Rechtspraak 1999-09-01
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA7004
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Reg. nr: 98/1366 GEMWT Z KLR Inzake : D-reizen Vakantie Voordeelwinkels B.V., eiseres, tegen : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard, verweerder. Datum van het bestreden besluit: 28 juli 1998. Kenmerk: 75731. Datum zitting: 18 augustus 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 juli 1998 (verzonden op 3 augustus 1998) heeft verweerder beslist op het namens eiseres op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn -hieronder nader te duiden- besluit van 13 maart 1998 en laatstgenoemd besluit (de facto) gehandhaafd. Tegen het besluit van 28 juli 1998 is namens eiseres bij schrijven van 10 september 1998 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Verweerder heeft op 17 november 1998 een verweerschrift ingezonden. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. De stukken uit de -hieronder nader te duiden- procedure met nummer 98/551 zijn ad informandum gevoegd bij de op het onderhavige beroep betrekking hebbende stukken. Partijen zijn hiervan bij schrijven van 27 juli 1999 in kennis gesteld. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 augustus 1999, alwaar voor eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. R.F.J. Tophoven, advocaat te Woerden. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.F.M. Giesen, ambtenaar der gemeente. II. OVERWEGINGEN. Eiseres heeft zich op 24 september 1997 middels een formulier "aanvraag bouwvergunning" tot verweerder gewend met het verzoek een vergunning te verlenen voor het aanbrengen van lichtreclames aan de gevel van haar filiaal gelegen aan de Misboekstraat 5 te Sittard. Dit formulier is blijkens de stukken op 30 september 1997 door verweerder ontvangen. Bij besluit van -kennelijk- 23 december 1997 heeft verweerder geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen, onder de overweging dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit besluit is bij schrijven van 6 januari 1998 (verzonden op 12 januari 1998) aan eiseres bekendgemaakt. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Door of namens eiseres zijn de litigieuze lichtreclames vervolgens toch aangebracht, hetgeen naar het oordeel van verweerder is geschied zonder dat eiseres beschikt over de daarvoor ingevolge artikel 44 van de Woningwet vereiste vergunning. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 13 maart 1998 (verzonden op 20 maart 1998) heeft verweerder eiseres dan ook aangeschreven de illegaal aangebrachte reclames te verwijderen. Eiseres heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder, alsook de president van de rechtbank doen verzoeken terzake een voorlopige voorziening te treffen; laatstgenoemde procedure is alhier geregistreerd onder nummer 98/551. Van de zijde van eiseres is -zakelijk weergeven- alsdan betwist dat verweerder (nog) bevoegd was het bestreden besluit te nemen, nu de gevraagde bouwvergunning geacht moet worden van rechtswege te zijn verleend omdat verweerder niet binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag zijn besluit aan eiseres heeft medegedeeld. Bij uitspraak van 8 mei 1998 (BR 1998, 750) heeft de president -voorzover in dezen relevant- bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van verweerder van 13 maart 1998 voor onbepaalde tijd geschorst. Daartoe is overwogen dat ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Woningwet, zoals deze wet voor de inwerkingtreding van de Awb luidde, een bouwvergunning geacht werd van rechtswege te zijn verleend indien burgemeester en wethouders hun beslissing niet binnen drie maanden na de dag van ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de aanvrager hadden med Met de term bekendmaking wordt gedoeld op het zodanig ter kennis brengen van een besluit aan de daarbij betrokkenen dat dit besluit zijn werking als rechtshandeling kan verkrijgen. In de Memorie van Toelichting bij dit artikel (Tweede Kamer, 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 81/82) wordt in dat verband het volgende opgemerkt: Een besluit van een bestuursorgaan is gericht op het tot stand brengen van rechtsgevolgen, waaraan ook burgers kunnen zijn gebonden. Het is vanzelfsprekend dat de rechtsgevolgen niet intreden voordat dit aan de bij het besluit betrokken burgers bekend is gemaakt. Zolang het besluit intern is gebleven, heeft het derhalve nog niet de gevolgen van een rechtshandeling. (...) De bekendmaking is dus een constitutief vereiste. De rechtbank begrijpt deze passage aldus, dat de bekendmaking van een besluit een constitutief vereiste is voor verkrijgen externe rechtskracht, in die zin dat burgers door dit besluit (kunnen) worden gebonden. Zolang geen bekendmaking heeft plaatsgevonden is er weliswaar sprake van een besluit (in de zin van de Awb), doch heeft dit besluit geen externe werking en kunnen de met het besluit beoogde rechtsgevolgen niet intreden. Indien in wet- of regelgeving wordt gesproken van "beslissen" (in de zin van: het nemen van een besluit), hoeft daarmee niet zonder meer uitsluitend de totstandkoming van dat besluit te zijn bedoeld. De betekenis van een dergelijke term zal bepaald moeten worden aan de hand van uitleg van de toepasselijke wettelijke voorschriften. Daarbij zal de aard, het karakter of het belang van een bepaald besluit kunnen meebrengen dat onder "het nemen van een besluit" tevens de bekendmaking moet worden begrepen. Dit is naar het oordeel van de rechtbank (ook) het geval bij (een besluit ingevolge) artikel 46, eerste lid, van de Woningwet, waarbij de rechtbank voorts in aanmerking heeft genomen dat deze opvatting -welke overigens ook in de literatuur wordt verdedigd (zie onder meer: P.J.J. van Buuren c.s., Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, 2e druk, p. 194/195)- het meest recht doet aan de bedoeling van de wetgever, daar uit de hierboven aangehaalde overwegingen in de uitspraak van de president van 8 mei 1998 moet worden afgeleid dat de wetgever met de bij de inwerkingtreding van de Awb in artikel 46 van de Woningwet doorgevoerde aanpassingen geen wijzigingen heeft beoogd in het voordien geldende stelsel waarin een beslissing op een aanvraag om een bouwvergunning zowel binnen de in artikel 46, eerste lid, van de Woningwet genoemde termijn diende te zijn genomen als te zijn medegedeeld aan de aanvrager, teneinde het ontstaan van een rechtswege verleende bouwvergunning te voorkomen. In het licht van de hier bedoelde wetsgeschiedenis dient ook verweerders grief dat de zienswijze van de president een onaanvaardbare verkorting van de (beslis)termijn met zich zou brengen, te worden verworpen. In het onderhavige geval is niet in geschil dat verweerder in zijn vergadering van 23 december 1997 een beslissing heeft genomen op de aanvraag van eiseres om een bouwvergunning. Dit besluit is kenbaar uit de besluitenlijst van deze vergadering (aan de omstandigheid dat blijkens de stukken het besluit is bevestigd in de vergadering van verweerder van 13 januari 1998 komt naar het oordeel van de rechtbank in dezen geen gewicht toe). Evenmin is in geschil dat dit besluit (eerst) bij schrijven van 6 januari 1998, verzonden op 12 januari 1998 aan eiseres is bekendgemaakt. Nu in de Woningwet niet is voorzien in een -van de Awb afwijkende- regeling met betrekking tot de inwerkingtreding van ingevolge deze wet genomen besluiten, moet worden geoordeeld dat artikel 3:40 van de Awb onverkort van toepassing is ten aanzien van de inwerkingtreding van verweerders besluit van 23 december 1997 waarbij afwijzend is beschikt op de door eiseres verzochte bouwvergunning. Op deze datum is slechts een intern besluit tot stand gekomen: de met het besluit beoogde rechtsgevolgen zijn eerst ingetreden op het moment dat het be