Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-11-06
ECLI:NL:RBMNE:2017:5675
vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/444547 / KG ZA 17-602 Vonnis in kort geding van 6 oktober 2017 in de zaak van [eiser] , en [eiseres] , beiden wonende te [woonplaats] , eisers, advocaat mr. E. Osinga te Utrecht, tegen de stichting SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND , gevestigd te Utrecht, gedaagde. De voorzieningenrechter zal partijen hierna aanduiden als eisers of de ouders respectievelijk Veilig Thuis (zoals partijen gedaagde aanduiden). 1 De procedure 1.1. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: de op 5 september 2017 aan Veilig Thuis betekende dagvaarding; het verweerschrift (met bijlage 1 tot en met 4) van de zijde van Veilig Thuis, gedateerd 12 september 2017; de brief van de zijde van de ouders, gedateerd 13 september 2017, met als bijlage de akte aanvulling eis en aanvulling feiten (inclusief productie 1 tot en met 6 en een usb-stick). 1.2. De zaak is behandeld ter terechtzitting op 14 september 2017. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door mr. Osinga; de heer [A] , manager bij Veilig Thuis; mevrouw [B] , onderzoeker bij Veilig Thuis; mevrouw [C] , jurist bij Veilig Thuis. 1.3. Ter zitting heeft mr. Osinga een afschrift overgelegd van de VVAK Richtlijn voor de aanpak van: Pedriatic Condition Falsification (PCF) en Factitious Disorder bij Proxy (FDP) (Munchausen By Proxy Syndroom, MBPS), versie maart 2007 (hierna: de VVAK Richtlijn). 1.4. Ter zitting is afgesproken dat partijen nog met elkaar in gesprek gaan om een minnelijke regeling te beproeven. Mr. Osinga heeft de rechtbank bij brief van 22 september 2017 bericht dat partijen geen schikking hebben bereikt. 1.5. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Eisers zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [2016] (hierna: [minderjarige] ). 2.2. Veilig Thuis is een onderdeel van Samen Veilig Midden-Nederland. Veilig Thuis is de naam die in de uitvoeringspraktijk wordt gegeven aan het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (hierna: AMHK). 2.3. Op 3 mei 2017 is [minderjarige] opgenomen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis (hierna: WKZ), dat onderdeel uitmaakt van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (hierna: UMCU). 2.4. Op 16 juni 2017 heeft de behandelend kinderarts van [minderjarige] bij het WKZ/UMCU, dr. [D] , een melding gedaan bij Veilig Thuis (hierna: de melding). Gemeld wordt dat er sprake is van een onbegrepen failure to thrive (onvoldoende gewichtstoename) en dat (opnieuw) wordt gedacht aan PCF. In de VVAK Richtlijn wordt PCF omschreven als een gefalsificeerde/geïnduceerde aandoening bij het kind. In de melding staat onder meer het volgende: [...] Er is sprake van een medische diagnose failure to thrive (FTT) die onbegrepen is en heel uitgebreid is geëvalueerd. Er heeft tevens een papieren second opinion in het AMC plaatsgevonden en as maandag 19-06 was een sec opinion in AMC gepland tijdens aanleren TPV thuistraject. Er heeft eveneens overleg plaatsgevonden met een collega kinderarts MDL in Toronto Sick Kids op zoek naar een oorzaak van de FTT. Er is op dit moment sprake van ongebruikelijke lijncomplicaties en uiteindelijk nu opname op de intensive care. Hij heeft 2x lijninfectie (waarvan 1 met ernstige sepsis) en lx een afgebroken lijn. Hij heeft al 13 dagen hoge koorts en lijnkweken die bij herhaling positief zijn onder antibiotica. Er is uitvoerig overleg geweest opnieuw met verschillende disciplines waaronder de infectiologie en immunologie om tot een diagnose van dit beloop te komen. Medisch volgt nog een ECHO cor en dagelijks kweken maar er moet altijd ook aan andere oorzaken denken als we het beloop niet begrijpen. Dit houdt in dat we externe instantie namelijk veilig thuis om advies moeten vragen als we ongebruikelijk beloop hebben. Ouders zeer teleurgesteld dat er dan weer naar hen wordt gekeken, en idem als in februari 2017. Zij voelen hele PCF traject toen als een ernstige vertrouwensbreuk die hersteld leek te zijn en nu In een brief van 25 juli 2017 van Drs. [F] , kinderarts van de afdeling kinder-MDL, namens Prof. Dr. [G] , kinderarts-MDL, aan de vertrouwensarts staat onder meer het volgende: [...] Met toestemming en op verzoek van ouders stuur ik u de uitkomst van het diagnostisch traject Pediatric Condition Falsification tot 11-7-2017. “ De tot nu toe uitgevoerde separatie is het maximaal realiseerbare geweest in de klinische setting binnen het UMCU. Er is een situatie geweest met toezicht van derden op afdeling Kikker en videoregistratie op afdeling Dolfijn. “ De toezichtafspraken zijn die afspraken geweest die in het vrijwillig kader maximaal haalbaar bleken. “ Ouders hebben afgelopen weken uitvoerig hun medewerking getoond t.a.v. toezicht en videoregistratie en aan de onder hun voorwaarden gemaakte toezichtafspraken. “ Er zijn gedurende de periode met toezichtmaatregelen geen aanwijzingen geweest die diagnose PCF bij [minderjarige] ondersteunen. Bovendien is er een somatische diagnose die, hoewel eerder verworpen, toch in het licht van nu een stoma prolaps nadere evaluatie behoeft. Bovenstaande maakt dat de diagnose PCF onwaarschijnlijk is geworden. [...] 2.8. In een e-mail van de vertrouwensarts aan de ouders van 25 juli 2017 is aan de ouders gevraagd of het klopt dat de behandelend kinderartsen op verzoek van de ouders vanaf 10 juli geen medische informatie over [minderjarige] meer geven. In antwoord daarop heeft de vader in een e-mail van 26 juli 2017 onder meer het volgende geschreven: […] Onze mening/toestemming betreffende het delen van medische informatie is nooit gewijzigd, maar is in dit geval ook niet relevant. Het WKZ heeft zelf geoordeeld dat zij als geheimhouder geen medewerking verlenen kunnen, hoeven en mogen verlenen nu de verzochte informatie op geen enkele wijze kan bijdragen aan de reeds vaststaande conclusie dat er geen sprake is van kindermishandeling. […] 2.9. In een e-mail van 27 juli 2017 van dr. [D] van het WKZ/MUMC aan de vertrouwensarts staat onder meer het volgende: [...] Nav het gesprek dat wij maandagochtend gevoerd hebben over de casus [minderjarige] krijg ik de indruk dat in jouw dossier specifieke informatie ontbreekt. Deze heeft betrekking op de oorspronkelijk melding, en de opsomming van signalen die aanleiding zijn geweest voor de melding. In de melding wordt een afgebroken lijn genoemd. In de tussentijd is duidelijk geworden dat een verpleegkundige betrokken is geweest bij het barsten van de lijn, tgv toepassen van te hoge druk. Dit is een gekende complicatie voor dit type lijn. Vanwege het belang van juiste informatie in dit kader, wil ik je hierover informeren. Vader is geïnformeerd over de overdracht van deze informatie. [...] 2.10. In een e-mail van 31 juli 2017 heeft de vertrouwensarts aan de ouders onder meer het volgende geschreven: […] Om het onderzoek te kunnen afsluiten behoeft Veilig Thuis van het ziekenhuis informatie over in ieder geval de volgende zaken: de groei van [minderjarige] , de vorm en hoeveelheid van de voeding, eventuele complicaties en bevindingen van een (mogelijke) second opinion. Tevens de ontslagdatum en het beleid daarna. Het ziekenhuis wil deze informatie aan ons doen toekomen met uw toestemming. […] 2.11. Op 1 augustus 2017 is [minderjarige] overgeplaatst naar de afdeling kindergeneeskunde van het Radboud Universitair Medisch Centrum in Nijmegen (hierna: het Radboud), waar de behandeling van [minderjarige] is overgenomen. De ouders hebben Veilig Thuis hiervan op 2 augustus 2017 op de hoogte gebracht. 2.12. In een brief van 7 augustus 2017 van dr. [H] , kinderarts bij het Radboud, aan de ouders staat onder meer het volgende: [...] Het hoofd van de afdeling Kinder MDL in het AMC Utrecht/Wilhelmina Kinderziekenhuis Prof. Dr. [G] heeft ons verzocht om de organisatie op ons te nemen voor parenterale voeding thuis voor [minderjarige] . Zij hebben dit in hun centrum langdurig en uitvoerig overlegd. Zij zijn van mening dat dit traject veilig is. De ziektegeschiedenis van [min - de medische dossiers van de overige gezinsleden konden niet worden bestudeerd - de periode waarin toezicht is geweest (“separatie”) is onvoldoende lang geweest mede omdat [minderjarige] daarvóór al vanaf begin mei was opgenomen. o.a. op de I.C en twee buikoperaties en een sepsis heeft gehad. - het MDO van het WKZ van 15 juni 2017 vermeldt: “Daarnaast zijn er opnieuw vanuit de verpleging zorgen geuit over het psychosociaal gedeelte”. Veilig Thuis heeft deze zorgen niet kunnen bespreken met de verpleging.[…] Conform het Handelingsprotocol 8.4.8 zijn er drie uitkomsten mogelijk: Het vermoeden is weerlegd Het vermoeden is niet bevestigd Het vermoeden is bevestigd. Veilig Thuis kan het vermoeden van kindermishandeling, te weten PCF, niet bevestigen. Door het ontbreken van daarvoor benodigde informatie kan Veilig Thuis niet tot de conclusie komen dat het vermoeden van kindermishandeling is weerlegd. […] Welke voorwaarden stelt de medewerker aan de (leef/opgroei)situatie? Conform het Handelingsprotocol 8.4.8. zal Veilig Thuis rappel doen bij de behandelend kinderarts(en). [...] 3 Het geschil 3.1. De ouders vorderen na wijziging van eis, samengevat: - primair Veilig Thuis te bevelen per onmiddellijk het dossier van [minderjarige] te sluiten en te vernietigen binnen één week na dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag(deel) dat Veilig Thuis hiermee in gebreke blijft; subsidiair, indien en voor zover de voorzieningenrechter meent dat vernietiging uitvoerbaar bij voorraad een (te) definitief karakter draagt niet passend bij een voorlopige voorziening: Veilig Thuis te bevelen per onmiddellijk het dossier van [minderjarige] te sluiten en te vernietigen indien zij de beroepstermijn ongebruikt voorbij laat gaan; Veilig Thuis te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Volgens de ouders is de handelwijze van Veilig Thuis jegens hen onrechtmatig in die zin dat hun privacy wordt geschaad zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond ex artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is. De ouders willen dat Veilig Thuis iedere verdere bemoeienis met hun gezin staakt. 3.3. Veilig Thuis concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de ouders. Veilig Thuis weigert om (nu al) iedere bemoeienis te staken. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling Inleiding 4.1. De onderhavige procedure betreft een kort geding procedure. Op grond van artikel 254 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan de voorzieningenrechter een onmiddellijke voorziening geven in alle spoedeisende zaken waarin deze - gelet op de belangen van partijen - wordt vereist. Het gaat om een ordemaatregel, dat wil zeggen een voorlopige maatregel in afwachting van de bodemprocedure. Daarbij moet de voorzieningenrechter een prognose maken van de uitkomst in de bodemprocedure en de belangen van partijen, waaronder de urgentie, afwegen bij het al dan niet geven van een ordemaatregel. Bij die beoordeling zal de voorzieningenrechter in deze zaak, gelet op de grondslag van de vorderingen van de ouders (zie hiervoor onder 3.2.), uitgaan van het volgende (wettelijk) kader. 4.2. Op grond van artikel 3 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind vormen de belangen van het kind bij alle maatregelen die kinderen betreffen de eerste overweging. Op grond van artikel 8 EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn gezinsleven. Een ander mag zich daarin niet mengen. Dit is slechts anders als daarvoor een grondslag is in de wet en de inmenging noodzakelijk is voor de in artikel 8 lid 2 EVRM omschreven belangen, zoals de gezondheid van anderen, en die inmenging proportioneel is. 4.3. De taken en bevoegdheden van Veilig Thuis staan beschreven in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Op grond van artikel 4.1.1 lid 2 sub b Wmo 2015 heeft Veilig Thuis tot taak om naar aanleiding van een melding van kindermishandeling of een vermoeden daarvan te onderzoeken of daarvan spr Zoals uit het voorgaande blijkt, baseert Veilig Thuis het rappelleren op haar conclusie dat het vermoeden van kindermishandeling (ten tijde van het sluiten van het dossier) niet is bevestigd. De voorzieningenrechter begrijpt de stellingen van de ouders aldus dat zij menen dat deze conclusie niet de juiste is en dat Veilig Thuis had moeten concluderen dat het vermoeden is weerlegd. Bij die conclusie bestaat geen mogelijkheid van rappel. Het gaat dus om de vraag of de conclusie van Veilig Thuis juist was. In deze kort gedingprocedure is er gelet op de aard van deze procedure (zie hiervoor onder 4.1.) beperkt onderzoek mogelijk naar deze vraag. Er is sprake van een beperkt feitenonderzoek en er is (in beginsel) geen ruimte voor het horen van getuigen of het inwinnen van een oordeel van deskundigen. De voorzieningenrechter zal aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht moeten inschatten of de conclusie van Veilig Thuis geen stand zal houden in de bodemprocedure. Alleen dan kan aanleiding zijn voor het geven van een ordemaatregel. 4.10. Namens de ouders is aangevoerd dat de kinderartsen hebben geconcludeerd dat er geen sprake was van kindermishandeling (onder 6 van de dagvaarding) en dat de kinderartsen de diagnose PCF hebben verworpen (onder 13 van de dagvaarding). Uit de gedingstukken blijkt echter niet van een oordeel van de kinderartsen over de vraag of al dan niet sprake was van kindermishandeling. Het was ook niet aan de kinderartsen om daarover te oordelen, maar aan Veilig Thuis (zie hierna onder 4.11.) De kinderartsen hebben wel met de vertrouwensarts hun bevindingen gedeeld over de diagnose PCF. Anders dan de ouders menen, blijkt uit de gedingstukken niet dat zij die diagnose hebben verworpen. Wel blijkt daaruit dat de behandelend artsen hadden geconcludeerd “ dat de diagnose PCF onwaarschijnlijk is geworden ” (2.7.) en dat “ niet direct aan PCF ” werd gedacht (2.13.). Ter zitting is namens de ouders in dit verband nog naar voren gebracht dat het niet te begrijpen is dat de vertrouwensarts ingaat “ tegen alle diagnoses van professionals ”. Ook deze stelling vindt geen steun in de stukken. Daaruit blijkt wel dat de vertrouwensarts nog nadere informatie nodig had om het onderzoek van Veilig Thuis af te kunnen sluiten (2.10.). De ouders hebben ter zitting ook nog naar voren gebracht dat het allemaal is begonnen met de melding en dat die melding “ volledig onderuit ” is gehaald. Dit vindt steun in stukken, voor zover de melding de lijncomplicaties betrof (zie onder 2.9.). Met betrekking tot de in de melding omschreven onbegrepen failure to thrive blijkt dit niet uit de gedingstukken. Daaruit blijkt slechts dat aan Veilig Thuis bekend was dat op basis van de hypothese CIPO behandeling thuis is gestart (2.7. en 2.13.) en dat er (pas sinds kort) geen sprake meer is van failure to thrive (2.13.). 4.11. Al met al was er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan de ouders kennelijk als uitgangspunt nemen, geen sprake van een evidente situatie waarin het vermoeden van kindermishandeling was weerlegd. De vraag of het vermoeden was weerlegd of niet vergde dan ook nog een nadere beoordeling door Veilig Thuis. Daarbij is het volgende van belang. Het was aan Veilig Thuis om te onderzoeken of sprake was van kindermishandeling. Veilig Thuis heeft daartoe specifieke informatie opgevraagd (2.6.), maar deze niet (volledig) gekregen. Op het moment dat de ouders de conclusie van dr. [G] zoals verwoord in zijn brief van 25 juli 2017 hadden vernomen (kort gezegd: PCF is onwaarschijnlijk), hebben zij daaruit kennelijk afgeleid dat (ook voor Veilig Thuis) vast was komen te staan dat er geen sprake was van kindermishandeling. Om die reden hebben zij geen informatie meer willen (laten) verstrekken (zie de e-mail van de vader van 26 juli 2017 aan de vertrouwensarts, 2.8.). Het was echter aan Veilig Thuis om een oordeel te geven over de vraag of het vermoeden van kindermishandeling was weerlegd of niet en om in dat