Rechtspraak 1999-03-23
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3943
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Reg.nrs.: 97/1778 - 97/1779 en 97/1780 NABW Z DRM Inzake A te B, eiseres, tegen het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht -Dienst Sociale en Economische Zaken-, gevestigd te Maastricht, verweerder. Datum en aanduiding van de bestreden besluiten: -het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing ABW/nr. 987358; -het besluit van verweerder van 20 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697; -het besluit van verweerder van 12 juni 1997, bezwaarschriftbeslissing Abw/nr.991555. Datum van behandeling ter zitting 9 februari 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. In zaak 97/1778: Bij besluit van 27 juni 1996 heeft verweerder de op 10 juni 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Tegen dit besluit is namens eiseres door mr. A.A.T. Vonken, advocaat te Maastricht een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is bij besluit van 20 juni 1997(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 988697; hierna: besluit II)ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde bij brief van 25 juli 1997 namens eiseres beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. In zaak 97/1779: Bij besluit van 8 mei 1996 heeft verweerder de op 13 maart 1996 door eiseres ingediende aanvraag om bijstand afgewezen. Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 24 mei 1996 is namens eiseres bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek heeft de president bij uitspraak van 11 juni 1996 afgewezen. Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 987358; hierna: besluit I)ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. In zaak 97/1780: Bij besluit van 12 november 1995 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 februari 1996 is beëindigd. Tegen dit besluit is namens eiseres door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is bij besluit van 12 juni 1997(bezwaarschriftbeslissing Abw/nr. 991555; hierna: besluit III)ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft voornoemde gemachtigde namens eiseres op 25 juli 1997 beroep ingesteld. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn op 24 september 1997 in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden. In alle zaken: Bij brief van 13 november 1997 heeft de gemachtigde van eiseres een aantal gedingstukken, houdende schriftelijke getuigenverklaringen, overgelegd. Hiervan is op 14 november1997 een afschrift aan verweerder gezonden. Bij brief van 8 januari 1998 is nog een aantal stukken namens eiseres overgelegd. Deze zijn op 14 januari 1998 in afschrift aan verweerder verzonden. De gedingstukken uit de dossiers met registratienummers96/367, 96/1189 en 96/1386 zijn ad informandum aan de onderhavige zaak toegevoegd. De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 februari 1999. Daarbij is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Pellinger, advocaat te Maastricht. Namens verweerder is verschenen de heer L. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht. Voorts zijn verschenen de volgende door eiseres meegenomen getuigen: B, C, D en E. II. OVERWEGINGEN. II.I. Eiseres ontving sinds 4 september 1994 een bijstandsuitkering van de gemeente Maastricht. Naar aanleiding van een mededeling dat eiseres weer zou samenwonen met haar ex-man de heer F In deze uitspraak heeft de Raad allereerst overwogen dat de opschorting van de uitkering op grond van het in de Invoeringswet herinrichting algemene bijstandswet (labw)opgenomen overgangsrecht moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene bijstandswet (ABW), zoals deze laatstelijk luidden v66r 1 januari 1996. Vervolgens heeft de Raad overwogen dat de beantwoording van de vraag of opschorting van een bijstandsuitkering in een geval als dat van eiseres geoorloofd is, in het algemeen afhangt van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans tenminste het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op de uitkering niet meer bestaat dan wel slechts recht op een lagere uitkering bestaat. Uit de uitspraak blijkt voorts dat F ter zitting van de Raad heeft verklaard dat hij, sinds de verbreking van de samenwoning met eiseres, bij zijn ouders heeft gewoond. Zijn moeder zou psychisch erg verward zijn en haar verklaring op 16 januari 1996 onder druk hebben afgelegd. F heeft voorts aangegeven dat hij zijn dochter zo vaak mag bezoeken als hij wil. Op 16 januari 1996, toen de sociale recherche hem is avonds bij eiseres thuis aantrof, was hij niet aan het behangen, maar hield hij even de kwast voor eiseres vast. Namens eiseres is er ter zitting van de Raad op gewezen dat F onder psychiatrische behandeling staat en doorgeheugenverlies veel niet