Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-02-05
ECLI:NL:RBLIM:2026:975
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
12,181 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:975 text/xml public 2026-02-20T13:18:35 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-05 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:975 text/html public 2026-02-20T13:18:18 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:975 Rechtbank Limburg , 05-02-2026 / 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Arbeidszaak. Ontslag op staande voet barmedewerkster. Niet aanslaan drankjes op de kassa en geld toe-eigenen via fooienpot. Uit camerabeelden blijkt dat hiervan sprake is. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig verleend. Afwijzen verzochte vergoedingen. Gefixeerde schadevergoeding van de werkgever wordt afgewezen omdat voor het berekenen van de hoogte onvoldoende is gesteld. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Beschikking van 5 februari 2026 in de zaak van [werknemer] , wonende te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. D.M. Gijzen, tegen [werkgever] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. G. Debije. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst de verzoeken af, omdat het ontslag rechtsgeldig is verleend. Het tegenverzoek van de werkgever om de gefixeerde schadevergoeding te betalen wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 17 december 2025 ontvangen verzoekschrift, - het op 5 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met een tegenverzoek, - het op 15 januari 2026 ontvangen aanvulling verweerschrift, - de op 22 januari 2026 ontvangen aanvullende stukken van [werknemer] , - de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2. De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [datum] 1975, is bij [werkgever] in dienst als barmedewerkster tegen een loon van € 15,00 bruto per uur. 2.2. Op 5 november 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. 2.3. Op 12 november 2025 heeft [werknemer] met een brief van haar gemachtigde geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. Daarin staat - onder meer - het volgende vermeld: “Op 5 november 2025 heeft u cliënte op staande voet ontslagen, omdat zij drie dranken niet in de kassa aangeslagen zou hebben. U heeft haar daartoe twee kassa-overzichten getoond, die evenwel niets bewijzen, terwijl cliënte zich van geen kwaad bewust is.” 2.4. De gemachtigde van [werkgever] heeft met de brief van 13 november 2025 het ontslag op staande voet bevestigd. In deze brief staat - voor zover van belang - het volgende: “De dringende reden bestaat eruit dat u zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal/verduistering ten nadele van uw werkgever, in die zin dat u bij de verkoop van duurdere producten structureel een lager geprijsd artikel op de kassa aansloeg en het prijsverschil aan de fooienpot toevoegde, waarna u (uiteindelijk) de inhoud van de fooienpot in uw eigen broekzak heeft gestopt. Deze conclusie berust op de volgende, door ons vastgestelde feiten: 2 november 2025 (zondag): de heer [naam 1] heeft de kassa gecontroleerd. Uit de kassa-informatie bleek dat er verdacht weinig cappuccino’s, latte’s en chocolademelk waren geregistreerd. Naar aanleiding daarvan is een test uitgevoerd: op verzoek van de heer [naam 1] heeft een klant op 2 november 2025 meerdere cappuccino’s en latte’s besteld. 3 november 2025: bij controle bleken deze bestellingen niet in het kassasysteem terug te vinden. 4 november 2025: u bent hiermee geconfronteerd en bent daarop het werk uit eigen beweging verlaten. (…) 4 november 2025 (avond): de camerabeelden van de camera’s gericht op de kassa zijn geraadpleegd. Hierop is duidelijk te zien dat u stelselmatig bij verkoop van duurdere producten een goedkoper product aanslaat en het prijsverschil in de fooienpot stopt, waarna u de inhoud van de fooienpot in uw broekzak stopt. Op grond van deze feiten is sprake van diefstal/verduistering en bedrog (waaronder misdrijven die het vertrouwen van de werkgever onwaardig maken) als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW (diefstal/verduistering/bedrog en misbruik van omstandigheden) en een dringende reden in de zin van art. 7:678 lid 1 BW. Wij benadrukken dat het ontslag op staande voet uitsluitend hierop is gebaseerd (diefstal/verduistering ten laste van de werkgever). (…)” 