de omschrijving van twee benoemde overeenkomsten die onlosmakelijk verbonden zijn en daarmee niet splitsbaar. Verenigbaarheid van opzegbepalingen 4.14. Vervolgens is de vraag aan de orde of de wetsbepalingen omtrent opzegging van huur in de zin van art.7:290 BW zijn te verenigen met de wetsbepalingen omtrent opzegging van een opdracht en lastgeving. Nu de verscheidene wetsbepalingen andere afwegingen vereisen en andere gevolgen hebben in geval van opzegging wordt geoordeeld dat deze niet verenigbaar zijn. Welke opzeggingsbepalingen zijn van toepassing ? 4.15. De vraag die vervolgens voorligt is welke (opzeggings)bepalingen moeten worden toegepast. Het enkele feit dat de bepalingen van één van de toepasselijke regimes dwingendrechtelijk van aard zijn, brengt niet automatisch met zich dat deze bepalingen prevaleren. Door uitleg van de exploitatieovereenkomst dient te worden vastgesteld welke bepalingen dienen te prevaleren. 4.16. NS Fiets c.s. heeft betoogd dat voor haar de stalling voorop stond en dat dit gedeelte van de overeenkomst derhalve als overheersend dient te worden aangemerkt. Daartegenover staat dat [verzoekster sub 1 in het verzoek/verweerster sub 1 in het voorwaardelijk tegenverzoek] c.s. heeft betoogd dat de exploitant uit de inkomsten van de stallingactiviteiten alleen geen onderneming kon en kan drijven. Partijen hebben met elkaar een overeenkomst gesloten ten aanzien van de exploitatie van de stalling, waarbij de exploitant ook het recht kreeg (tegen een vergoeding) een deel van de ruimte te gebruiken voor ‘commerciële activiteiten’, omdat NS belang had bij een goede service ten behoeve van de stalling en belang had bij een beheerder die met haar commerciële activiteiten winst kon maken en daardoor de stallingactiviteiten kon en wilde uitvoeren. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden geoordeeld dat een van deze activiteiten overheerst boven de ander. Beide activiteiten van winkel/reparatie en stalling vullen elkaar aan. Deze samenhang is