Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2016-01-22
ECLI:NL:RBMNE:2016:7614
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,617 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/406694 / KG ZA 15-965
Vonnis van 22 januari 2016
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [eiser] ,
eiser,
advocaat mr. L.H. Haarsma,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat mr. J.G.J. Elslo,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat mr. L.H. Haarsma,
3. [gedaagde sub 3],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
advocaat mr. L.H. Haarsma,
4. [gedaagde sub 4],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
advocaat mr. J.G.J. Elslo,
5. [gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 5] ,
advocaat mr. J.G.J. Elslo,
6. [gedaagde sub 6],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 6] ,
advocaat mr. L.H. Haarsma,
gedaagden.
1Het verzoek
1.1.
Bij faxbericht van 14 januari 2016 heeft mr. Haarsma namens eiser de voorzieningenrechter verzocht om het op 13 januari 2016 in deze zaak gewezen vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft gedaagden in de gelegenheid gesteld om zich over dit verzoek uit te laten. Bij faxbericht van 20 januari 2016 heeft mr. Elslo namens gedaagden aan de voorzieningenrechter bericht tegen inwilliging van het verzoek de volgende bezwaren te hebben. Volgens gedaagden is de vordering om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afgewezen, nu in het dictum onder 5.3. van het vonnis is vermeld: “wijst het meer of anders gevorderde af”. Daarnaast staat het hoger beroep tegen het vonnis van 13 januari 2016, dat gedaagden op 14 januari 2016 hebben ingesteld, volgens gedaagden in de weg aan aanvulling of verbetering van het vonnis. Gedaagden hebben zich tevens op het standpunt gesteld dat in deze zaak het restitutierisico en het ontbreken van een spoedeisend belang in de weg staan aan aanvulling of verbetering van het vonnis.
Beoordeling
2.1.
De voorzieningenrechter begrijpt uit de brief van mr. Haarsma dat zij verzoekt het vonnis van 13 januari 2016 te verbeteren overeenkomstig artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) of aan te vullen overeenkomstig artikel 32 Rv. Zij schrijft immers dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard terwijl daar wel om is verzocht en hiervoor ook geen reden in het vonnis is opgenomen. Mr. Elslo heeft blijkens zijn brief van 20 januari 2016 het verzoek ook op die manier begrepen.
2.2.
In artikel 32 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis, arrest of beschikking aanvult, indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde of verzochte. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.
2.3.
In de procedure leidende tot het vonnis van 13 januari 2016 heeft eiser bij dagvaarding (onder meer) gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard. Volgens gedaagden dienden de vorderingen van eiser te worden afgewezen. Hierbij is geen expliciet verweer gevoerd tegen de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Wel hebben gedaagden zich in het kader van de hoofdvordering op het standpunt gesteld dat een spoedeisend belang ontbreekt en dat er sprake is van een restitutierisico. De voorzieningenrechter heeft hierover, blijkens het vonnis, anders geoordeeld. Dit staat dan ook niet in de weg aan uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis. De voorzieningenrechter heeft echter verzuimd te beslissen op de uitvoerbaar bij voorraadverklaring. De omstandigheid dat in het dictum onder 5.3. is vermeld dat het meer of anders gevorderde is afgewezen, doet daar niet aan af (HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9435). Daarnaast wordt overwogen dat het instellen van hoger beroep tegen het vonnis niet met zich brengt dat de voorzieningenrechter het vonnis niet meer kan aanvullen. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen en het vonnis van 13 januari 2016 alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Dictum
De voorzieningenrechter
3.1.
vult het vonnis van 13 januari 2016, in deze zaak gewezen, aan aldus dat het dictum dient te luiden:
“5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van executeur tot betaling van een voorschot aan [eiser] , op het rekeningnummer van [eiser] , van een bedrag van € 25.000,-, binnen één dag na betekening van het vonnis;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, aldus dat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.”
3.2.
bepaalt dat deze aanvulling onder de vermelding van de datum 22 januari 2016 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 13 januari 2016,
3.3.
bepaalt dat het vonnis van 13 januari 2016 voor het overige in stand blijft,
3.4.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 13 januari 2016 na ontvangst van dit vonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.
type: WJ(M
coll: