Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-10-20
ECLI:NL:RBMNE:2017:5467
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: 6167505 UE VERZ 17-305 aw/1370 Beschikking van 20 oktober 2017 inzake de stichting Stichting Warande , gevestigd te Zeist, verder ook te noemen Warande, verzoekende partij, tevens verwerende partij, gemachtigde: mr. A.G.M. Lieshout, tegen: [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , wonende te [woonplaats] , verder ook te noemen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , verwerende partij, tevens verzoekende partij, gemachtigde: mr. J.R. Berculo. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van Warande met 51 producties, ter griffie ingekomen op 19 juli 2017; het verweerschrift van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] met 65 producties, ter griffie ingekomen op 11 september 2017; de producties 51 t/m 56 van Warande; productie 66 van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ; de brief van mr. Lieshout van 15 september 2017, waarin hij verzoekt om extra spreektijd. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 september 2017. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden. Partijen hebben ieder een pleitnota overgelegd. 1.3. Hierna is uitspraak bepaald. 2 De feiten 2.1. Warande is een zorginstelling en biedt aan hoofdzakelijk ouderen in Houten en op de Utrechtse Heuvelrug woon-, service- en zorgarrangementen. Warande heeft zeven vestigingen voor wonen en zorg in Zeist, Houten en Bilthoven. Daarnaast zijn er nevenvestigingen voor revalidatie, kinderopvang, dagsociëiteiten en een hospice. Het huidige Warande is ontstaan uit een juridische fusie op 31 december 2015 tussen Antroz en Warande, nadat er eerder in 2014 een bestuurlijke fusie had plaatsgevonden. 2.2. De bestuursstructuur van Warande bestaat uit een eenhoofdige Raad van Bestuur en een Raad van Toezicht van zeven leden. De zeven vestigingen van Warande worden aangestuurd door vijf vestigingsmanagers, die verantwoording afleggen aan de Raad van Bestuur. Aan het managementoverleg van Warande nemen de bestuurder, de vestigingsmanagers en stafleden (HRM, Kwaliteit, Vastgoed en Financieel) deel. 2.3. Bij Warande zijn ruim 1100 mensen in dienst. Warande heeft een Ondernemingsraad (OR), per vestiging een Cliëntenraad en voor de gehele organisatie een Centrale Cliëntenraad (CCR). 2.4. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , geboren op [1954] , is op 15 maart 2006 door de Raad van Toezicht benoemd tot enig lid van de Raad van Bestuur. Per 1 juli 2006 is zij in dienst van (de rechtsvoorgangster van) Warande getreden. De arbeidsovereenkomst geldt als te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Het huidige salaris bedraagt € 12.399,08 bruto per maand exclusief emolumenten. 2.5. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: “Artikel 11 Non-actiefstelling De raad van toezicht kan, onverlet de statutaire bepalingen, de bestuurder voor een periode van ten hoogste één maand op non-actief stellen, indien naar het oordeel van de raad van toezicht de voortgang van de werkzaamheden – door welke oorzaak dan ook – ernstig wordt belemmerd. De in lid 1 genoemde periode kan door de raad van toezicht met maximaal één maand worden verlengd. Met toestemming van de bestuurder of diens vertegenwoordiger kan nogmaals een verlenging van maximaal één maand worden overeengekomen. (…) Artikel 13 Opzegging door de stichting 1. De stichting kan deze overeenkomst op grond van artikel 12 lid 2 slechts opzeggen om ernstige redenen die onder meer aanwezig worden geacht: (…) c wanneer ten gevolge van een duurzame verstoring van de vertrouwensrelatie tussen de raad van toezicht en de bestuurder of ten gevolge van onverenigbaarheid van karakters van raad van toezicht en bestuurder of de leden van de raad van bestuur onderling, de samenwerking met de bestuurder zodanig bemoeilijkt wordt dat de handhaving van de bestuurder redelijkerwijs niet langer kan worden gevergd, Tijdens die bijeenkomst kwam voor het eerst duidelijk naar voren dat alle leden van de Raad van Toezicht aarzelingen hadden bij de wijze van opereren van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en worstelden met de samenwerking met haar. Vervolgens heeft de Raad van Toezicht aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] voorgesteld om onder begeleiding van een derde aan de communicatie te werken om zo de onderlinge samenwerking te verbeteren. 2.11. De leden van de Raad van Toezicht en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] hebben in de periode juli tot oktober 2015 een aantal gesprekken gevoerd onder begeleiding van de heer [H] . Deze heeft een verslag opgesteld waarin onder meer het volgende is vermeld: “De check verloopt in eerste instantie stroef en levert niet het gewenste resultaat op. Maar na een nieuwe uitleg door de RvT geeft de bestuurder aan de kritiekpunten te begrijpen. De wenselijkheid van een 360 graden onderzoek wordt kort aangestipt. De RvT besluit om het punt mee te nemen naar de RvT bijeenkomst op 21 oktober. De bestuurder vindt een objectiverend onderzoek zeker bespreekbaar als daar bij de RvT behoeft aan zou blijken te zijn. (…) Bestuurder en RvT-leden spreken uit verheugd te zijn met dit resultaat en het gevoel te hebben gekregen nader tot elkaar te zijn gekomen.” 2.12. Vervolgens is door de Raad van Toezicht een 360 graden evaluatie gehouden onder de leden van het management overleg, de CCR en de OR, ter voorbereiding van het functioneringsgesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over 2015. De uitkomst van het onderzoek was overwegend positief. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft op de uitkomst gereageerd in een memo d.d. 2 maart 2016. Op basis hiervan zijn afspraken/actiepunten geformuleerd in het functioneringsgesprek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] van 25 maart 2016, te weten: “operationalisering van de visie naar de werkvloer” “dmv gedeeld leiderschap” “instellen van een Verpleegkundige Adviesraad” “zorgen voor verbetering in het functioneren van het management overleg (sfeer, afspraken uitvoeren en omgangsvormen)” “zorgen voor verbetering van verhouding tussen lijn en staf” “zorgen voor verbetering van de efficiëntie en doelmatigheid van de organisatie” “Aandacht blijven houden voor risicoanalyses” Op de tijdens het functioneringsgesprek geuite wens van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] om nog vier tot vijf jaar te blijven, tot aan haar pensionering, heeft de Raad van Toezicht aangegeven positief te zijn over dit voornemen en op dat moment geen aanleiding te zien om er anders over te denken. 2.13. In de zomer van 2016 heeft opnieuw een vestigingsmanager, mevrouw [B] , ontslag genomen. In het exitgesprek gehouden tussen [B] en twee leden van de Raad van Toezicht heeft [B] zich kritisch uitgelaten over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de cultuur binnen de organisatie. Volgens [B] is er onvoldoende kennis van de feitelijke kwaliteit van de zorg op bestuurdersniveau en leidt de wijze waarop [verwerende partij, tevens verzoekende partij] het MO-team leidt tot een onveilig gevoel bij de leden en soms onderlinge machtsstrijd. De Raad van Toezicht heeft die kritiek met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] besproken. 2.14. In de periode medio augustus tot medio oktober 2016 heeft de IGZ Warande bezocht. Op 23 september 2016 heeft Warande vernomen dat zij door de IGZ is ingedeeld in categorie 1 en op de lijst is geplaatst van instellingen waar intensief toezicht wordt gehouden. De tekortkomingen die IGZ heeft geconstateerd bestaan erin dat op meerdere locaties de cliëntdossiers niet op orde zijn en dat op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] de medicatieveiligheid niet aan de normen voldoet. 2.15. Daarop heeft de Raad van Toezicht, in samenspraak met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , besloten tot het aanstellen van een interim bestuurder, die als belangrijkste taken zorg en kwalite 2.21. Het project “Waardigheid en Trots” is een initiatief van het ministerie van VWS, waarbij aan organisaties als Warande ondersteuning en coaching wordt aangeboden bij het structureel op orde krijgen van de kwaliteit van zorg. Op voorstel van [G] heeft de Raad van Bestuur Waardigheid en Trots gevraagd een plan van aanpak op te stellen met betrekking tot de problemen bij het duurzaam verbeteren van kwaliteit en veiligheid van zorg. De heer [F] was vanaf dat moment vanuit Waardigheid en Trots nauw bij Warande betrokken. Hij heeft met een groot aantal medewerkers van Warande gesproken en een analyse gemaakt op basis van diverse documenten waaronder jaarverslagen, kwaliteitskaarten en medewerkers- en cliënttevredenheidsonderzoeken. 2.22. In een gesprek op 28 februari 2017 tussen [F] en twee leden van de Raad van Toezicht heeft [F] zich kritisch uitgelaten over de situatie van Warande en over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Hij omschrijft haar volgens het gespreksverslag als “een bestuurder die zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de noodzakelijke ontwikkeling van de organisatie in relatie tot de toegenomen zorgzwaarte.” (…) “er is sprake van een organisatie als een eilandenrijk, waar de doelmatigheidswinst bij fusies niet is gerealiseerd, de bedrijfsvoering niet is geoptimaliseerd, er liggen risicovolle huisvestingsplannen, op alle niveaus is er te weinig zorginhoudelijke kwaliteit aanwezig voor de transitie naar zwaardere zorg.” Volgens het gespreksverslag is de inschatting van [F] dat verandering van de huidige cultuur/gebrek aan eigenaarschap voor kwaliteit, voor de huidige bestuurder en (een deel van) de vestigingsmanagers een zware opgave is. 2.23. Begin maart 2017 hebben twee vestigingsmanagers (de heer [D] en mevrouw [E] ) zich bij de Raad van Toezicht gemeld met klachten over [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . De Raad van Toezicht heeft met [D] gesproken en hem geadviseerd met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] in gesprek te gaan. [D] heeft vervolgens met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en [G] gesproken. 2.24. Op 23 maart 2017 heeft de Raad van Toezicht aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] mondeling te kennen gegeven dat de Raad van Toezicht unaniem van oordeel was dat haar positie niet langer houdbaar was en dat de Raad graag in goed overleg afscheid van haar wilde nemen. Dit is op 29 maart 2017 per e-mail aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bevestigd. 2.25. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft daarop te kennen gegeven wel te willen praten met de Raad van Toezicht, maar geen noodzaak te zien om haar werk neer te leggen. Daarop heeft de Raad van Toezicht haar bij brief van 30 maart 2017 met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld voor de duur van één maand, onverminderd de mogelijkheid van verlenging. De Raad van Toezicht schrijft onder meer: “Zonder in deze brief volledig te zijn, constateert de Raad van Toezicht de volgende zwaarwegende problemen: een structureel defensieve houding van u in het contact met de Raad; een voortdurend tekortschieten van Warande op de primaire terreinen zorg, kwaliteit en veiligheid; een ongewenste versnippering van de organisatie; een wantrouwende stijl van leidinggeven en een verre van optimale bedrijfsvoering. Deze bezwaren spelen al geruime tijd, het een langer dan het ander, en de Raad van Toezicht ziet geen mogelijkheden meer om deze samen met u op te lossen; het benodigde vertrouwen daartoe ontbreekt ten enenmale. (…)” 2.26. Op 4 april 2017 heeft de Raad van Toezicht op het Intranet van Warande een bericht laten plaatsen met de volgende inhoud: “Hiermee willen we jullie informeren over het feit dat wij als Raad van Toezicht het voornemen hebben afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als bestuursvoorzitter van Warande. [G] neemt als interimbestuurder per direct de taken van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over. [G] is, zoals j Bij brief van 14 april 2017 heeft de IGZ aan Warande een last onder dwangsom opgelegd, omdat bij inspectie was gebleken dat op één van de vijf locaties, de locatie [locatie 1] , de cliëntdossiers nog niet op orde waren. 2.31. Op verzoek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft de Raad van Toezicht vervolgens een Commissie van Advies en Bemiddeling (hierna: de Commissie) ingesteld, volgens artikel 14 van de arbeidsovereenkomst. Deze heeft gesprekken gevoerd met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , een aantal vestigingsmanagers, twee managers, leden van de OR en van de CCR en vier leden van de Raad van Toezicht. De Commissie rapporteert op 11 juni 2017 onder meer: “1. De Commissie ziet geen reële mogelijkheid voor een toekomstig werkbare situatie tussen [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en de Raad van Toezicht. 2. De Commissie acht de Raad van Toezicht hiervoor in belangrijke mate zelf verantwoordelijk.” “De commissie stelt vast dat er na het laatste functioneringsgesprek op 22 december 2016 en voor 23 maart 2017 geen inhoudelijk overleg meer heeft plaatsgevonden tussen de RvT en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] over bovengenoemde (nieuwe) informatie. Hierdoor heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet de gelegenheid gehad deze informatie te nuanceren, te weerleggen of in een ander perspectief te plaatsen. De commissie acht deze gang van zaken niet zorgvuldig jegens [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en in potentie ook schadelijk voor de Warande, in het bijzonder omdat, zoals gezegd, verschillende andere stakeholders binnen de Warande aan de informatie andere conclusies verbinden. Inmiddels is het voornemen van de RvT om de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen en de daarop volgende non-actiefstelling van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] openbaar bekend gemaakt door de RvT. De Commissie concludeert dat er als gevolg hiervan sprake is van een duurzame verstoring van de vertrouwensrelatie tussen de RvT en [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . De Commissie acht de positie van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als bestuurder van de Warande daardoor onhoudbaar. Ook tijdens de gesprekken is gebleken dat het draagvlak bij andere organen voor de terugkeer van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , in de gegeven omstandigheden, minimaal is. De Commissie acht evenwel ook de openbare communicatie over de voorgenomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de non-actiefstelling van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] door de RvT onzorgvuldig, omdat het hier door gecreëerde fait accompli het werk van de Commissie – namelijk het bemiddelen bij het onderzoek naar de mogelijkheden van een toekomstig werkbare situatie – in feite onmogelijk heeft gemaakt. Deze gang van zaken heeft tevens de rol van de medezeggenschap gefrustreerd, hetgeen aan die zijde het vertrouwen in de RvT heeft beschadigd.” 2.32. Op 16 juni 2017 heeft de CCR negatief geadviseerd met betrekking tot het voornemen tot ontslag van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en heeft zij verzocht [verwerende partij, tevens verzoekende partij] weer toe te laten tot het werk. 2.33. Op 29 juni 2017 heeft de OR positief geadviseerd over het voorgenomen ontslag. De OR schrijft onder meer: “De Ondernemingsraad onderschrijft de gehele conclusie van de commissie Arbeid en Bemiddeling namelijk de Raad van Toezicht niet de juiste procedure heeft gevolgd om over te kunnen gaan tot het ontslag van de huidige RvB, [verwerende partij, tevens verzoekende partij] ; De Ondernemingsraad heeft geconstateerd op basis van de rapportages van Waardigheid en Trots en de rapportages van IGZ dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid door de RvB [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onvoldoende heeft genomen; De Ondernemingsraad is van mening dat de Raad van Toezicht verantwoordelijkheid moet nemen voor hun e [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat geen redelijke grond bestaat voor de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Warande heeft haar volkomen overvallen met een non-actiefstelling en de wens om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Eind december 2016 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden dat positief was van toon. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] is niet bekend met de signalen die Warande stelt te hebben ontvangen tussen december 2016 en 23 maart 2017, de dag dat de Raad van Toezicht het vertrouwen in haar heeft opgezegd. Van een onherstelbaar verstoorde verhouding is geen sprake, reeds omdat Warande geen enkele poging heeft gedaan om met haar in gesprek te gaan over herstel van de arbeidsrelatie. Warande heeft enkel willen praten over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft mediation voorgesteld. Warande heeft dat voorstel afgewezen. Warande heeft bovendien nagelaten tijdig de Commissie van Advies en Bemiddeling in te schakelen (artikel 14 van de arbeidsovereenkomst), met als gevolg dat zij deze het werk onmogelijk heeft gemaakt. Warande heeft ten opzichte van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onzorgvuldig gehandeld door al op 4 april 2017 op Intranet kenbaar te maken dat zij voornemens is de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] te beëindigen. Feitelijk legt Warande aan haar ontbindingsverzoek onvoldoende functioneren ten grondslag. Warande heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] echter nooit te kennen gegeven dat zij ontevreden was over haar functioneren. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft steeds in samenspraak met de Raad van Toezicht gehandeld, zowel wat betreft het dossier IGZ als het dossier nieuwbouw. De Raad van Toezicht heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk het vertrouwen in haar uitgesproken en de uitslag van het 360 graden onderzoek was positief. Van een verschil van inzicht over het te voeren beleid is geen sprake. De negatieve conclusies van [F] (Waardigheid en Trots) en [G] worden door [verwerende partij, tevens verzoekende partij] gemotiveerd weersproken. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] wijst erop dat er bij de CCR voldoende draagvlak bestaat voor haar terugkeer. Als het ontbindingsverzoek wordt afgewezen en de toelating tot het werk toegewezen, dan wordt haar positie hersteld. Zowel in als buiten de organisatie zal het duidelijk zijn dat de poging van de Raad van Toezicht om haar aan de kant te zetten niet is geslaagd. Van de in juni 2017 in totaal zeven leden van de Raad van Toezicht verdwijnen er op korte termijn vijf, omdat hun termijn is verstreken en/of zij niet langer beschikbaar zijn voor een volgende termijn. De termijn van mevrouw [C] , voorzitter van de Raad, loopt af in maart 2018 en het is maar zeer de vraag of zij herbenoemd kan worden, na alles wat er gebeurd is. Warande krijgt derhalve te maken met een grotendeels nieuwe Raad van Toezicht, hetgeen partijen ruim de kans geeft om een herstart te maken. Warande heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door niet de juiste procedure te volgen bij haar wens om afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Zij heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zonder goede gronden op non-actief gesteld en geweigerd met haar te spreken over herstel van de arbeidsrelatie. Als de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden maakt zij aanspraak op een billijke vergoeding van € 150.000,00 bruto. Juist omdat de Raad van Toezicht de afgelopen jaren herhaaldelijk te kennen heeft gegeven dat zij het dienstverband langdurig zou willen continueren en zij zelf een situatie heeft gecreëerd waarin dat in de visie van de kantonrechter niet mogelijk zou zijn, kan ook de inkomensderving van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding worden betrokken. Haar total Daarnaast maakt [verwerende partij, tevens verzoekende partij] aanspraak op een billijke vergoeding van € 150.000,00 bruto en verzoekt zij de kantonrechter de duur van de procedure niet in mindering te brengen op de geldende opzegtermijn van 6 maanden, omdat Warande jegens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door – samengevat – niet de juiste procedure voor ontslag te volgen en te weigeren met haar in gesprek te gaan om te bezien of de arbeidsrelatie kan worden hersteld. 5.10. Warande wijst voor wat betreft de billijke vergoeding allereerst op de Wet normering topinkomens (WNT). Zij meent dat van die wet een zekere reflexwerking zou moeten uitgaan. Het gaat uiteindelijk om gemeenschapsgeld. Daarnaast betwist zij dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. 5.11. Nadat Warande aan [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op 23 maart 2017 mondeling had meegedeeld dat zij de arbeidsovereenkomst wenste te beëindigen heeft zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , omdat deze weigerde het werk vrijwillig neer te leggen, op 30 maart 2017 met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. Kort daarop, namelijk op 4 april 2017, heeft Warande binnen haar organisatie kenbaar gemaakt dat de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zal worden beëindigd. Die gang van zaken wekt sterk de indruk van een ontslag op staande voet en is onnodig beschadigend voor [verwerende partij, tevens verzoekende partij] . Gesteld noch gebleken is immers dat sprake is van een dringende reden voor ontslag. In de gegeven omstandigheden valt niet in te zien waarom het noodzakelijk was dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] per direct het werk zou neerleggen. De noodzaak om al op 4 april 2017 binnen de organisatie kenbaar te maken dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op non-actief is gesteld en dat de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd is geen gevolg geweest van het handelen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] , zoals Warande suggereert. Uiteraard heeft [verwerende partij, tevens verzoekende partij] als goed werknemer haar secretaresse en haar belangrijkste contactpersonen binnen de organisatie direct op de hoogte moeten brengen van de reden van haar plotselinge afwezigheid. Warande had de verstrekkende consequenties van een non-actiefstelling onder ogen moeten zien, alvorens daartoe over te gaan. Daarnaast moet Warande worden aangerekend dat zij de Commissie van Advies en Bemiddeling in een zeer laat stadium heeft ingeschakeld, namelijk nadat zij haar besluit om afscheid te nemen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] had genomen, zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] op non-actief had gesteld, zij de OR en de CCR om advies had gevraagd over het voorgenomen afscheid van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en zij het aanstaande vertrek van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] kenbaar had gemaakt binnen de organisatie. Feitelijk was er op dat moment al geen weg meer terug. De bescherming die artikel 14 van de arbeidsovereenkomst [verwerende partij, tevens verzoekende partij] zou moeten bieden heeft Warande haar ontnomen. Warande heeft overhaast en onvoldoende doordacht gehandeld en heeft zich de belangen van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] onvoldoende aangetrokken. 5.12. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] verwijt Warande ook dat zij niet met haar in gesprek heeft willen gaan over de gestelde vertrouwensbreuk. Warande heeft in dit verband aangevoerd dat zij [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet bij machte heeft geacht om de noodzakelijke veranderingen bij Warande door te voeren. Er stonden grote projecten op stapel (vastgoed en organisatorische veranderingen). Diverse malen was de Raad van Toezicht gebleken dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] geen reëel beeld van de werkelijkheid had. Binnen de Raad van Toe Naast de ernst van het verwijt dat Warande treft moet naar het oordeel van de kantonrechter ook meewegen dat de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) op de arbeidsrelatie van toepassing is. Die wet maximeert de salarissen en ontslagvergoedingen die werkgevers en topfunctionarissen van instellingen met een publieke taak kunnen overeenkomen, omdat het publiek geld betreft dat primair aangewend dient te worden voor de publieke taak, in dit geval de zorg. De kantonrechter is weliswaar niet gebonden aan de in de WNT opgenomen maximering, maar dat neemt niet weg dat het doel en de strekking van die wet wel als relevante omstandigheid in de overwegingen wordt betrokken. Voorts overweegt de kantonrechter dat weinig aannemelijk is dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] – zoals zij heeft aangevoerd – tot aan haar pensionering zou zijn aangebleven als Warande zich jegens haar wel als goed werkgever had opgesteld. Vast staat immers dat Warande al sinds 2014 onder verscherpt toezicht van de IGZ stond en dat Warande onder leiding van [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet in staat is gebleken de door de IGZ geconstateerde tekortkomingen tijdig te verhelpen en de kwaliteit van de zorg vervolgens, op alle locaties, op peil te houden. Daarnaast zijn met grote regelmaat vestigingsmanagers bij Warande vertrokken, uit onvrede over het bestuur. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] kan dit alles in redelijkheid niet afschuiven op [G] , die pas in een laat stadium is aangetreden, op het moment dat Warande voor de tweede maal onder verscherpt toezicht van de IGZ kwam. Het standpunt van Warande dat [verwerende partij, tevens verzoekende partij] de omvang, aard en ernst van de problemen binnen Warande onvoldoende heeft onderkend en dat zij in januari 2017 nog steeds geen reëel beeld van de situatie had acht de kantonrechter niet ongegrond, met name gelet op de overgelegde verslagen van de 100-dagen gesprekken die de Raad van Toezicht met [verwerende partij, tevens verzoekende partij] en [G] afzonderlijk heeft gevoerd. Feit is dat er sinds 2014 serieuze problemen waren binnen Warande, die [verwerende partij, tevens verzoekende partij] niet althans onvoldoende heeft weten op te lossen. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft tegen de non-actiefstelling geprotesteerd en zij heeft aangeboden de overeengekomen werkzaamheden te hervatten. Het loon dat is doorbetaald gedurende de periode vanaf de non-actiefstelling tot de datum van deze uitspraak, dat is een periode van (ruim) 6 maanden, kan geen rol spelen bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding. Wel wordt in aanmerking genomen dat tussen partijen een lange opzegtermijn geldt van 6 maanden. Nu sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Warande kan de duur van deze procedure niet in mindering strekken op die opzegtermijn, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet eerder dan per 1 mei 2018 kan worden ontbonden (artikel 7:671b lid 8 BW). Dit komt neer op een periode van nog eens (ruim) 6 maanden, waarin [verwerende partij, tevens verzoekende partij] recht behoudt op het overeengekomen loon, zonder dat daar nog werkzaamheden tegenover staan. Alle omstandigheden in aanmerking genomen zal de billijke vergoeding worden bepaald op € 50.000,00 bruto. Warande krijgt tot uiterlijk 31 oktober 2017 de gelegenheid om het ontbindingsverzoek in te trekken (artikel 7:686a lid 6 BW). 5.16. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] vraagt vergoeding van gemaakte kosten van rechtsbijstand (in en buiten rechte), ten bedrage van € 7.000,00. [verwerende partij, tevens verzoekende partij] heeft dit bedrag niet onderbouwd en Warande voert daartegen verweer. Dit deel van het verzoek zal daarom worden afgewezen. De proceskosten worden, gelet op de aard van de rechtsverhouding, gecompenseerd in die zin, dat elk der partijen de eigen kosten draagt. Als Warande het ontbindingsverzoek tijdig intrekt, wordt zij veroor