Rechtspraak 1998-12-03
ECLI:NL:RBMID:1998:AA3741
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr.: 98 / 400 BELEI K1 Inzake : A te B, eiser, tegen : het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Roermond, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 17 maart 1998, kenmerk: 1998/2065. Datum van terechtzitting: 27 oktober 1998. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Namens eiser heeft mr. Th.P.J. Hanssen, advocaat te Roermond, op 24 april 1998 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder d.d. 17 maart 1998, waarbij is beslist op een bezwaarschrift van eiser tegen een eerder besluit van 16 december 1997 inzake toepassing van de Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna verder te noemen: de Wvg). Nadat verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken had ingezonden en partijen nog nadere stukken hadden ingezonden, is het beroep behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 27 oktober 1998. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hanssen voornoemd en verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. A.J.M. Sampers-Schlicher en mr. M.R.V. Buurman, beiden werkzaam ter secretarie van de gemeente Roermond. II. OVERWEGINGEN. In de Staatscourant van 23 december 1997 heeft verweerder met toepassing van artikel 4, eerste lid van de Wvg bekend gemaakt dat hij op 16 december 1997 ingevolge artikel 8a van die wet heeft besloten de raad van de gemeente Roermond voor te stellen om op grond van de artikelen 2 en 8 gronden die gelegen zijn in het gebied genaamd "Musschenberg", aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. Daarbij is tevens bekend gemaakt dat het voorstel op grond van artikel 9 van de Wvg wordt aangemerkt als een besluit, zodat daartegen ingevolge de Awb bezwaar en beroep openstaat, en dat het besluit in werking treedt de dag na de bekendmaking. Eiser, (mede)eigenaar van een viertal percelen in genoemd gebied, heeft bij brief van 19 januari 1998 van zijn gemachtigde aan de gemeenteraad zijn zienswijzen tegen genoemd besluit van verweerder bekend gemaakt. Primair heeft de gemachtigde van eiser in die zienswijzen aangegeven dat het bestemmingsplan "Musschenberg" al door de gemeenteraad is vastgesteld en door Gedeputeerde Staten (gedeeltelijk) is goedgekeurd, en dat verweerder daarom ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid van artikel 8a van de Wvg. Op 29 januari 1998 heeft de gemachtigde van eiser aan verweerder laten weten, dat hij van de gemeentesecretaris heeft vernomen dat verweerder afziet van de vestiging van het voorkeursrecht en hij vordert daarom -gezien het evidente onrechtmatige besluit- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, te begroten op een bedrag van fl. 1.000,00. Verweerder heeft als reactie op de ingediende zienswijzen van 19 januari 1998 bij brief van 2 februari 1998 aan de gemachtigde doen weten dat het voorstel van de raadsagenda van 29 januari 1998 is afgevoerd, dat voor het gebied "Musschenberg" al een bestemmingsplan is vastgesteld en het daardoor niet mogelijk was een besluit op grond van artikel 8a van de Wvg te nemen; verder heeft verweerder aangekondigd zich na bestudering van de ingediende zienswijzen en bezwaarschriften te zullen beraden over de eventueel te nemen vervolgstappen. De gemachtigde van eiser heeft bij bezwaarschrift, per fax verzonden op 3 februari 1998, namens eiser bezwaar gemaakt bij verweerder tegens diens besluit van 16 december 1997. Naast verwijzing naar de ingediende zienswijzen wordt in dat bezwaarschrift naar voren gebracht dat verweerder de kosten die eiser aan rechtsbijstand heeft gemaakt dient te vergoeden, omdat verweerder tegen beter weten in een evident onrechtmatig besluit heeft genomen en eiser zich genoodzaakt heeft gezien een raadsman in te schakelen. Eiser vordert vernietiging van het b Uit de bewoordingen van verweerders beslissing van 16 december 1997 zoals