Rechtspraak 1999-06-02
ECLI:NL:RBMAA:1999:AA3461
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK MAASTRICHT meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Reg nrs: 1. 98 / 387 Z KLR 2. 98 / 388 3. 98 / 389 Inzake 1) A w/v B, 2) C, 3) de Wijkvereniging Heksenberg en de Wijkraad Palemig, eisers tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder -------------- Datum van het bestreden besluit: 12 februari 1998. Kenmerk: 01.21/4707/A97045PV. Datum zitting: 4 mei 1999. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 12 februari 1998 heeft verweerder beslist op het door mr. R. Verkijk, advocaat te Maastricht, namens mw. D te E op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn - hieronder nader te duiden - besluit van 27 mei 1997 en laatstgenoemd besluit herroepen. Tegen het besluit van 12 februari 1998 is namens eisers bij afzonderlijke beroepschriften beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is mw. D, voornoemd, in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Bij schrijven van 8 juli 1998 heeft haar gemachtigde doen weten dat van deze gelegenheid gebruik wordt gemaakt. De door verweerder (terzake van elk beroep afzonderlijk) ingezonden verweerschriften zijn in afschrift aan de respectieve gemachtigden van de overige partijen gezonden. Voorts heeft verweerder de op de beroepen betrekking hebbende stukken ingezonden, waarbij door verweerder ten dele is verwezen naar de stukken, door hem ingezonden in de - hieronder eveneens nader te duiden - procedure alhier geregistreerd onder nummer AWB 97/1299. Ter zitting is medegedeeld dat de stukken uit laatstgenoemde procedure ad informandum aan de onderhavige dossiers zijn toegevoegd. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd. Gelet op hun onderlinge samenhang zijn de beroepen gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank op 4 mei 1999, alwaar eisers, allen met kennisgeving, niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P . Vanderheyden, ambtenaar der gemeente. De partij ex artikel 8:26 van de Awb is zonder kennisgeving niet verschenen. II. OVERWEGINGEN. Verweerders gemeente ziet zich sedert het einde van de jaren zeventig geconfronteerd met het verschijnsel tippelprostitutie. Het in het verleden dienaangaande gevoerde – repressieve - beleid is niet adequaat gebleken. Ook en met name vanwege het ontbreken van toereikende wettelijke handhavingsinstrumenten is uiteindelijk gekozen voor acceptatie en regulering van dit aan drugs gerelateerde en overlast veroorzakende verschijnsel. Tegen deze achtergrond heeft verweerder, met instemming van (een kleine meerderheid van) de raad van zijn gemeente, begin 1995 gekozen voor het instellen van een gedoogzone met daaraan gekoppeld een afwerkvoorziening en een huiskamerproject, alle gesitueerd op een plaats die daartoe ruimtelijk gezien de mogelijkheden biedt. Het uitgangspunt van het daarbij te voeren beleid is tweeërlei: enerzijds concentratie en daardoor reductie van de overlast en anderzijds laagdrempelige hulpverlening aan prostituees. In het licht van het vorenstaande heeft verweerder na afweging van de betrokken belangen uiteindelijk, aan de hand van een vijftal daartoe geformuleerde locatiecriteria, bij besluit van 21 februari 1995 - zakelijk weergegeven - een gedeelte van de Heideveldweg en omgeving, gelegen tussen de wijken Heksenberg en Palemig, aangewezen als zogenaamde tippelprostitutielocatie (verder ook wel te noemen: de locatie), zijnde een plaats waar tussen de in het besluit genoemde tijdstippen de verboden als bedoeld in artikel 3.1.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Heerlen (verder te noemen: de APV) niet van kracht zijn. Tot een feitelijke ingebruikname van de locatie (welke was voorzien per 6 januari 1997) is het evenwel als gevolg van acties van omwonenden van de locatie nimmer gekomen. Gelet hierop heeft verweerder, op in Dit betekent dat het – gestelde - belang van eisers rechtstreeks bij dat besluit betrokken dient te zijn, hetgeen het geval zal zijn indien moet worden geoordeeld dat dit belang een bijzonder, persoonlijk belang is dat (elke) eiser onderscheidt van het belang dat eenieder heeft bij dit besluit. In dat kader is van belang dat het bestreden besluit bewerkstelligt, overigens in navolging van de uitspraak van de president van 3 juli 1997, dat het aanwijzingsbesluit van 21 februari 1995 herleeft, zodat de in laatstgenoemd besluit genoemde tippelprostitutielocatie als zodanig in gebruik zou kunnen worden genomen. Eisers sub 1 en sub 2 zijn woonachtig in de omgeving van de locatie; eisers sub 3 komen blijkens hun statutaire doelstellingen op voor de belangen van de wijk Heksenberg, respectievelijk de wijk Palemig. Gelet op de stukken moet worden aangenomen dat verweerder (kennelijk) termen aanwezig heeft geacht. om eisers als partij bij de bezwaarschriftprocedure aan te merken, teneinde hun bezwaren tegen de door hem reeds in zijn schrijven van 29 augustus 1997 aan de raad van zijn gemeente aangekondigde - en bij het thans bestreden besluit geëffectueerde - voornemen om tot gegrondverklaring van het tegen het besluit van 27 mei 1997 gerichte bezwaarschrift over te gaan, in het licht van (de beslissing in) deze procedure te beoordelen. De rechtbank overweegt dat eisers sub 3, gelet op hun statutaire doelstellingen, als belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn aan te merken. Ten aanzien van eisers sub 1 en sub 2 is de rechtbank van oordeel dat, teneinde te kunnen aannemen dat zij een rechtstreeks belang bij dit besluit hebben, niet van belang is of zij woonachtig zijn in de (directe) omgeving van de locatie, maar uitsluitend of van een voor hen merkbare aanwezigheid van de locatie kan worden gesproken, waarbij geen rol mag spelen hoe zij subjectief tegenover deze aanwezigheid staan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de (voormalige) Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 21 februari 1985 (AB 1996, 137), alsook naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 november 1998, waarbij de beroepen tegen de beslissing van verweerder op de tegen het besluit van 21 februari 1995 ingediende bezwaarschriften, ongegrond zijn verklaard. Gelet op de plaatselijke situatie, als geduid ter zitting, moet worden geoordeeld dat, ten aanzien van eiseres sub 2 (anders dan ten aanzien van eiseres sub 1) niet kan worden volgehouden dat sprake is van merkbare aanwezigheid van de locatie, nu deze vanuit haar woning niet zichtbaar is en zij evenmin overlast van doorgaand verkeer (richting locatie) hoeft te vrezen. Verweerder heeft eiseres sub 2 derhalve ten onrechte als partij in de bezwaarschriftprocedure aangemerkt, weshalve haar beroep, zij het op andere gronden dan namens haar aangevoerd, gegrond dient te warden geacht. Terzake van dit beroep wordt mitsdien beslist als aangegeven in rubriek III, waarbij zij aangetekend dat de rechtbank aanleiding heeft gezien het bedrag van de veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb te matigen gelet op het bestaan van een met dit beroep samenhangende zaak (het beroep van eiseres sub 1) en op de reden van gegrondverklaring van dit beroep. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x f 710,00 x 1 x 0,5 x 0,5 = f 177,50. Ten aanzien van de beroepen van eisers sub 1 en sub 3 overweegt de rechtbank als volgt. Voorop dient te staan dat het bestreden besluit (casu quo het daaraan ten grondslag liggende besluit tot wijziging van een aanwijzingsbesluit) berust op een aan verweerder toekomende discretionaire bevoegdheid, hetgeen betekent dat hij in beginsel over een zekere mate van vrijheid beschikt om naar eigen inzicht en goeddunken uitvoering te geven aan deze bevoegdheid. Aan de rechtbank komt in dezen slechts een beperkte - marginale - toetsing toe. De rechtbank kan echter wel beoordelen of verweerder bij de uitoefening van vorenbedoelde bevoegdheid in s