Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2016-12-16
ECLI:NL:RBMNE:2016:7788
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,776 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 15/2391 en UTR 15/2212
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2016 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiseres 2] , te [woonplaats] , eisers
wettelijk vertegenwoordigd door: [A] en [B]
(gemachtigde: mr. K.A. Krikke),
en
Achmea Divisie Zorg en Gezondheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Punt).
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de reeds afgegeven toekenningsbeschikkingen persoonsgebonden budget (pgb) gewijzigd en de verantwoording van het pgb van [eiser 1] (hierna [voornaam van eiser 1] ) alsnog afgewezen over de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013. Tevens heeft verweerder een bedrag van € 58.275,- teruggevorderd.
Bij besluit van 20 januari 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de reeds afgegeven toekenningsbeschikkingen pgb gewijzigd en de verantwoording van het pgb van [eiseres 2] (hierna [voornaam van eiseres 2] ) alsnog afgewezen over de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013. Tevens heeft verweerder een bedrag van € 52.002,50,- teruggevorderd.
Bij besluiten van 11 maart 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepen
geregistreerd onder zaaknummers UTR 15/2391 ( [voornaam van eiser 1] ) en UTR 15/2212 ( [voornaam van eiseres 2] ).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens waren namens eisers aanwezig hun ouders en wettelijk vertegenwoordigers de heer [A] en mevrouw [B] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. [voornaam van eiser 1] en [voornaam van eiseres 2] hebben een pgb toegekend gekregen over de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2013 (hierna: de periode in geding) Van het pgb hebben zij zorg ingekocht bij, onder meer, Stichting Vrienden van Tom en/of Onzichtbaar Anders (hierna: VVT). De bestuurder van VVT, mevrouw [C] (hierna [C] ), is door deze rechtbank bij vonnis van 18 april 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:1493) strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer fraude met pgb-gelden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [C] samen met budgethouders formulieren waarin pgb werd verantwoord, valselijk heeft opgemaakt, alsmede dat [C] de budgethouders regelmatig expliciet heeft benaderd om het pgb-geld dat ‘over was’ met haar te delen.
2. Verweerder heeft de toekenningsbeschikkingen pgb van [voornaam van eiser 1] en [voornaam van eiseres 2] over
de gehele periode ingetrokken op grond van artikel 4:48 juncto 4:49, eerste lid, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft aan de intrekkingen ten grondslag gelegd dat eisers zich bij de verantwoording van het pgb niet hebben gehouden aan de verplichtingen zoals neergelegd in artikel 2.6.9 van de Regeling Subsidies AWBZ (hierna: de Regeling). Eisers hebben niet aangetoond dat het pgb is besteed aan kwalitatief verantwoorde zorg. Daarnaast zijn de ter verantwoording van de ingekochte zorg opgemaakte facturen en de verantwoordingsformulieren tegenstrijdig met elkaar en dus onjuist en niet naar waarheid ingevuld. Dit blijkt volgens verweerder uit het volgende:
Uit het strafrechtelijk onderzoek komt naar voren dat gelden die op de privé-bankrekening van [C] zijn overgemaakt niet voor zorg aan de budgethouder zijn besteed. Het werd of verdeeld tussen de ouders en [C] of het werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder in kwestie;
De ouders van [voornaam van eiser 1] en [voornaam van eiseres 2] zijn als verdachte aangemerkt voor het valselijk opmaken van verantwoordigingsformulieren op naam van de kinderen. Bij het transactiegesprek taakstraf op 25 september 2014 met de officier van justitie heeft de officier van Justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat zij zich beiden schuldig hebben gemaakt aan verduistering van pgb geld. In dit kader heeft de heer [A] een werkstraf van 15 uur geaccepteerd en mevrouw [B] een werkstraf van 50 uur;
Eisers hebben in de periode in geding in totaal een bedrag van € 8.000 overgemaakt naar de privé-bankrekening van [C] . [C] heeft in totaal een bedrag van € 9.300,- teruggestort vanaf haar privé-bankrekening naar eisers;
Eisers zijn een van de 48 budgethouders genoemd onder 4.3 van het vonnis van 18 april 2014. Dit staat niet ter discussie;
Verweerder heeft de bedragen van het gehele pgb, voor zover dat was aangewend voor zorg door VVT en [C] , dat was toegekend in de periode van juli 2008 tot en met juni 2013 teruggevorderd omdat door het vervalsen van stukken de hele besteding van het pgb in twijfel wordt getrokken.
3. Over het geld dat is gestort op de privérekening van [C] hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat dit niet wijst op fraude. Zij hadden immers een overeenkomst met [C] in privé en [C] heeft hiervoor zorg verleend, hetgeen eisers hebben verantwoord. Eisers hebben voorts gesteld dat het geld dat [C] vanaf haar privérekening gestort is op hun bankrekening de terugbetaling van een lening betrof. Nu deze rekening niet een pgb-rekening van de kinderen betrof, wijst dit evenmin op fraude, aldus eisers.
4. Aangezien het belastende besluitvorming betreft, is het aan verweerder om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden. Dit betekent dat op verweerder in beginsel de last rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking van de vaststellingsbeschikkingen, afwijzing van de verantwoordingen en terugvordering is voldaan. Indien verweerder hierin slaagt, ligt het op de weg van eisers de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
5. De rechtbank stelt voorop dat nu verweerder over de jaren 2008 tot en met 2012 reeds vaststellingsbesluiten had genomen, de in geding zijnde besluitvorming ten aanzien van deze periode ziet op de intrekking hiervan. De grondslag hiervoor is artikel 4:49 van de Awb. Artikel 4:49, eerste lid, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld;
b. indien de subsidievaststelling onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten.Omdat het vaststellingsbesluit een definitieve aanspraak op financiële middelen vestigt, moet een dergelijk besluit in beperktere mate intrekbaar zijn dan een verleningsbesluit. Ten tijde van de vaststelling kan al worden beoordeeld of de activiteiten hebben plaatsgevonden en de verplichtingen zijn nagekomen. Daarom is in artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb bepaald, dat de vaststelling op deze gronden slechts kan worden ingetrokken, voor zover de desbetreffende feiten of omstandigheden het bestuursorgaan bij de vaststelling niet bekend konden zijn (Kamerstukken II, 1993/94, 23 700, nr. 3, blz. 77 en Centrale Raad van Beroep, 16 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1398)).
Met betrekking tot het eerste half jaar van 2013 is artikel 4:48 van de Awb van toepassing, omdat verweerder terzake nog geen vaststellingsbesluit had genomen. Op grond van dit artikel kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken indien, onder meer, de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.
In artikel 2.6.9, eerste lid, van de Regeling staan de verplichtingen die aan de subsidie-ontvanger worden opgelegd bij de verlening van het pgb.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 4:49, eerste lid, onder a, van de Awb bevoegd was tot intrekking van het aan eisers verleende en vastgestelde pgb. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de besteding van pgb gelden bij VVT. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 juli 2013. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder niet eerder dan na dit onderzoek op de hoogte was van de onregelmatigheden bij VVT. De rechtbank is voorts met betrekking tot de gehele periode in geding van oordeel dat eisers zich niet hebben gehouden aan de verplichtingen zoals genoemd in de Regeling en dat verweerder op grond van artikel 4:48 van de Awb ook bevoegd was het pgb over de eerste helft van 2013 in te trekken.
7. De rechtbank legt hier het volgende aan ten grondslag. Uit het strafrechtelijk onderzoek tegen [C] is gebleken dat de bedragen op de pgb verantwoordingsformulieren niet overeenkomen met die in de bedrijfsadministratie van VVT. Er is geconstateerd dat uit het pgb betalingen zijn verricht op de privérekening van [C] . De pgb-gelden die op de privérekening van [C] overgemaakt zijn, zijn volgens het strafrechtelijk onderzoek, niet voor zorg aan de budgethouders besteed. Het geld werd verdeeld tussen de ouders en [C] of werd benut voor zorg aan anderen dan de budgethouder. Dit is bevestigd door [C] , de administrateurs en ouders. Uit het hiervoor onder 6 vermelde strafrechtelijk onderzoek en de door verweerder overgelegde transactieoverzichten (processtuk 54) blijkt voorts dat ook namens eisers geld is overgemaakt op de privérekening van [C] en dat [C] geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van eisers. De ouders van eisers hebben in totaal € 8.000,- gestort op de privé-bankrekening van [C] . Voorts is er een bedrag van € 9.300,- door [C] op een bankrekeningnummer van de moeder van eisers gestort.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, voorzitter, en mr. C.M. Dijksterhuis en
mr. E.G.J. Broekhuizen, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.