weergegeven in de Staatscourant blijkt duidelijk dat is beoogd toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8a, eerste lid van de Wvg en dat bedoeld is de gemeenteraad voor te stellen een besluit te nemen op grond van de artikelen 2 en 8 van die wet. Dat aanwijzing ingevolge artikel 8 niet mogelijk was, omdat het bestemmingsplan "Musschenberg" al goedgekeurd is, en dat verweerder dus niet bevoegd was tot toepassing van het bepaalde in artikel 8a, eerste lid is duidelijk en inmiddels tussen beide partijen niet in geschil. Het besef achteraf bij verweerder dat hij niet bevoegd was doet niet af aan het feit dat hij bij het nemen van de beslissing en bij de publicatie van het voorstel in de Staatscourant het oogmerk had tot zodanige toepassing. Hij heeft daarmee ook beoogd het (onbevoegd gebleken) voorstel het rechtsgevolg van een besluit te geven zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8a van de Wvg. Een volgende vraag is echter of het oogmerk om -door het doen van een voorstel op grond van artikel 8a van de Wvg- het rechtsgevolg van een besluit tot stand te brengen voldoende is om te spreken van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, ook als dat rechtsgevolg feitelijk niet intreedt zoals in casu, omdat het voorstel onbevoegdelijk is gedaan. Omdat het bij een besluit -zoals hierboven al gezegd- gaat om een handeling gericht op rechtsgevolg en niet vereist is dat een rechtsgevolg is ingetreden moet volgens de rechtbank worden geconcludeerd, dat ook verweerders voorstel, gedaan met het oogmerk het rechtsgevolg van een besluit te bereiken is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 staat tegen een zodanig besluit bezwaar en beroep open, tenzij op grond van een der volgende artikelen uit hoofdstuk 8 beroep uitgezonderd zou zijn. Dat laatste is niet het geval. Verweerder heeft eisers bezwaarschrift tegen die beslissing dan ook ten onrechte, in strijd met voormelde bepalingen, niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zal de rechtbank het beroep tegen dit besluit tot niet- ontvankelijkverklaring gegrond verklaren. Aangezien duidelijk is dat het besluit van 16 december 1997 onbevoegd was genomen, had verweerder in zijn besluit op het bezwaarschrift het bezwaar ontvankelijk en gegrond dienen te verklaren en dienen vast te stellen dat het primaire besluit van 16 december 1997 van rechtswege nietig is. De rechtbank ziet aanleiding in zijn beslissing op het beroep toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid van de Awb op de wijze als aan te geven in rubriek III. Ook zal de rechtbank toepassing geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb. De vordering van eisers gemachtigde om de gemeente op te dragen de aanwijzing ingevolge de Wvg te doen vervallen en geen voorkeursrecht in te roepen ter zake van de percelen in eigendom van eiser gedurende twee jaren vanaf verval van de aanwijzing komen niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien zij het onderhavige geschil te buiten gaan. Nu de rechtbank zal overgaan tot gegrondverklaring van het beroep, zal zij vervolgens bezien of er aanleiding is op grond van artikel 8:73 van de Awb, aangezien eiser daarom heeft verzocht, de gemeente Roermond te veroordelen tot vergoeding van schade. Zoals de rechtbank opmaakt uit hetgeen eisers gemachtigde in zijn pleitnotitie heeft aangegeven en uit de tevoren ingezonden specificaties zou de schade die eiser heeft geleden als gevolg van het -volgens hem evident- onrechtmatige besluit van 17 maart 1998 bestaan uit kosten gemaakt door eiser, door zijn gemachtigde mr. Hanssen en door de belastingadviseur mr. Donners (die in de onderhavige procedures niet is opgetreden als gemachtigde van eiser, maar wel is opgetreden als gemachtigde in enkele vergelijkbare procedures van derden wier beroepen echter zijn ingetrokken) voor het voeren van de procedures in het kader van zienswijzen, bezwaar en beroep a