Rechtspraak 1999-11-03
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3714
486 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT Reg.nrs.: 99/ 1328 WET V + 99 / 1335 WET VV PER Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van evengenoemde wet in het geschil tussen: A hodn Vogelpreventie Limburg te B, eiser, en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij -Afdeling Rechtsbescherming-, verweerder. Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 18 augustus 1999, kenmerk 99.5.0021. Datum zitting: 28 oktober 1999 I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 augustus 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 14 januari 1999 ongegrond verklaard. Tegen het eerstgenoemde besluit is door de gemachtigde van eiser, mr. R. Bergman, medewerker bij DAS rechtsbijstand, bij brief van 27 september een beroepschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij deze rechtbank. Tevens heeft de gemachtigde van eiser zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek terzake een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoeker gezonden. Het verzoek is behandeld ter zitting van de president van 28 oktober 1999, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Namens verweerder is mr. Hofstede verschenen. II. OVERWEGINGEN. II.1. In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de president van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de president alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de president is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting. Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De president doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. II.2. Eiser, van beroep valkenier, is bij brief van 30 november 1998 door verweerder op de hoogte gesteld van het feit dat zijn valkeniersvergunning wordt ingetrokken in verband met een beleidswijziging. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld een nieuwe vergunning aan te vragen. Bij aanvraag van 14 december 1998 heeft eiser van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Bij brief van 14 januari 1999 heeft verweerder eiser een nieuwe vergunning voor de uitoefening van de valkerij toegekend. In de vergunning, die strekt tot het verrichten van de verboden handelingen zoals genoemd in artikel 7 en 9 van de Vogelwet 1936, is onder voorschrift 1 de voorwaarde opgenomen dat - kort gezegd - de vogels dienen te zijn voorzien van een naadloos gesloten pootring met een zodanige letter- en of cijfercode dat de vogels individueel herkenbaar zijn. Onder voorschrift 3 van de vergunning is bepaald dat, in afwijking van het voorafgaande, de vergunning eveneens geldt voor haviken en slechtvalken die zijn voorzien van een open pootring die namens het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij door het CBJ is verstrekt. Eiser heeft in maart 1996 een slechtvalk (Falco Peregrinus) uit Duitsland i Artikel 11, tweede lid, van de Vogelwet bepaalt, voorzover hier van belang, dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld betreffende het onder zich hebben van de in het eerste lid bedoelde vogels. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op het verstrekken en aanbrengen van ringen of merken aan de vogels, en op de registratie van de vogels. II.5.2. Vast staat, en niet wordt betwist, dat eiser de slechtvalk, die in Duitsland is gefokt en in gevangenschap is geboren, op 10 mei 1995 in Duitsland heeft gekocht en in 1996 in Nederland heeft ingevoerd. Op de handel in de slechtvalk is de CITES-regelgeving (Convention on Trade in Endangered Species of wild fauna and flora) van de Europese Unie van toepassing. In het kader van deze regelgeving heeft de daartoe bevoegde autoriteit in Duitsland op 6 september 1995 vergunning verleend voor de uitvoer van de slechtvalk en op 26 april 1996 heeft de minister een vergunning afgegeven voor de invoer van de slechtvalk. Onder punt dertien van deze vergunning is het volgende vermeld: "It is hereby certified that the specimens described above 4. were born and bred in captivity, are parts of such animals, or were derived therefrom." De slechtvalk was voorzien van een door de Duitse overheid erkende open pootring, de zogenaamde WAA-ring (Washington Atrenschutz Abkommen, in Nederland CITES). Eiser beschikte toentertijd over een vergunning van verweerder welke hem op 31 augustus 1994 was verleend. Eiser ging er vanuit dat deze vergunning ook voor slechtvalk Dunja gold. II.5.3. Ten tijde van de afgifte van de invoervergunning van de slechtvalk was de EG-Richtlijn 79/409 van de EEG van toepassing, welke richtlijn ziet op het behoud van de vogelstand. Tevens golden EEG-verordening 3626/82, die ziet op de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst van Washington inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en EEG-verordening 3418/83 die bepalingen inhoudt voor eenvormige afgifte en gebruik van documenten die vereist zijn ter uitvoering van de eerstgenoemde verordening. De president overweegt dat de hiervoor genoemde Europese regelgeving geen voorschriften vermeldt ten aanzien van het registreren en ringen van vogels als hier in het geding, dit in tegenstelling tot de latere, zogenaamde uitvoeringsverordening, van de EEG 939/97 van 26 mei 1997, waarin in artikel 36, vijfde lid, is bepaald dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels gemerkt worden met behulp van een naadloze, gesloten pootring. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG) in zaak C-169/89 (SEW 1991/261) overweegt de president voorts dat uit de algemene beschermingsdoelstellingen van EG-Richtlijn 79/409 voortvloeit dat de lidstaten op grond van het bepaalde in artikel 14 van EG- Richtlijn 79/409 strengere maatregelen mogen nemen om een nog doeltreffender bescherming van de in de richtlijn genoemde vogelsoorten - waaronder de slechtvalk - te beschermen. II.5.4. Verweerder heeft een en ander geregeld in het Vogelbesluit 1994. Ten tijde van de invoer van de slechtvalk gold in Nederland het Vogelbesluit 1994, Stb. 1994, 625, in werking getreden op 1 september 1994. In het Vogelbesluit is in artikel 6, eerste lid, bepaald dat, onverminderd het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet, het onder zich hebben van jachtvogels, gekweekte vogels als bedoeld in artikel 20 van de wet en vogels als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de wet slechts is toegestaan, indien die vogels zijn voorzien van een door of vanwege Onze Minister op aanvraag afgegeven: - gesloten pootring als bedoeld in het tweede lid, of - open pootring als bedoeld in het derde lid welke is voorzien van een registratienummer. Het tweede lid van artikel 6 bepaalt als volgt. Een gesloten pootring: a. heeft een zodanige middellijn dat deze alleen kan worden aangebracht aan een poot van een vogel als de vogel niet vliegvlug is, In artikel 36 van het EEG-verdrag is, voorzover hier van belang, bepaald dat de bepalingen van de artikelen 30 tot en met 34 geen beletsel vormen voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten vormen. II.5.8. De president stelt voorop dat tussen partijen niet in geding is dat de slechtvalk in Duitsland op rechtmatige wijze in het verkeer is gebracht. Voorts staat vast dat de Duitse regelgeving ten aanzien van de bescherming van de vogelstand ten tijde hier van belang in overeenstemming was met de bepalingen van EG- Richtlijn 79/409. De president stelt verder vast dat er voor eiser ten tijde van de invoer van de slechtvalk geen enkele mogelijkheid bestond om zich te onttrekken aan het in artikel 7 van de Vogelwet opgenomen verbod tot, onder meer, het onder zich hebben van de slechtvalk. Hiertoe overweegt de president dat artikel 11 van het Vogelbesluit het onder zich hebben van jachtvogels die zijn voorzien van een door een buitenlands overheidsorgaan aangebrachte pootring weliswaar mogelijk maakt, maar dan slechts indien dit een gesloten ring betreft. Gelet op het feit dat de in artikel 8 van het Vogelbesluit opgenomen overgangsregeling, op grond waarvan tot zes maanden na de inwerkingtreding van het Vogelbesluit 1994 door de desbetreffende Nederlandse instantie nog een open pootring kon worden aangebracht, ten tijde van de invoer van de slechtvalk reeds was verstreken, stonden eiser geen mogelijkheden meer open het in Nederland onder zich hebben van de slechtvalk te legaliseren. De president kan dan ook niet anders oordelen dan dat de thans aan de orde zijnde bepalingen van de Vogelwet en het Vogelbesluit feitelijk tot gevolg hebben dat de invoer van in Duitsland, volgens de daar geldende wetgeving, van een WAA-ring voorziene slechtvalken is verboden. De president is dan ook van oordeel dat er in casu sprake is van een handelsbelemmerende maatregel als bedoeld in artikel 30 van het EG-Verdrag. II.5.9. Ten aanzien van de vraag of deze handelsbelemmerende maatregel kan worden gerechtvaardigd in het licht van artikel 36 van het EEG-Verdrag stelt de president voorop dat het feit dat artikel 14 van Richtlijn 79/409 de Lid-Staten vrijlaten in het nemen van strengere beschermingsmaatregelen dan zijn voorzien in de richtlijn zelf, er niet aan in de weg staat dat de desbetreffende nationale maatregel onverkort aan de in artikel 36 van het EEG-Verdrag verankerde beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit dienen te worden getoetst. II.5.10. Het noodzakelijkheidsvereiste ziet enerzijds op de vraag of de genomen maatregel in een causaal verband staat met het nagestreefde doel en anderzijds of er voor de in geding zijnde maatregel geen alternatief bestaat dat het vrij verkeer van goederen minder beperkt. Naar het oordeel van de president moet een causaal verband tussen de werking van de in geding zijnde bepalingen van de Vogelwet en het Vogelbesluit en het met deze bepalingen beoogde doel, te weten de bescherming van in het wild levende, beschermde vogels, waaronder de slechtvalk, stellig worden aangenomen. Ten aanzien van de vraag of verweerder had kunnen volstaan met een minder diep in het vrij verkeer van goederen ingrijpende maatregel, overweegt de president dat verweerder zelf in de gedingstukken heeft aangegeven dat er meer valkeniers zijn die met hetzelfde probleem als eiser te kampen hebben en dat is overwogen om in het kader van een nog in te voeren Flora- en faunawet aan deze problemen tegemoet te komen. De president constateert dan ook dat verweerder het op zichzelf mogelijk acht dat met een minder vergaande maatregel had kunnen worden volstaan. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen ziet de president echter aanleiding de beantwoording