Rechtspraak 1999-12-22
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA4269
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT Reg.nrs.: 99 / 1644 AW V en 99 / 1645 AW VV BOR Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van evengenoemde wet in het geschil tussen: A te B, eiser, en het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade, verweerder. Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 11 november 1999, kenmerk 1999u.7042. Datum van behandeling ter zitting: 15 december 1999 I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit van 11 november 1999, verzonden 12 november 1999, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen het functiewaarderings besluit van 13 oktober 1997 gedeeltelijk ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 29 november 1999 beroep ingesteld. Tevens heeft eiser zich gewend tot de president van deze rechtbank met het verzoek terzake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuurs recht (Awb). De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 juncto 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 9 december 1999 in afschrift aan eiser gezonden. Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 december 1999, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. G. Deserno-Thomas, dhr. H.M.H. Bracun en C.J.C.J. Mijnes, allen werkzaam bij de Staf Personeel en Organisatie van de gemeente Kerkrade. II. OVERWEGINGEN. II.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de president, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Na kennisneming van de stukken en na behandeling van het verzoek ter zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De president doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Dienaangaande wordt het navolgende overwogen. II.2. Bij besluit van 14 oktober 1999 is eiser meegedeeld dat de functie van secretaris Centrale Bezwaarschriftencommissie op grond van artikel 7 van de Regeling Funktiewaardering gemeente Kerkrade 1997, conform het advies van de waarderingscommissie, wordt gewaardeerd in schaal 10. Op 20 november 1997 heeft eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij schrijven van 13 februari 1998 en 21 december 1998 heeft de Centrale Bezwaarschriftencommissie eiser meegedeeld dat de bezwaarprocedure van -onder meer- eiser wordt aangehouden in verband met nog te ontvangen informatie van het gemeente bestuur en de wens de adviezen betreffende de niet-ijkfuncties gezamenlijk aan het college aan te bieden. Op 29 september 1999 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, alwaar eiser zijn bezwaren ten overstaan van de P&O-kamer van de bezwaarschrif tencommissie nader heeft kunnen toelichten. Bij de hoorzitting is een externe functiewaarderingsdeskundige aanwezig geweest. Op 1 oktober 1999 heeft bovengenoemde functiewaarderings deskundige de bezwaarschriftencommissie geadviseerd. Naar aanleiding van dit advies heeft de bezwaarschriften commissie op 5 oktober 1999 vragen gesteld aan het college, in de persoon van mw. Deserno, als directeur van de