Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-12-12
ECLI:NL:RBMNE:2017:6131
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/2941 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Issa), en het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren, verweerder (gemachtigden: M. Bakker en de R. Voigt). Procesverloop Bij besluit van 13 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp), afgewezen. Bij besluit van 29 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en tolk, mevrouw H. Shamoun. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Eiseres staat met ingang van 19 augustus 2015 ingeschreven in de brp als [eiseres] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] , Syrië, met de Syrische nationaliteit. Verweerder heeft haar persoonsgegevens destijds in de brp geregistreerd op basis van een familieboekje en een Syrisch paspoort. Op 31 januari 2017 heeft eiseres een verzoek gedaan tot correctie of verbetering van de in de brp opgenomen nationaliteit van Syrische naar Palestijnse. Zij heeft daarbij verscheidene documenten overgelegd, waaronder (kopieën van) een Palestijnse identiteitskaart, een huwelijksakte, een uittreksel uit het burgerregister en diploma’s. 2. Verweerder heeft het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften (de Commissie) aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd en in zijn geheel overgenomen. Uit het advies volgt dat de door eiseres overgelegde documenten volgens de Commissie niet kunnen worden aangemerkt als documenten in de zin van artikel 2.15, eerste lid, van de Wet brp, zodat verweerder zich voor het bepalen van de nationaliteit terecht heeft gebaseerd op het paspoort, als bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, van de Wet brp. De Commissie onderschrijft het standpunt van verweerder dat op basis van dit paspoort van eiseres moet worden geconcludeerd dat zij de Syrische nationaliteit bezit, zodat verweerder op goede gronden heeft besloten om de nationaliteit van eiseres niet te wijzigen van de Syrische naar de Palestijnse nationaliteit (in de praktijk: registratie als staatloos). Daarnaast heeft de Commissie verweerder geadviseerd om de motivering van het primaire besluit aan te passen, nu verweerder aan het primaire besluit een mededeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de nationaliteit van eiseres ten grondslag had gelegd en zich in bezwaar heeft gebaseerd op het Syrische paspoort van eiseres. 3. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldig genomen besluit. Verweerder stelt in het bestreden besluit het gehele advies van de Commissie over te nemen, maar laat vervolgens na om de motivering van het primaire besluit aan te passen, zoals in dit advies staat vermeld. Verweerder heeft niet toegelicht waarom hiervan is afgeweken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat formeel gezien een nieuw besluit had moeten worden genomen, maar dat materieel de uitkomst hetzelfde blijft. Het primaire besluit kent een summiere motivering, aldus verweerder, maar tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verweerder zijn standpunt uitvoerig toegelicht. 4. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn bestreden besluit heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar het advies van de Commissie. Artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb bepaalt dat slechts indien de beslissing op bezwaar afwijkt van het