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werknemer] verzoekt (samengevat) veroordeling van [werkgever] tot: betaling van de transitievergoeding van € 454,53, betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 2.509,65, betaling van een billijke vergoeding van € 8.844,50, betaling van het loon van € 2.679,30, betaling van de wettelijke verhoging van € 1.339,65, betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.113,50, betaling van de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen tot aan de dag van voldoening, verstrekken van een deugdelijke eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, betaling van de proceskosten. 3.2. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij voert daartoe het volgende aan. Tijdens het gesprek van 5 november 2025 is alleen besproken dat zij een aantal cappuccino’s en latte’s niet op de kassa zou hebben aangeslagen. [werknemer] betwist dit en is zich van geen kwaad bewust. Dat uit camerabeelden zou blijken dat [werknemer] stelselmatig bij verkoop van duurdere producten een goedkoper product op de kassa zou hebben aangeslagen en het prijsverschil in de fooienpot zou hebben stoppen, betwist [werknemer] . Klanten gaven haar geregeld fooien en die stopte ze in haar fooienpot. Op het einde van de dag nam zij de inhoud van haar eigen fooienpot mee naar huis. [werknemer] betwist daarmee onrechtmatig te hebben gehandeld. 3.3. [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert daartoe ‑ samengevat ‑ aan dat hij een klant gevraagd heeft om cappuccino’s en latte’s te bestellen en op te letten of anderen deze dranken bestelden. Deze klant heeft verklaard dat zij zeven mensen heeft gezien die dit besteld hebben. [werkgever] heeft voorafgaand aan de testbestelling een kassa-overzicht gemaakt en de volgende dag nogmaals. Op het tweede kassa-overzicht waren exact hetzelfde aantal cappuccino’s, latte’s en chocolademelk te zien als op het eerste overzicht. Na het terugkijken van de camerabeelden constateerde [werkgever] dat [werknemer] vaker goedkopere producten op de kassa aansloeg dan verkocht waren, dat zij het prijsverschil in de fooienpot stopte en dat [werknemer] zich de inhoud van de fooienpot vervolgens toe-eigende. 3.4. [werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (samengevat): Primair I. Te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] door het op 5 november 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is geëindigd; II. De verzoeken en vorderingen van [werknemer] af te wijzen; III. [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid; IV. [werknemer] te veroordelen in de proceskosten. Subsidiair: I. De arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn, zonder toekenning van enige vergoeding aan [werknemer] op grond van artikel 7:669 lid 1 jo. lid 3 sub e BW; II. Te bepalen dat [werknemer] geen transitievergoeding toekomst; III. De verzoeken en vorderingen van [werknemer] af te wijzen; IV. [werknemer] te veroordelen in de proceskosten. 3.5. Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan. 4 De beoordeling van de verzoeken Het verzoek van [werknemer] 4.1.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:975 text/xml public 2026-02-24T12:23:24 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-02-05 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Uitspraak Beschikking NL Maastricht Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl AR-Updates.nl 2026-0277 VAAN-AR-Updates.nl 2026-0277 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:975 text/html public 2026-02-20T13:18:18 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:975 Rechtbank Limburg , 05-02-2026 / 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Arbeidszaak. Ontslag op staande voet barmedewerkster. Niet aanslaan drankjes op de kassa en geld toe-eigenen via fooienpot. Uit camerabeelden blijkt dat hiervan sprake is. Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig verleend. Afwijzen verzochte vergoedingen. Gefixeerde schadevergoeding van de werkgever wordt afgewezen omdat voor het berekenen van de hoogte onvoldoende is gesteld. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 12021710 \ AZ VERZ 25-140 Beschikking van 5 februari 2026 in de zaak van [werknemer] , wonende te [plaats 1] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. D.M. Gijzen, tegen [werkgever] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , gemachtigde: mr. G. Debije. De zaak in het kort In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst de verzoeken af, omdat het ontslag rechtsgeldig is verleend. Het tegenverzoek van de werkgever om de gefixeerde schadevergoeding te betalen wordt afgewezen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het op 17 december 2025 ontvangen verzoekschrift, - het op 5 januari 2026 ontvangen verweerschrift, met een tegenverzoek, - het op 15 januari 2026 ontvangen aanvulling verweerschrift, - de op 22 januari 2026 ontvangen aanvullende stukken van [werknemer] , - de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2. De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [datum] 1975, is bij [werkgever] in dienst als barmedewerkster tegen een loon van € 15,00 bruto per uur. 2.2. Op 5 november 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. 2.3. Op 12 november 2025 heeft [werknemer] met een brief van haar gemachtigde geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. Daarin staat - onder meer - het volgende vermeld: “Op 5 november 2025 heeft u cliënte op staande voet ontslagen, omdat zij drie dranken niet in de kassa aangeslagen zou hebben. U heeft haar daartoe twee kassa-overzichten getoond, die evenwel niets bewijzen, terwijl cliënte zich van geen kwaad bewust is.” 2.4. De gemachtigde van [werkgever] heeft met de brief van 13 november 2025 het ontslag op staande voet bevestigd. In deze brief staat - voor zover van belang - het volgende: “De dringende reden bestaat eruit dat u zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal/verduistering ten nadele van uw werkgever, in die zin dat u bij de verkoop van duurdere producten structureel een lager geprijsd artikel op de kassa aansloeg en het prijsverschil aan de fooienpot toevoegde, waarna u (uiteindelijk) de inhoud van de fooienpot in uw eigen broekzak heeft gestopt. Deze conclusie berust op de volgende, door ons vastgestelde feiten: 2 november 2025 (zondag): de heer [naam 1] heeft de kassa gecontroleerd. Uit de kassa-informatie bleek dat er verdacht weinig cappuccino’s, latte’s en chocolademelk waren geregistreerd. Naar aanleiding daarvan is een test uitgevoerd: op verzoek van de heer [naam 1] heeft een klant op 2 november 2025 meerdere cappuccino’s en latte’s besteld. 3 november 2025: bij controle bleken deze bestellingen niet in het kassasysteem terug te vinden. 4 november 2025: u bent hiermee geconfronteerd en bent daarop het werk uit eigen beweging verlaten. (…) 4 november 2025 (avond): de camerabeelden van de camera’s gericht op de kassa zijn geraadpleegd. Hierop is duidelijk te zien dat u stelselmatig bij verkoop van duurdere producten een goedkoper product aanslaat en het prijsverschil in de fooienpot stopt, waarna u de inhoud van de fooienpot in uw broekzak stopt. Op grond van deze feiten is sprake van diefstal/verduistering en bedrog (waaronder misdrijven die het vertrouwen van de werkgever onwaardig maken) als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 BW (diefstal/verduistering/bedrog en misbruik van omstandigheden) en een dringende reden in de zin van art. 7:678 lid 1 BW. Wij benadrukken dat het ontslag op staande voet uitsluitend hierop is gebaseerd (diefstal/verduistering ten laste van de werkgever). (…)” 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werknemer] verzoekt (samengevat) veroordeling van [werkgever] tot: betaling van de transitievergoeding van € 454,53, betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 2.509,65, betaling van een billijke vergoeding van € 8.844,50, betaling van het loon van € 2.679,30, betaling van de wettelijke verhoging van € 1.339,65, betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.113,50, betaling van de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen tot aan de dag van voldoening, verstrekken van een deugdelijke eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, betaling van de proceskosten. 3.2. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Zij voert daartoe het volgende aan. Tijdens het gesprek van 5 november 2025 is alleen besproken dat zij een aantal cappuccino’s en latte’s niet op de kassa zou hebben aangeslagen. [werknemer] betwist dit en is zich van geen kwaad bewust. Dat uit camerabeelden zou blijken dat [werknemer] stelselmatig bij verkoop van duurdere producten een goedkoper product op de kassa zou hebben aangeslagen en het prijsverschil in de fooienpot zou hebben stoppen, betwist [werknemer] . Klanten gaven haar geregeld fooien en die stopte ze in haar fooienpot. Op het einde van de dag nam zij de inhoud van haar eigen fooienpot mee naar huis. [werknemer] betwist daarmee onrechtmatig te hebben gehandeld. 3.3. [werkgever] voert verweer en stelt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. [werkgever] voert daartoe ‑ samengevat ‑ aan dat hij een klant gevraagd heeft om cappuccino’s en latte’s te bestellen en op te letten of anderen deze dranken bestelden. Deze klant heeft verklaard dat zij zeven mensen heeft gezien die dit besteld hebben. [werkgever] heeft voorafgaand aan de testbestelling een kassa-overzicht gemaakt en de volgende dag nogmaals. Op het tweede kassa-overzicht waren exact hetzelfde aantal cappuccino’s, latte’s en chocolademelk te zien als op het eerste overzicht. Na het terugkijken van de camerabeelden constateerde [werkgever] dat [werknemer] vaker goedkopere producten op de kassa aansloeg dan verkocht waren, dat zij het prijsverschil in de fooienpot stopte en dat [werknemer] zich de inhoud van de fooienpot vervolgens toe-eigende. 3.4. [werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (samengevat): Primair I. Te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] door het op 5 november 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is geëindigd; II. De verzoeken en vorderingen van [werknemer] af te wijzen; III. [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid; IV. [werknemer] te veroordelen in de proceskosten. Subsidiair: I. De arbeidsovereenkomst te ontbinden op de kortst mogelijke termijn, zonder toekenning van enige vergoeding aan [werknemer] op grond van artikel 7:669 lid 1 jo. lid 3 sub e BW; II. Te bepalen dat [werknemer] geen transitievergoeding toekomst; III. De verzoeken en vorderingen van [werknemer] af te wijzen; IV. [werknemer] te veroordelen in de proceskosten. 3.5. Op de stelling van partijen wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan. 4 De beoordeling van de verzoeken Het verzoek van [werknemer] 4.1.
Volledig
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Ontslag op staande voet, juridisch kader 4.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is . Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld aan de werknemer . Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven. Welke dringende reden(en) heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd? 4.3. Het ontslag op staande voet is op 5 november 2025 mondeling verleend. In haar brief van 13 november 2025 heeft [werkgever] het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd. In deze brief heeft [werknemer] aangevoerd dat [werknemer] op staande voet is ontslagen op grond van diefstal/verduistering ten laste van [werkgever] . Daarbij baseert [werkgever] zich op twee stellingen. De eerste stelling is dat [werknemer] te weinig cappuccino’s en latte’s op de kassa aansloeg. De tweede stelling is dat uit camerabeelden was gebleken dat [werknemer] stelselmatig bij de verkoop van duurdere producten een lager geprijsd product op de kassa aansloeg, het prijsverschil in de fooienpot stopte en de fooienpot meenam. 4.4. [werknemer] stelt dat [werkgever] in het gesprek van 5 november 2025 alleen als ontslaggrond heeft medegedeeld dat zij te weinig cappuccino’s en latte’s op de kassa heeft aangeslagen. Daartoe heeft [werkgever] aan haar twee kassa-overzichten laten zien die dit zouden bevestigen . [werkgever] vond het vreemd dat er weinig cappuccino’s en latte’s verkocht werden, terwijl hij wel klanten met deze drankjes zag. Hij heeft toen op 2 november 2025 een klant gevraagd om, in de pauze van een kienavond, een aantal cappuccino’s en latte’s te bestellen. Voorafgaand aan deze pauze maakte [werkgever] een kassa-overzicht. De volgende middag maakte hij nogmaals een kassa-overzicht om te kijken wat er aan drankjes bij was gekomen. Op deze overzichten is te zien dat op 2 november 2025 om 20:40 uur twee ‘choco/latte’ zijn verkocht en vier ‘cappuccino’ . Op 3 november 2025 om 13:58 uur staan eveneens twee ‘choco/latte’ en vier ‘cappuccino’ op het kassa-overzicht. Het aantal verkochte frisdrank, snacks en koffie/thee waren wel toegenomen. In het gesprek van 5 november 2025 betwistte [werknemer] dat zij geen cappuccino’s of latte’s had aangeslagen die wel besteld zouden zijn. 4.5. [werknemer] betwist dat haar op 5 november 2025 is verteld dat uit camerabeelden bleek dat zij stelselmatig goedkopere producten op de kassa aansloeg, het prijsverschil in de fooienpot stopte en zich deze fooienpot toe-eigende (hierna: tweede ontslaggrond). Zoals hierboven overwogen dienen de dringende redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen gelijktijdig met het ontslag aan de werknemer medegedeeld te worden. Gelet op de betwisting van [werknemer] is het aan [werkgever] om bewijs te leveren dat ook deze tweede ontslaggrond aan [werknemer] op 5 november 2025 of kort daarna is medegedeeld. 4.6. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling herhaaldelijk verklaard dat hij de camerabeelden niet met [werknemer] heeft kunnen bespreken omdat [werknemer] (voortijdig) uit het gesprek was weggelopen. Na de schorsing van de mondelinge behandeling is hij daar weliswaar op teruggekomen, maar nu een verdere onderbouwing daarvan is uitgebleven, is [werkgever] niet in de bewijslevering geslaagd dat hij de tweede ontslaggrond op 5 november 2025 aan [werknemer] heeft medegedeeld. De enkele vermelding hiervan in de brief van 13 november 2025 is niet onverwijld. [werkgever] heeft immers verklaard dat hij de camerabeelden voorafgaand aan het gesprek van 5 november 2025 al had bekeken. De kantonrechter concludeert daaruit dat het onderzoek daarmee al was afgerond. Alle dringende redenen voor het ontslag op staande voet waren daarmee al bekend voorafgaand aan het gesprek van 5 november 2025. Dat [werknemer] het gesprek voortijdig zou hebben verlaten, hetgeen [werknemer] overigens heeft betwist, zou [werkgever] niet ervan hebben mogen weerhouden om de tweede ontslaggrond per ommegaande aan [werknemer] mede te delen. 13 november 2025 is dan te laat. 4.7. Door het niet aanslaan van verkochte cappuccino’s en/of latte’s wordt [werknemer] verweten dat zij de betaalde prijs van deze drankjes heeft behouden. Met andere woorden dat [werknemer] zich geld heeft toegeëigend dat [werkgever] toekomt en dat [werknemer] dus gestolen heeft van [werkgever] . [werknemer] heeft in het door haar overgelegde whatsapp-bericht bevestigd dat [werkgever] haar heeft beschuldigd van diefstal omdat zij deze cappuccino’s niet of anders heeft aangeslagen en het bedrag in haar fooienpot heeft gestopt . Komt vast te staan dat [werknemer] van [werkgever] heeft gestolen? 4.8. [werkgever] heeft drie bewijsmiddelen aangedragen waaruit zou blijken dat [werknemer] de cappuccino’s niet heeft aangeslagen en daarmee heeft gestolen van [werkgever] . Het eerste bewijsmiddel betreft de kassa-overzichten. Zoals in r.o. 4.4. overwogen, is hierop te zien dat er tussen 2 november 2025 te 20:40 uur en 3 november 2025 te 13:58 uur geen cappuccino’s en latte’s op de kassa zijn aangeslagen. Maar hieruit valt niet af te leiden dat er in de tussenliggende periode van de overzichten wel cappuccino’s en latte’s waren besteld, die niet door [werknemer] waren aangeslagen. 4.9. Het tweede bewijsmiddel betreft de verklaring van mevrouw [naam 2] . Daarin verklaart zij - voor zover van belang - het volgende: “Mij werd door [naam 1] gevraagd om voor de pauze en na de pauze latte + capacino te bestellen. Tevens moest ik opletten of er meer dranken zoals latte capecino / chocomelk besteld werden. Dit kan ik beamen heb zeker 7 tal personen gezien die dit besteld hebben.” Onbetwist is dat de verklaring van mevrouw [naam 2] ziet op de kienavond van 2 november 2025. Uit deze verklaring is niet duidelijk of het gezelschap van mevrouw [naam 2] zelf cappuccino’s en latte’s heeft besteld, maar wel dat zij ongeveer zeven mensen met dergelijke drankjes heeft gezien. [werknemer] heeft hiertegen ingebracht dat het druk was en dat het kan zijn dat zij misschien één of twee keer is vergeten om een cappuccino aan te slaan. Verder heeft [werknemer] de betrouwbaarheid van deze getuige betwist, maar, na een betwisting van [werkgever] , verder onvoldoende onderbouwd. 4.10. Als derde bewijsmiddel heeft [werkgever] camerabeelden in het geding gebracht van 2 november 2025 . [werkgever] heeft in zijn brief van 13 november 2025 melding gemaakt van deze camerabeelden. Op verzoek van de gemachtigde van [werknemer] heeft [werkgever] deze beelden toegestuurd. Op deze beelden is (indien die vertraagd worden afgespeeld) het volgende te zien: 20:55:40 (uur): [werknemer] geeft een spa rood en een Rivella aan een klant en slaat één keer op de fris-knop van de kassa.
Volledig
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, of aan [werknemer] een billijke vergoeding moet worden toegekend en of [werkgever] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst de verzoeken van [werknemer] af. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Ontslag op staande voet, juridisch kader 4.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is . Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld aan de werknemer . Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven. Welke dringende reden(en) heeft [werkgever] aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd? 4.3. Het ontslag op staande voet is op 5 november 2025 mondeling verleend. In haar brief van 13 november 2025 heeft [werkgever] het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd. In deze brief heeft [werknemer] aangevoerd dat [werknemer] op staande voet is ontslagen op grond van diefstal/verduistering ten laste van [werkgever] . Daarbij baseert [werkgever] zich op twee stellingen. De eerste stelling is dat [werknemer] te weinig cappuccino’s en latte’s op de kassa aansloeg. De tweede stelling is dat uit camerabeelden was gebleken dat [werknemer] stelselmatig bij de verkoop van duurdere producten een lager geprijsd product op de kassa aansloeg, het prijsverschil in de fooienpot stopte en de fooienpot meenam. 4.4. [werknemer] stelt dat [werkgever] in het gesprek van 5 november 2025 alleen als ontslaggrond heeft medegedeeld dat zij te weinig cappuccino’s en latte’s op de kassa heeft aangeslagen. Daartoe heeft [werkgever] aan haar twee kassa-overzichten laten zien die dit zouden bevestigen . [werkgever] vond het vreemd dat er weinig cappuccino’s en latte’s verkocht werden, terwijl hij wel klanten met deze drankjes zag. Hij heeft toen op 2 november 2025 een klant gevraagd om, in de pauze van een kienavond, een aantal cappuccino’s en latte’s te bestellen. Voorafgaand aan deze pauze maakte [werkgever] een kassa-overzicht. De volgende middag maakte hij nogmaals een kassa-overzicht om te kijken wat er aan drankjes bij was gekomen. Op deze overzichten is te zien dat op 2 november 2025 om 20:40 uur twee ‘choco/latte’ zijn verkocht en vier ‘cappuccino’ . Op 3 november 2025 om 13:58 uur staan eveneens twee ‘choco/latte’ en vier ‘cappuccino’ op het kassa-overzicht. Het aantal verkochte frisdrank, snacks en koffie/thee waren wel toegenomen. In het gesprek van 5 november 2025 betwistte [werknemer] dat zij geen cappuccino’s of latte’s had aangeslagen die wel besteld zouden zijn. 4.5. [werknemer] betwist dat haar op 5 november 2025 is verteld dat uit camerabeelden bleek dat zij stelselmatig goedkopere producten op de kassa aansloeg, het prijsverschil in de fooienpot stopte en zich deze fooienpot toe-eigende (hierna: tweede ontslaggrond). Zoals hierboven overwogen dienen de dringende redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen gelijktijdig met het ontslag aan de werknemer medegedeeld te worden. Gelet op de betwisting van [werknemer] is het aan [werkgever] om bewijs te leveren dat ook deze tweede ontslaggrond aan [werknemer] op 5 november 2025 of kort daarna is medegedeeld. 4.6. [werkgever] heeft op de mondelinge behandeling herhaaldelijk verklaard dat hij de camerabeelden niet met [werknemer] heeft kunnen bespreken omdat [werknemer] (voortijdig) uit het gesprek was weggelopen. Na de schorsing van de mondelinge behandeling is hij daar weliswaar op teruggekomen, maar nu een verdere onderbouwing daarvan is uitgebleven, is [werkgever] niet in de bewijslevering geslaagd dat hij de tweede ontslaggrond op 5 november 2025 aan [werknemer] heeft medegedeeld. De enkele vermelding hiervan in de brief van 13 november 2025 is niet onverwijld. [werkgever] heeft immers verklaard dat hij de camerabeelden voorafgaand aan het gesprek van 5 november 2025 al had bekeken. De kantonrechter concludeert daaruit dat het onderzoek daarmee al was afgerond. Alle dringende redenen voor het ontslag op staande voet waren daarmee al bekend voorafgaand aan het gesprek van 5 november 2025. Dat [werknemer] het gesprek voortijdig zou hebben verlaten, hetgeen [werknemer] overigens heeft betwist, zou [werkgever] niet ervan hebben mogen weerhouden om de tweede ontslaggrond per ommegaande aan [werknemer] mede te delen. 13 november 2025 is dan te laat. 4.7. Door het niet aanslaan van verkochte cappuccino’s en/of latte’s wordt [werknemer] verweten dat zij de betaalde prijs van deze drankjes heeft behouden. Met andere woorden dat [werknemer] zich geld heeft toegeëigend dat [werkgever] toekomt en dat [werknemer] dus gestolen heeft van [werkgever] . [werknemer] heeft in het door haar overgelegde whatsapp-bericht bevestigd dat [werkgever] haar heeft beschuldigd van diefstal omdat zij deze cappuccino’s niet of anders heeft aangeslagen en het bedrag in haar fooienpot heeft gestopt . Komt vast te staan dat [werknemer] van [werkgever] heeft gestolen? 4.8. [werkgever] heeft drie bewijsmiddelen aangedragen waaruit zou blijken dat [werknemer] de cappuccino’s niet heeft aangeslagen en daarmee heeft gestolen van [werkgever] . Het eerste bewijsmiddel betreft de kassa-overzichten. Zoals in r.o. 4.4. overwogen, is hierop te zien dat er tussen 2 november 2025 te 20:40 uur en 3 november 2025 te 13:58 uur geen cappuccino’s en latte’s op de kassa zijn aangeslagen. Maar hieruit valt niet af te leiden dat er in de tussenliggende periode van de overzichten wel cappuccino’s en latte’s waren besteld, die niet door [werknemer] waren aangeslagen. 4.9. Het tweede bewijsmiddel betreft de verklaring van mevrouw [naam 2] . Daarin verklaart zij - voor zover van belang - het volgende: “Mij werd door [naam 1] gevraagd om voor de pauze en na de pauze latte + capacino te bestellen. Tevens moest ik opletten of er meer dranken zoals latte capecino / chocomelk besteld werden. Dit kan ik beamen heb zeker 7 tal personen gezien die dit besteld hebben.” Onbetwist is dat de verklaring van mevrouw [naam 2] ziet op de kienavond van 2 november 2025. Uit deze verklaring is niet duidelijk of het gezelschap van mevrouw [naam 2] zelf cappuccino’s en latte’s heeft besteld, maar wel dat zij ongeveer zeven mensen met dergelijke drankjes heeft gezien. [werknemer] heeft hiertegen ingebracht dat het druk was en dat het kan zijn dat zij misschien één of twee keer is vergeten om een cappuccino aan te slaan. Verder heeft [werknemer] de betrouwbaarheid van deze getuige betwist, maar, na een betwisting van [werkgever] , verder onvoldoende onderbouwd. 4.10. Als derde bewijsmiddel heeft [werkgever] camerabeelden in het geding gebracht van 2 november 2025 . [werkgever] heeft in zijn brief van 13 november 2025 melding gemaakt van deze camerabeelden. Op verzoek van de gemachtigde van [werknemer] heeft [werkgever] deze beelden toegestuurd. Op deze beelden is (indien die vertraagd worden afgespeeld) het volgende te zien: 20:55:40 (uur): [werknemer] geeft een spa rood en een Rivella aan een klant en slaat één keer op de fris-knop van de kassa.