meer weet. De Raad was van oordeel dat de reeds eerder genoemde bezwaren van eiseres en de zojuist aangehaalde verklaringen niet wegnemen dat verweerder reeds op basis van de door de moeder van F op 16 januari 1996 ondertekende verklaring grond had voor het vermoeden dat eiseres en F weer beiden hun hoofdverblijf aan [. . .] hadden en daar weer een gezamenlijke huishouding voerden. II.2. inmiddels had eiseres op 13 maart 1996 opnieuw een aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 8 mei 1996 afgewezen, onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van de situatie die aanleiding is geweest voor de opschortingbeslissing van 12 februari 1996 en de op bezwaar tegen deze beslissing genomen besluit van 3 april 1996. Tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. In het kader van de bezwaarprocedure is namens eiseres bij brief van 27 juni 1996 een op 24 juni 1996 gedateerde schriftelijke verklaring van de ouders van F overgelegd, volgens welke F in het ouderlijk huis inwonend is. Bij brief van 4 november 1996 heeft de gemachtigde van eiseres er bij verweerder op aangedrongen een aantal getuigen te horen. Op 27 juni 1996 is in het kader van deze bezwaarprocedure een hoorzitting gehouden. Naar aanleiding van het verhandelde tijdens deze hoorzitting heeft de Unit Bezwaar en Beroep van verweerders gemeente de sociale recherche verzocht een nader onderzoek in te stellen, welk onderzoek heeft geleid tot een ongedateerde (nadere) rapportage. Bij besluit van 12 juni 1997 (in rubriek 1 aangeduid als besluit I) heeft verweerder het namens eiseres tegen het besluit van 8 mei 1996 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. II.3. Op 10 juni 1996 heeft eiseres een tweede aanvraag om bijstand bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij besluit van 27 juni 1996 afgewezen, onder de overweging dat er geen sprake is van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die aanleidinggeven om het door verweerder eerder, bij besluit van 12 februari 1996 en de daarop volgende overeenkomstige besluiten, ingenomen standpunt te wijzigen. Ook tegen dit besluit is namens eiseres bezwaar gemaakt. Bij brief van 9 september 1996 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de afhandeling van het bezwaarschrift wordt aangehouden, in afwachting van het in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 mei 1996 te verrichten nadere onderzoek. Na afloop van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 20 juni 1997 (in rubriek 1 aangeduid als besluit II) het tegen Gelet op hetgeen in de voorgaande alinea is overwogen moet dan ook worden geconcludeerd dat het door eiseres op 13 maart 1996 ingediende verzoek om opnieuw in aanmerking te worden gebracht voor een bijstandsuitkering is gedaan op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beëindigd. Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 8 mei 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kón intreden. Derhalve kan het bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 8 mei 1996 wordt herroepen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat het op 13 maart 1996 door eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, kan worden aangemerkt als een verzoek om alsnog tot definitieve vaststelling van de aanspraak op bijstand kan worden aangemerkt, nu, mede gelet op de door de gemachtigde van eiseres in haar brief van 14 maart 1996 gegeven toelichting buiten twijfel staat dat eiseres heeft beoogd een nieuwe aanvraag om bijstand in te dienen met inachtneming van de omstandigheden zoals deze per 13 maart 1996 golden. 11.6. Beoordeling van besluit II van 2 juni 1997. Ter motivering van dit besluit heeft verweerder overwogen dat bij de aanvraag van 10 juni 1996 opnieuw geen nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn vermeld, zodat de aanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onder verwijzing naar voornoemd besluit van 8 mei 1996 wordt afgewezen. In beroep is de door verweerder aangenomen samenwoning van eiseres en F, onder verwijzing naar de in de voorgaande procedures ingediende stukken, opnieuw namens eiseres betwist, met de nadrukkelijk vermelding dat zulks door middel van getuigenverklaringen nader kan worden onderbouwd. Ter beoordeling staat de vraag of het bestreden besluit, waarbij het besluit van 27 juni 1996 tot afwijzing van de door eiseres op 10 juni 1996 ingediende aanvraag is gehandhaafd, de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder er ten onrechte van is uitgegaan dat de aanvraag van eiseres kan worden afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit heeft miskend dat ook het door eiseres op 6 juni 1996 ingediende verzoek een nieuwe aanvraag betreft. Voorts is ook de aanvraag van 10 juni 1996 ingediend op een moment waarop de lopende uitkering nog niet was beëindigd. Verweerder heeft dus ook in dit bestreden besluit miskend dat het met het besluit van 27 juni 1996 beoogde rechtsgevolg, te weten dat eiseres geen recht had op uitkering, ten tijde van belang niet kon intreden. Derhalve kan ook dit bestreden besluit niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank acht het voorts aangewezen met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het besluit van 27 juni 1996 wordt herroepen. Daarbij tekent de rechtbank aan dat ook het op 10 juni 1996 door de eiseres ingediende verzoek niet, zoals de Centrale Raad van Beroep in voornoemde uitspraak van 16 april 1996 ten aanzien van het aldaar in geding zijnde beroep had overwogen, als een verzoek om definitieve vaststelling van de bijstand kan worden aangemerkt. II.7. Beoordeling van besluit III van 12 juni 1997. II. 7.1. Zoals in rubriek II.4. is aangegeven heeft verweerder bij dit bestreden besluit het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen het Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de I abw blijft de Algemene Bijstandswet (ABW) gedurende ten hoogste 12 maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe Abw van toepassing ten aanzien van degene die in de peilmaand recht had op algemene bijstand en wiens recht op de peildag niet is geëindigd. Het tweede lid van artikel 4, voornoemd, bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde toepassing van de ABW eindigt: a. zodra burgemeester en wethouders in het betreffende gevalnaar aanleiding van het onderzoek als bedoeld in artikel 5,eerste lid, een nieuw besluit hebben getroffen; b. zodra een wijziging van omstandigheden van de persoon of het gezin optreedt of is opgetreden die op grond van hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de nieuwe Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden en burgemeester en wethouders in het betreffende geval een nieuw besluit inzake de verlening van bijstand hebben getroffen. Uitgangspunt is dat eiseres ten tijde als hier van belang een persoon was als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de Iabw. Eiseres ontving in de peilmaand - december 1995 - algemene bijstand ingevolge de ABW en haar recht is niet geëindigd op de peildag (31 december 1995). De ABW blijft derhalve ten aanzien van eiseres gelden gedurende ten hoogste 12 maanden, tenzij de toepassing van de ABW op een eerdere datum eindigt als gevolg van een van de in het tweede lid van artikel 4 van de IW genoemde omstandigheden. Het onderzoek dat in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden was geen onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de IW, zodat de omstandigheid, genoemd in artikel 4, tweede lid, onder a. zich hier niet voordoet. Naar de Centrale Raad van Beroep in zijn in rubriek II.I genoemde uitspraak van 7 juli 1998 heeft overwogen, is voor het intreden van het gevolg dat de toepassing van de ABW eindigt op grond van de in artikel 4, tweede lid, onder b genoemde omstandigheid niet alleen vereist dat zich een wijziging in omstandigheden heeft voorgedaan die krachtens de genoemde bepalingen van de Abw tot toepassing van een andere bijstandsnorm dient te leiden, maar dat terzake ook een nieuw besluit is getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het besluit van 18 november 1996 tot beëindiging van de uitkering van eiseres niet worden beschouwd als een besluit tot verlaging van de bijstandsnorm van eiseres als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw. Een dergelijke uitleg is niet in overeenstemming met de bewoordingen waarin deze wetsbepalingen zijn gesteld en evenmin met de systematiek van de Abw, nu de genoemde bepalingen zien op de situatie waarin krachtens de bepalingen van hoofdstuk I i van de Abw recht op bijstand bestaat. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit tot beëindiging van de bijstandsuitkering moet worden beoordeeld naar de bepalingen van de ABW. II.7.6. Ingevolge artikel Sa, eerste lid, van de ABW wordt de bijstand aan niet met elkaar gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, vastgesteld op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel 5 van de ABW. Ingevolge het tweede lid van artikel Sa van de ABW kan van een gezamenlijke huisvesting slechts sprake zijn, indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikel vindt toetsing plaats door afweging van alle zich ten aanzien van betrokkenen voordoende waarneembare feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn. F stond ten tijde hier in geding ingeschreven op het adres van zijn moeder, zodat mag worden aangenomen dat hij in beginsel over eigen woonruimte kon beschikken. Het aanhouden van afzonderlijke woonruimte behoeft op zichzelf het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemeli