Rechtspraak 1999-02-18
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3651
Reg.nrs: 99/82, 99/93, 99/173, 99/174, 99/184, 99/185, 99/186, 99/187, 99/204 en 99/205 WRO19 Uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht op de verzoeken ex artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), alsmede uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van voormelde wet en tevens uitspraak op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de wet in het geschil tussen: 1. - College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen; 2. - Budé‚ Holding BV, te Maastricht - Bouwmarkt Sittard BV, te Sittard - Winkel Beleggingen Nederland BV, te Utrecht; 3. - Vereniging Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers , gemeentelijke afdeling Heerlen (LOZO Afd. Heerlen) - Vereniging Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers, gemeentelijke afdeling Kerkrade (LOZO Afd. Kerkrade) - Vereniging Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers, Afdeling Kerkrade west; 4. - MBO-Ruijters BV, te Maastricht; - Woonboulevard III BV, te Maastricht; Eiseressen, tevens derde-belanghebbenden in de procedure ex artikel 8:87 van de Awb, en, 1. - College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, Verweerder, tevens verzoeker in de procedure ex artikel 8:87 van de Awb, 2. - Sportvereniging Roda J.C. te Kerkrade, vergunninghoudster; 3. - Hornbach Holding BV te Driebergen - Hornbach Bouwmarkt AG te Bornheim bei Landau (BRD) Verzoeksters in de procedure ex artikel 8:87 van de Awb, tevens partijen ex artikel 8:26 Awb in de voorzieningenprocedure ex artikel 8:81 van de Awb en het bodemgeschil. - Gedeputeerde Staten van Limburg, Partij ex artikel 8:26 van de Awb in alle procedures. Toepassing is verzocht van artikel 8:81 Awb ten aanzien van het besluit van verweerder van 14 januari 1999 met kenmerk: 99 u 000442, alsmede toepassing van artikel 8:87 Awb ten aanzien van de uitspraak van de president d.d. 1 december 1998 in het geschil tussen de hierboven onder 1 t/m 4 genoemde eiseressen en de hiervoor genoemde verweerder. Datum van zitting: 8 februari 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN. 1. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de bezwaren ingediend tegen het primaire besluit 17 juni 1997, waarbij vergunning is verleend voor de bouw van een hal met buitenverkoop ten behoeve van perifere detailhandel op het noorderlijk deel van het industrieterrein Beitel-Locht te Kerkrade, zulks onder gelijktijdige verlening van vrijstelling ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), nadat het aanvankelijk besluit op deze bezwaren d.d. 19 januari 1998 bij uitspraak van de president van deze rechtbank van 1 december 1998 was vernietigd, wederom ongegrond verklaard. 2. Tegen dit besluit zijn door en/of namens eiseressen zoals hierboven in de aanhef onder 1 t/m 4 vermeld bij schrijvens van respectievelijk 29 januari 1999, 5 februari 1999 en 2 februari 1999, beroepschriften op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Maastricht. Tevens hebben eiseressen zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb. 3. Op voet van het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb zijn de Gedeputeerde Staten van Limburg (hierna: GS), de Sportvereniging Roda J.C. (hierna: Roda), alsmede Hornbach Holding BV te Driebergen en Hornbach Bouwmarkt AG te Bornheim bei Landau (hierna: Hornbach) in de gelegenheid gesteld om aan het geding deel te nemen. Van deze gelegenheid is door alle partijen gebruik gemaakt. 4. Voorafgaand aan het instellen van de hiervoor genoemde beroepen en de aanvragen tot het treffen van een voorlopige voorziening, zijn namens B&W Kerkrade, Roda en Horbach verzoeken ex artikel 8:87 van de Awb ingediend, beide d.d 18 januari 1999 en strekkend tot opheffing van de bij uitspraak van 1 december 1998 terzake het besluit van 17 juni 1997 uitgesproken schorsing. De in de aanhef onder 1 t/m 4 als eiseressen aangeduide partijen zijn, eve In dit kader heeft verweerder allereerst aan Roda nieuwe en geactualiseerde cijfers gevraagd Aan eiseressen is de gelegenheid geboden hierop te reageren. Voorts heeft verweerder de gepresenteerde cijfers voorgelegd aan een onafhankelijke deskundige, VB Deloitte & Touche accountants te Maastricht, waarna de thans voorliggende - nieuwe- beslissing is genomen. II.2 Met betrekking tot de behandeling van de beroepen en verzoeken (artikelen 6:18, 6:19, 6:24, 8:86 en 8:87 van de Awb): 2.1 In de hiervoor onder II.1 gereleveerde feiten ziet de president grond om in te gaan op de -door partijen niet opgeworpen- vraag of er aanleidng bestaat om de beroepen en connexe verzoeken ex artikel 8:81 Awb door te zenden naar de Afdeling. Dienaangaande wordt als volgt overwogen. 2.2 Zowel door de LOZO als door Roda en Hornbach is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president d.d. 1 december 1998 inzake de beroepen tegen de bouwvergunningen met vrijstelling voor het Roda stadion c.a en de Hornbach bouwmarkt, met dien verstande dat het hoger beroep van Roda en Hornbach uitsluitend gericht is tegen d t gedeelte van de uitspraak dat betrekking heeft op het besluit terzake de bouwmarkt c.a. Het vorenstaande maakt dat het in het onderhavige geding onderdeel van geschil uitmakende besluit op grond van artikel 6:24 van de Awb en de jurisprudentie aangemerkt dient te worden als een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid van de Awb. Opgemerkt zij dat het bestreden besluit door verweerder niet is doorgezonden naar de Afdeling. 2.3 Het thans bestreden besluit komt geheel tegemoet aan de grieven van Roda/Hornbach, doch komt niet tegemoet aan de grieven van de LOZO. De president overweegt in dit kader dat strikt genomen de tekst van artikel 6:19 van de Awb niet ziet op een situatie als de onderhavige, daar het besluit dat door de president bij uitspraak van 1 december 1998 is vernietigd niet meer bestaat en derhalve ook niet door verweerder kan worden ingetrokken of gewijzigd, zodat de hiervoor geschetste, op jurisprudentie gebaseerde gang van zaken berust op toepassing naar analogie. Analoge toepassing van de artikelen 6:18/6:19 van de Awb, zou op grond van het dwingend geredigeerde eerste lid van artikel 6:19 Awb met zich brengen dat het door de LOZO bij de Afdeling ingestelde hoger beroep mede gericht zou moeten worden geacht tegen het onderhavige nieuwe besluit op bezwaar; op grond van het tweede lid van dit artikel zou de Afdeling dan een verwijzingsbevoegdheid toekomen. 2.4 De president acht echter in casu een goede rechtspleging meer gebaat bij het niet analoog toepassen van deze wetsbepalingen. Hierbij heeft hij op de eerste plaats in aanmerking genomen dat de ratio van de artikelen 6:18 en 6:19 Awb, eerst en vooral gelegen is in het bieden en zekerstellen van processuele bescherming. Nu door de LOZO in casu beroep is ingesteld en voorziening is aangevraagd, kan worden geconcludeerd dat de LOZO niet is geschaad in haar rechtsbescherming. Doorverwijzing van de andere, in grote mate samenhangende - zoal niet onlosmakelijk verbonden- beroepen en verzoeken ex artikel 8:81 Awb naar de Afdeling is mitsdien op grond van (de ratio van) voormelde bepalingen niet aan de orde. Een eventueel aan te nemen ruimere uitleg van met name het tweede lid van artikel 6:19 Awb, in dier voege dat op grond van deze bepaling zaken om proceseconomische redenen gevoegd zouden kunnen worden bij de hoger beroepsinstantie -hetgeen tevens een verwijzingsbevoegdheid voor de (president van de) rechtbank zou impliceren-, acht de president in dit verband van minder betekenis. Hierbij neemt hij in aanmerking dat door de overige eiseressen in deze procedure en het bestuursorgaan geen hoger beroep is ingesteld, doch door hen daarentegen is berust in de rechterlijke uitspraak. Het doorverwijzen van deze beroepen op proceseconomische gronden zou met zich brengen dat de andere eiseressen aldus opnieuw -tegen hun wil- betrokken zouden worden bij een procedure die hun verwo Voorts is overwogen dat de mede van belang zijnde aspecten betreffende de werkgelegenheid en de bedrijfseconomische redenen tot vestiging van Hornbach in deze regio, naast de bestaande krapte van het feitelijk voorhanden aanbod van vestigingsmogelijkheden, het belang van een spoedige realisatie van beide projecten onderstrepen. II.4 De beroepen en verzoeken 4.1 Eiseressen hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben tijdig beroep aangetekend bij deze rechtbank. Tevens hebben zij teneinde dreigend onevenredig nadeel te voorkomen, verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 van de Awb ingediend, strekkende tot schorsing voor onbepaalde tijd van het primaire besluit waarbij de bouwvergunning met vrijstelling is verleend. 4.2 Verweerder en Roda hebben daarentegen in het nemen van het nieuwe besluit, waarbij de door de president geconstateerde aan het eerdere besluit op bezwaar klevende gebreken naar hun oordeel hersteld zouden zijn, daar zij door de getroffen voorziening rechtstreeks in hun belang getroffen werden, aanleiding gezien om op voet van artikel 8:87, tweede lid van de Awb opheffing van de met toepassing van artikel 8:72, zesde lid op 1 december 1998 uitgesproken schorsing te verzoeken en wel bij verzoekschrift. II.5 De beoordeling van de beroepsgronden: 5.1 Bij deze beoordeling stelt de president voorop dat thans uitsluitend de bouwvergunning onder gelijktijdige verlening van vrijstelling ex artikel 19 WRO voor de Hornbach bouwmarkt c.a ter beoordeling voorligt. Nu, voorzover hoger beroep is ingesteld tegen zijn uitspraak van 1 december 1998 voor wat betreft het besluit terzake het stadion, (nog) geen voorlopige voorziening is aangevraagd en geen schorsing van de uitspraak op dat onderdeel (dan wel enig ander onderdeel) voorligt, dient uitgegaan te worden van het oordeel vervat in deze uitspraak en dientengevolge van de rechtskracht van voormelde bouwvergunning. Hierdoor staat de de urgentie van de bouw van het stadion, en daarmee samenhangend de MER-verplichting en de soliditeit van de financierings- en exploitatiebalans thans niet ter discussie, althans dient daarvan in iedere geval vooralsnog, zolang door de Afdeling op het hoger beroep - eventueel met in achtneming van de aldaar in dat kader ingebrachte c.q. te brengen nova, zoals thans in dit geding door partijen naar voren gebracht- niet is beslist, te worden uitgegaan. De door partijen aangevoerde gronden voorzover betrekking hebbend op het stadion c.a. dienen mitsdien in zoverre buiten beschouwing te blijven. De president kan eiseressen op grond van deze overwegingen dan ook niet volgen in hun betoog dat, indien geoordeeld zou moeten worden dat de realiteitswaarde van het totstandbrengen van het stadion aanmerkelijk geringer is dan is gesteld en op basis van de ter zitting van 17 november 1998 gepresenteerde feiten aannemelijk werd geacht, daardoor tevens de urgentie aan de bouwmarkt komt te ontvallen, zodat argumenten en cijfers betrekking hebbend op het stadion wel degelijk gewicht in de schaal kunnen leggen in het kader van de vraag naar de urgentie voor de bouwmarkt. 5.2 De onder II.1.6 gereleveerde feiten in aanmerking nemend, is de president van oordeel dat gezegd kan worden dat verweerder hiermede in voldoende aan zijn onderzoeksplicht ingevolge artikel 3:2 Awb heeft voldaan. De verklaringen van de door eiseressen opgeroepen getuigen/deskundigen v.d. Zanden en Kranenberg geven de president geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen, nu naar zijn oordeel een zodanig verregaande onderzoeksverplichting als door eiseressen wordt voorgestaan, gelet op de door verweerder in casu uit te voeren toetsing, bezien in samenhang met de aard van het besluit, in voormelde wetsbepaling niet gelezen kan worden. Daarbij komt dat deze deskundigen de bevindingen van VB Deloitte en Touche niet hebben weersproken of onvoldoende onderbouwd hebben geacht, doch daarbij slechts bij gebreke van voldoende stukken enkele vraa Overwogen wordt in dit verband voorts dat het de president, gelet op het verhandelde ter zitting, geenszins onaannemelijk voorkomt dat de beslissing met betrekking tot de goedkeuring van het bestemmingsplan door GS, die aanvankelijk geagendeerd stond voor 9 februari 1999 zal worden verdaagd. Voorts kan ervan worden uitgegaan dat rekening gehouden moet worden met een termijn van 3 tot 5 maanden na de behandeling door de Afdeling van een eventueel verzoek ex artikel 28, lid 8 WRO voordat het bestemmingsplan rechtskracht zal verkrijgen. Het is aannemelijk dat dit eerst het geval zal kunnen zijn omstreeks september 1999. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het stadium waarin de planprocedure zich thans bevindt op zich geen belemmering vormt voor toepassing van een anticipatieprocedure. 5.7.2 Aan het bestreden besluit is thans, anders dan in het vernietigde besluit van 19 januari 1998, naast de hiervoor onder 5.6 als voldoende aangetoond beoordeelde financiële koppeling een planologische koppeling ten grondslag gelegd, alsmede een eigen urgentie voor de bouwmarkt c.a. De planologische koppeling is thans gemotiveerd, zoals hierboven onder 3.2 reeds weergegeven, met een optimaal ruimtegebruik van de voorhanden gronden door het samenvallen van de infrastructurele werken en parkeervoorzieningen, terwijl de eigen urgentie -thans naast de gekoppelde urgentie uitdrukkelijk genoemd- gelegen zou zijn in de werkgelegenheid en bedrijfseconomische redenen tot vestiging van Hornbach. 5.7.3 In het licht van het ten deze gegeven toetsingskader, komt de president op grond van de onder 5.7.1 en 5.7.2 genoemde feiten en omstandigheden, tot het oordeel dat de anticipatieprocedure in casu gerechtvaardigd is te achten. Daarbij wordt nog overwogen dat de president een voldoende zwaarwegende zelfstandige urgentie op zich nog steeds onvoldoende aangetoond en/of aanwezig acht, doch dat enige zelfstandige urgentie op grond van de thans door verweerder en Hornbach aangegeven argumenten aan het bouwplan niet kan worden ontzegd. Op grond van deze -zij het geringe- eigen urgentie, gecombineerd met de thans in voldoende mate nader gemotiveerde en aannemelijk gemaakte gekoppelde urgentie zowel in financieel als in planologisch opzicht, bezien in samenhang met de reeds in de uitspraak van 1 december 1998 onder 5.4.10 aangegeven betrekkelijk geringe mate van inbreuk op het bestaande planologisch regime, kan thans naar dezerzijds oordeel tot een voldoende mate van urgentie worden geconcludeerd, zodat hierin geen grond -meer- gelegen is waarom het bestreden besluit in rechte geen stand zou kunnen houden. 5.8 Nu ook overigens -behoudens hetgeen hierboven is overwogen onder 5.5- niet gebleken is van gronden die tot vernietiging van het besluit zouden moeten leiden, wordt dienaangaande beslist zoals nader aangegeven in rubriek III. II.6 De verzoeken ex artikel 8:81 en 8:87 Awb: 6.1 Nu in deze uitspraak onmiddellijk op voet van artikel 8:86 van de Awb uitspraak wordt gedaan in de bodem, is aan de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 8:81 Awb het spoedeisend belang komen te ontvallen, zodat deze verzoeken voor afwijzing gereed liggen. 6.2 Aangaande de verzoeken ex artikel 8:87 Awb, strekkende tot opheffing van de schorsing van het primaire besluit, waartoe de president bij uitspraak van 1 december 1998 bij wijze van voorziening ex artikel 8:81 Awb is overgegaan en welke schorsing hij bij zijn uitspraak ex artikel 8:86 Awb in de bodemprocedure met toepassing van artikel 8:72, lid 6 juncto artikel 8:86 heeft verlengd tot zes weken nadat opnieuw op de bezwaren zou zijn beslist, acht de president zich onbevoegd, waartoe als volgt wordt overwogen. Naar dezerzijds oordeel strekken de door B&W van Kerkrade en Roda/Hornbach gedane verzoeken ertoe te bewerkstelligen dat de (verlenging van de) termijn die met toepassing van artikel 8:72, lid 6 Awb aan de duur van de schorsing i s verbonden, gewijzigd c.q. opgeheven wordt. Dit impliceert naar d