Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2017-10-05
ECLI:NL:RBMNE:2017:5258
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 17/2580 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Belastingdienst / Toeslagen, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Bij besluit van 3 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 definitief berekend en vastgesteld op € 813,-. Daarbij heeft verweerder € 1.399,- aan teveel ontvangen kinderopvangtoeslag van eiser teruggevorderd. Bij besluit van 29 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2015 aangepast en vastgesteld op € 970,-. Daarbij heeft verweerder € 167,- aan te weinig ontvangen kinderopvangtoeslag aan eiser toegekend. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2015 voor 24 opvanguren per maand, gebaseerd op het totaal aantal gewerkte uren van eisers toeslagpartner, dat door het UWV voor 2015 is vastgesteld op 170 uur. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht en aan de hand van een berekening inzichtelijk gemaakt dat - in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit is vermeld - eiser eigenlijk voor 2015 slechts recht heeft op kinderopvangtoeslag voor 20 opvanguren per maand en op een bedrag aan kinderopvangtoeslag van € 813,-. Verweerder heeft echter toegezegd dat de hoogte van de toeslag die bij het bestreden besluit is vastgesteld niet alsnog ten nadele van eiser zal worden aangepast. 3. Ter zitting is vastgesteld dat eiser de berekening van verweerder van de kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2015 op zichzelf niet betwist en dat verweerder is uitgegaan van een juist aantal opvanguren en het juiste aantal gewerkte uren van eisers toeslagpartner. Deze berekening leidt uiteindelijk tot een recht op kinderopvangtoeslag van € 813,-, en is dus lager dan de € 970,- die verweerder bij het bestreden besluit had vastgesteld. 4. Eiser heeft aangevoerd dat hij erop heeft mogen vertrouwen dat het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2015, dat nagenoeg gelijk was aan de definitieve kinderopvangtoeslag over 2014, juist was berekend en dat hij daarop aanspraak kon maken. Eiser heeft erop gewezen dat hij over berekeningsjaar 2014 een hoger bedrag aan kinderopvangtoeslag heeft ontvangen dan over berekeningsjaar 2015, terwijl de situatie over de beide jaren nagenoeg gelijk was. Het bruto inkomen van zijn toeslagpartner over 2015 was weliswaar iets lager dan het bruto inkomen over 2014, maar dit rechtvaardigt volgens eiser niet zo een groot verschil aan kinderopvangtoeslag zoals dat nu het geval is. 5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het recht op kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2014 niet juist is vastgesteld. Over berekeningsjaar 2014 heeft geen controle plaatsgevonden, waardoor eiser een hoger bedrag aan toeslag heeft ontvangen dan waarop hij feitelijk recht had. Omdat de kinderopvangtoeslag over berekeningsjaar 2014 al definitief is vastgesteld, zal verweerder deze niet meer wijzigen. Eiser kan hieraan echter geen rechten ontlenen voor wat betreft berekeningsjaar 2015. 6. Het betoog van eiser slaagt niet. Zoals ter zitting is besproken, is het systeem van toeslagen zo ingericht dat op aanvraag van een betrokkene een voorschot wordt