Rechtspraak Rechtbank Middelburg 2007-05-02
ECLI:NL:RBMID:2007:BA4782
Bestuursrecht
RECHTBANK MIDDELBURG Sector bestuursrecht AWB nummer: 06/1074 Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken inzake VOF Zeevisserijbedrijf Cornelia, gevestigd te Breskens, eiseres, gemachtigde mr. J.M.E. Schieman, advocaat te Middelburg, tegen Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te Den Haag, verweerder. I. Procesverloop Bij besluit van 13 april 2006 heeft verweerder de visvergunning voor het visserijvaartuig van eiseres, BRU-14 ‘Cornelia’, met ingang van 24 april 2006 voor een periode van drie weken geschorst. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zij heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 24 april 2006 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 23 augustus 2006 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het beroep is op 15 februari 2007 ter zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak met kenmerk 06/1075. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Nagel. Ter zitting is het onderzoek in de zaak gesloten. II. Overwegingen 1. Het besluit van 13 april 2006 om de visvergunning te schorsen, is genomen naar aanleiding van het feit dat op 30 maart 2006 tijdens een visserijcontrole binnen de visserijzone van het Verenigd Koninkrijk aan boord van het bij eiseres in eigendom zijnde visserijvaartuig BRU-14 ‘Cornelia’ zowel in het net aan bakboordzijde als in het net aan stuurboordzijde een zogeheten binnenkuil is aangetroffen. 2. Bij onherroepelijk vonnis van 31 maart 2006 van de Engelse strafrechter te Dover zijn eiseres en de schipper van het vaartuig veroordeeld tot een geldboete van respectievelijk € 11.376,-- en € 18.100,--. Voorts zijn de in beslag genomen vis, vier binnenkuilen alsmede twee boorkorren met netten en toebehoren verbeurd verklaard. 3. In geschil is of het bestreden besluit waarbij verweerder de schorsing heeft gehandhaafd, op goede gronden is genomen. In het bijzonder is de vraag aan de orde of de schorsing als een punitieve maatregel of als een herstelmaatregel is te beschouwen. 4. Eiseres heeft aangevoerd dat de schorsing, gelet op de strekking van de voorziening, een punitieve maatregel is. De schorsing heeft volgens eiseres niet tot gevolg dat daardoor de legale toestand wordt hersteld maar het gaat om het toebrengen van leed in de zin van geïndividualiseerd concreet nadeel. Van gerichtheid op het ongedaan maken van ecologische effecten is geen sprake. Het gebruik van de netvoorziening heeft tot doel meer maatse vis te vangen. Deze vis slipt zonder de voorziening gemakkelijk door het net. Voor zover met de voorziening ondermaatse vis wordt gevangen, wordt deze terug gezet en er treedt aldus geen ecologische schade op. Met de maatregel is dan ook een straf opgelegd. Daarvan uitgaande is onder meer gesteld dat de overtreding bij vonnis van 31 maart 2006 strafrechtelijk is afgedaan waardoor het Openbaar Ministerie geen bevoegdheid toekomt eiseres in Nederland te vervolgen. Voorts is aangevoerd dat de Visserijwet 1963 niet voorziet in bestuursrechtelijke handhaving in de zin van het opleggen van een punitieve sanctie. Gelet op het punitieve karakter van de maatregel is artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) van toepassing. Als gevolg van de maatregel is de concurrentiepositie ten opzichte van andere bedrijven in de sector benadeeld. Dit kan betekenen dat het voortbestaan van de onderneming in gevaar komt. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling door de Engelse rechter had verweerder van het opleggen van de maatregel kunnen afzien. De door de schorsing opgetreden schade is begroot op € 43.785,-- en het verzoek is verweerder tot betaling van dit bedrag te veroordelen. 5. Verweerder heeft, onder verwijzing naar de toelichting bij de wijziging van de Regeling visvergunning, gesteld dat er sprake is van een herstelsanctie. De maatregel is gericht op het compenseren van de gevolgen van de overtreding en niet op leedtoevoeging. Het gaat om het ongedaan maken van de ecologische effecten van het vissen met een verboden netvoorziening. Er is teveel vis gevangen van te kleine afmetingen en ter compensatie mag tijdens de schorsing niets worden gevangen waardoor het bestand rust wordt gegund. Door het vissen met de verboden voorziening krijgt minder net aan de maat zijnde vis de kans ouder te worden, hetgeen nadelige gevolgen voor de visstand heeft. Het gaat tevens om het terugdraaien van het economisch voordeel dat is behaald. Het tegengaan van het gebruik van verboden netvoorzieningen is een regel van gemeenschappelijk visserijbeleid waartoe artikel 25 van EG-verordening 2371/2002 verplicht. De lidstaten hebben vrijheid in de keuze van de maatregel. Gelet op de strafrechtelijke vervolging in Engeland is gekozen voor de kortst mogelijke periode van schorsing. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 7. Op grond van artikel 25 van EG-Verordening 2371/2002 dienen lidstaten bij overtreding van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid maatregelen te treffen overeenkomstig hun nationale recht. In deze zaak gaat het om de Visserijwet 1963 en de daarop gebaseerde algemeen verbindende voorschriften. Volgens artikel 3, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 is de minister bevoegd in het belang van de visserij regelen te stellen: a. ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden; b. ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling technische maatregelen 2000 bepaalt dat het verboden is voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen, tenzij dit is toegestaan op grond van artikel 16 van EG-Verordening nummer 850/98. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling visvergunning kan de minister de visvergunning voor een bepaalde periode schorsen of intrekken indien naar het oordeel van de minister met het vissersvaartuig de visserij kennelijk is uitgeoefend in strijd met onder andere de artikelen 2 tot en met 4 van de Regeling technische maatregelen 2000. Artikel 3, vierde lid, van de Regeling visvergunning luidt: De periode bedoeld in het derde lid is niet korter dan 3 weken en niet langer dan 8 weken en wordt vastgesteld afhankelijk van de ernst en omvang van de overtreding. De toelichting bij de Wijziging Regeling visvergunning (10 juni 2005, nr. TRCJZ/ 2005/1822, gepubliceerd: Staatscourant 14 juni 2005, nummer 112, pagina 12) luidt, voor zover van belang: Op grond van artikel 3, derde lid, van de Regeling visvergunning heeft de minister de bevoegdheid om bij bepaalde overtredingen de visvergunning te schorsen of in te trekken. Met de onderhavige wijziging van de Regeling visvergunning wordt deze bevoegdheid geconcretiseerd. Met het oog op de rechtszekerheid wordt de minimum- en maximumtermijn voor het schorsen of intrekken vastgesteld. Binnen deze grenzen kan de minister naar gelang de ernst en omvang van de overtreding de vergunning voor een bepaalde periode schorsen of intrekken. Uitgangspunt is dat de maatregel die wordt getroffen naar aanleiding van een overtreding zwaar genoeg is om de gevolgen van de overtreding te compenseren. 8. De rechtbank stelt vast dat de overtreding als zodanig geen onderwerp van geschil is. Er is sprake geweest van een overtreding van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling technische maatregelen 2000.