Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-10-27
ECLI:NL:RBMNE:2017:5544
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/1210 uitspraak van de meervoudige kamer van 27 oktober 2017 in de zaak tussen Parachutisten Centrum Midden Nederland, te Hilversum, eiseres (gemachtigde: mr.dr. R.M. Schnitker), en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder (gemachtigde: mr. C.J. Kuiper). Procesverloop Bij besluit van 26 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor het instellen van een tijdelijk gebied met beperkingen (TGB) in Ankeveen om ten behoeve van een valschermsprong Visual Flight Rules (VFR)-vluchten te kunnen uitvoeren in luchtruim klasse A, afgewezen. Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door haar bestuurslid, [bestuurslid] , en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam] . Overwegingen 1. De rechtbank overweegt over de ontvankelijkheid van het beroep als volgt. 2. Het bestreden besluit is verzonden op 9 februari 2017, waarmee op 23 maart 2017 de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verstreken. Op 22 maart 2017 heeft eiseres digitaal een pro forma beroepschrift ingediend dat door de rechtbank vanwege een storing in haar digitale systeem niet is ontvangen. Als bewijs daarvan heeft eiseres een meldcode [meldcode] van het Servicecentrum van de rechtbank overgelegd. Na telefonisch contact met de griffie van de rechtbank heeft eiseres het beroepschrift nogmaals op 23 maart 2017 per aangetekende post naar de rechtbank verstuurd, waar het op 24 maart 2017 is ontvangen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift van eiseres op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb tijdig is ingediend. 3. Over het procesbelang heeft eiseres naar voren gebracht dat hoewel de aanvraag ziet op het uitvoeren van een valschermsprong op een datum (ver) in het verleden, zij een procesbelang heeft omdat zij financiële schade heeft geleden als gevolg van het mislopen van de opdracht tot het uitvoeren van een tweetal demonstratiesprongen. De schade bestaande uit het mislopen van de vergoeding voor de opdracht en uit het maken van extra kosten voor de uitvoering van de vluchten onder Instrumental Flight Rules (IFR) heeft eiseres berekend op € 1.750,-. 4. De rechtbank overweegt dat geleden schade tot het oordeel kan leiden dat sprake is van een procesbelang. Daarvoor is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat er daadwerkelijk schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat eiseres, met de door haar geclaimde schade voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog steeds belang heeft bij een uitspraak op het beroep. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres, naar zij op zitting heeft verklaard, ook in de toekomst demonstratiesprongen wil houden in valschermspringgebieden op andere, tijdelijke locaties en daarvoor hun VFR-vliegtuig ook moet kunnen vliegen in een luchtruimklasse waar thans alleen IFR-vluchten mogelijk zijn. Hiermee is niet uitgesloten dat het belang van een oordeel over de rechtmatigheid van een besluit voor eiseres kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk rechterlijk oordeel bij toekomstige besluiten kan worden betrokken. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres een voldoende actueel procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. 5. Eiseres is een vereniging waar parachutespringen als sport beoefend wordt. Ter promotie van het parachutespringen heeft eiseres op 8 mei 2016 door middel van een formulier ‘Aanvraag NOTAM’ bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een verzoek ingediend om een TGB in t Volgens eiseres blijkt uit een e-mail van 4 juli 2016 van een medewerker van het Agentschap dat het nog wel mogelijk is om bij VFR-gebruik de classificatie A van het luchtruim tijdelijk te wijzigen. Verweerder had daarom, zoals ook is verzocht in het bezwaarschrift, bij het Agentschap navraag moeten doen naar de mogelijkheden voor tijdelijk VFR-vliegverkeer in luchtruimklasse A conform Europese regelgeving. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het besluit volgens eiseres onzorgvuldig genomen. 8. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres in de eerste plaats getoetst aan de bepalingen van de SERA-Verordening. Een belangrijke doelstelling van de SERA-Verordening (overweging 6) is ‘Om veilig, efficiënt en vlot internationaal luchtverkeer te garanderen en om de oprichting van functionele luchtruimblokken te ondersteunen, moeten alle deelnemers aan het gemeenschappelijk Europees luchtruim een gemeenschappelijke reeks regels naleven. Een belangrijke stimulans voor veilige grensoverschrijdende activiteiten is de oprichting van een transparant regelgevingssysteem, waarbij rechtszekerheid en voorspelbaarheid wordt verschaft aan de deelnemers. Daarom moeten genormaliseerde luchtverkeersregels en bijbehorende operationele bepalingen inzake luchtvaartnavigatiediensten en -procedures worden opgesteld en, voor zover passend, worden aangevuld met begeleidend materiaal en/of aanvaardbare wijzen van naleving.’ 9. Op grond van artikel 3 van de SERA-Verordening zien de lidstaten toe op de naleving van de gemeenschappelijke regels die zijn uiteengezet in de bijlage bij de SERA-Verordening, onverminderd de flexibiliteitsregeling in artikel 14 van de Basisverordening en de vrijwaringsbepalingen in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004. In artikel 4 van de SERA-Verordening zijn speciale activiteiten opgesomd waarvoor de bevoegde autoriteiten generieke vrijstellingen van de eisen van deze verordening kunnen verlenen. 10. Artikel SERA.6001, dat is opgenomen in de bijlage bij de SERA-Verordening, bepaalt, voor zover van belang: “Afhankelijk van hun behoeften categoriseren de lidstaten het luchtruim in klassen die overeenstemmen met de volgende luchtruimclassificatie en met aanhangsel 4: a. a) Klasse A. Uitsluitend IFR-vluchten zijn toegestaan. Aan alle vluchten worden luchtverkeersleidingsdiensten verleend en alle vluchten worden onderling gesepareerd. Voor alle vluchten is permanente mondelinge lucht-grondcommunicatie vereist. Voor alle vluchten is een luchtverkeersleidingsklaring vereist.” 11. De rechtbank stelt voorop dat uit bovengenoemde bepaling SERA.6001 van de SERA-Verordening volgt dat in luchtruimklasse A alleen IFR-vluchten zijn toegestaan. Eiseres heeft dat ook niet bestreden. Evenmin heeft eiseres betwist dat paradropping niet behoort tot de opsomming in artikel 4 van de SERA-Verordening ‘special operations’ waarvoor verweerder een generieke vrijstelling van de luchtruimklasse kan verlenen. 12. Op grond van artikel 14, vierde lid, van de Basisverordening, de flexibiliseringsregeling, kunnen de lidstaten in geval van onvoorziene dringende operationele omstandigheden of operationele behoeften van beperkte duur, ontheffing verlenen van de in deze verordening en uitvoeringsvoorschriften daarvan voorgeschreven essentiële eisen, mits de veiligheid daardoor niet in het gedrang komt. Verweerder heeft het uitvoeren van een VFR-vlucht voor het maken van een parachutesprong in een klasse A gebied, niet als een zwaarwichtige reden hoeven aanmerken om toepassing te geven aan de flexibiliseringsregeling. Verweerder heeft terecht aangenomen dat in dit geval geen sprake is van ‘onvoorziene dringende operationele omstandigheden of operationele behoefte van beperkte duur’ als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Basisverordening. Verweerder heeft daarbij in aanmerking mogen nemen dat een wijziging van luchtruimklassen op grond van de flexibiliseringsregeling volgens het Agentschap structureel moet gebeuren en alleen kan worden vastgesteld bij e Ten tweede gaat het om de eisen omtrent luchtruimklasse A. Op basis van paragraaf SERA.6001 is in deze luchtruimklasse enkel verkeer dat vliegt op basis van instrumentvliegvoorschriften (IFR) toegestaan. Tot op heden was het in Nederland op basis van een vrijstelling of ontheffing in een aantal gevallen mogelijk op basis van zichtvliegvoorschriften (VFR) in klasse A te opereren. Een deel van deze vrijstellingen en ontheffingen betreft diensten van algemeen belang, waarvoor ook onder de SERA-verordening een vrijstelling kan worden verleend. Voor het overige betreft het recreatieve luchtvaart en vormen van luchtwerk, waarvoor de SERA-verordening geen vrijstellings- of ontheffingsmogelijkheid kent. (…) Ten slotte is de SERA-verordening van toepassing op al het algemene luchtverkeer, terwijl het Luchtverkeersreglement nadrukkelijk een aantal luchtvaartuigen uitzonderde van vrijwel alle luchtverkeersregels. Het ging hierbij om de kabelvlieger, kleine kabelballon, licht onbemand luchtvaartuig, modelluchtvaartuig, onbemande vrije ballon, valscherm en het valschermzweeftoestel. De minister had de bevoegdheid om voor deze bijzondere luchtvaartuigen regels te stellen. Deze luchtvaartuigen vallen volledig onder de SERA-verordening. De SERA-verordening stelt zelf regels voor valschermen en onbemande vrije ballonnen. Regelgeving voor onbemande luchtvaartuigen is in Europees verband in ontwikkeling. Daar waar het voor de andere luchtvaartuigen naar hun aard onmogelijk is om aan de bepalingen van de SERA-verordening te voldoen, zal Nederland een beroep op de flexibiliteitsbepaling van artikel 14 van de basisverordening doen.” 17. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de SERA-Verordening hem geen mogelijkheid biedt om in de vorm van een ontheffing of vergunning het verzoek van eiseres te kunnen honoreren. Verweerder heeft zich daarbij mogen beroepen op zijn verplichting als lidstaat omschreven in overweging 6 van de SERA-Verordening. Verweerder heeft toegelicht dat met de door de EU-wetgever verplicht voorgeschreven indeling in de luchtruimklassen wordt bereikt dat binnen de EU eenduidigheid bestaat hoe in de gecategoriseerde luchtruimgebieden de luchtverkeersleiding moet plaatsvinden en wat de rechten en plichten zijn van de deelnemers aan het luchtverkeer. Verweerder heeft er daarom voor gekozen dat wijzigingen van luchtruimklassen moeten worden vastgelegd bij algemeen verbindend voorschrift en niet bij (individuele) besluiten en dat van classificatie geen ontheffing kan worden verleend. 18. Verweerder heeft ook in de bepalingen van de FUA-Verordening geen grond hoeven zien voor toewijzing van het verzoek van eiseres. De FUA-Verordening richt zich blijkens de doelstellingen en het onderwerp vooral tot de organisaties die verantwoordelijk zijn voor de civiele en militaire luchtverkeersbeveiliging binnen de lidstaten, zoals het Agentschap Eurocontrol. De verordening bevat niet meer dan een omschrijving van de beginselen waarop een flexibel gebruik van het luchtruim berust. Artikel 3, aanhef en onder c, van de FUO-Verordening, waarop eiseres zich heeft beroepen, bepaalt dat het aanwijzen van een gereserveerd luchtruim voor exclusief of specifiek gebruik door bepaalde categorieën gebruikers van tijdelijk aard is en alleen plaatsvindt gedurende een beperkte periode op basis van werkelijk gebruik. Het betrokken luchtruim wordt weer vrijgegeven zodra de activiteit waarvoor het werd gereserveerd, wordt beëindigd. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres op grond van deze bepaling bij verweerder geen tijdelijke ontheffing kan afdwingen voor luchtruimklasse A. 19. De rechtbank ziet in de e-mail van de medewerker van het Agentschap, waarin hij zegt dat het gezien de bepalingen van de FUA-Verordening mogelijk moet zijn om ook luchtruimklasse A te reserveren voor VFR-gebruik, geen reden voor een ander oordeel. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat het standpunt dat in luchtruimklasse