Volledig
De drankjes samen kosten (2 x € 2,25 =) € 4,50). [werknemer] ontvangt van de klant een briefje van € 5,00 en geeft een muntje van € 0,50 retour. Daarmee is correct afgerekend, maar toch pakt [werknemer] een muntje van € 2,00 uit de kassa en stopt dit in de fooienpot. Daarmee heeft [werknemer] € 2,00 aan de kassa onttrokken. 20:56:28 (uur): [werknemer] heeft 2 x de knop koffie/thee aangeslagen. Dat is samen voor een bedrag van (2 x € 2,25 =) € 4,50. [werknemer] ontvangt van de klant een briefje van € 5,00 en stopt het wisselgeld van € 0,50 in de fooienpot. Daarmee is de transactie correct afgerond. Ook stopt ze een ander muntstuk, dat ze in haar hand had, in de fooienpot. 21:09:19 (uur): [werknemer] geeft één fris ter waarde van € 2,25. Op de kassa drukt ze alleen op de knop ‘lade openen’. Er wordt dus geen consumptie aangeslagen op de kassa. Van de klant ontvangt ze een briefje van € 5,00 en ze geeft een muntje van € 0,50 en een muntje van € 2,00 (samen € 2,50) retour. Omdat er niets is aangeslagen, is er nu € 2,50 in de kassa gestopt (€ 5,00 - € 2,50). [werknemer] pakt twee muntstukken van € 2,00 uit de kassa en stopt die in de fooienpot. [werknemer] heeft daarmee (€ 2,50 - € 4,00 =) € 1,50 aan de kassa onttrokken. 21:11:13 (uur): [werknemer] slaat 2 x op de fris-knop. Dat is samen voor een bedrag van (2 x € 2,25 =) € 4,50. Van de klant ontvangt ze een briefje van € 10,00. [werknemer] geeft een muntje van € 0,05, een muntje van € 0,20, een muntje van € 1,00 en een muntje van € 2,00 retour. Daarmee heeft ze de klant € 3,25 retour. [werknemer] zou dan (€ 10,00 - (€ 4,50 + € 3,25 =) € 2,25 fooi hebben ontvangen. (Omdat niet te zien hoeveel dranken [werknemer] aan de klant heeft gegeven, is het ook mogelijk dat de klant drie frisdranken heeft besteld en geen fooi heeft gegeven. De klant heeft in dat geval exact genoeg wisselgeld gekregen.) [werknemer] pakt 2 x een muntstuk van € 1,00 uit de kassa en stopt die in de fooienpot. [werknemer] heeft dus óf € 2,00 onterecht aan de kassa onttrokken (omdat ze één fris niet heeft aangeslagen), of € 0,25 te weinig fooi in de pot gedaan. 21:13:31 (uur): [werknemer] geeft de klant een spa rood ter waarde van € 2,25. [werknemer] ontvangt van de klant een muntje van € 2,00, een muntje van € 0,20 en een muntje van € 0,05 (samen € 2,25). Deze muntjes liggen al klaar op de toonbank. [werknemer] drukt op de kassa alleen op de knop ‘lade openen’, zodat er geen consumptie wordt aangeslagen. Omdat er niets is aangeslagen, is er nu € 2,25 in de kassa gestopt. [werknemer] pakt een muntje van € 2,00 uit de kassa en stopt dat in de fooienpot. [werknemer] heeft daarmee € 2,00 aan de kassa onttrokken. 4.11. Uit bovengenoemde beeldfragmenten blijkt dat op de fragmenten 2 en 4 niet duidelijk is te zien wat er mis zou zijn. Daarvoor ontbreekt nog nadere informatie over welk muntje [werknemer] in haar hand had en hoe ze daaraan kwam (fragment 2), en wat de bestelling is geweest (fragment 4). Op de fragmenten 1, 3 en 5 is echter duidelijk te zien dat [werknemer] onterecht geld uit de kassa haalt en in de fooienpot stopt. Onbetwist is dat [werknemer] de inhoud van de fooienpot heeft meegenomen. Zij heeft daardoor (deels) geld meegenomen dat in de kassa had moeten blijven en aan [werkgever] toekwam. 4.12. De camerabeelden bewijzen dan misschien niet dat [werknemer] geen cappuccino’s heeft aangeslagen waar dat wel had gemoeten, maar wel dat [werknemer] onterecht geld uit de kassa van [werkgever] in haar fooienpot heeft gedaan en dit geld heeft meegenomen. In combinatie met de verklaring van [naam 2] en de kassaoverzichten, is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] voldoende bewijs heeft geleverd dat [werknemer] inderdaad geld van haar heeft verduisterd. Dat is ook wat [werkgever] [werknemer] in het gesprek van 5 november 2025 heeft verweten. Zo had [werknemer] dat ook zelf begrepen . Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig 4.13. Het ontvreemden van geld van de werkgever is dermate ernstig dat dit op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert . [werkgever] heeft terecht aangevoerd dat in zijn bedrijf bijna alle consumpties contant betaald worden en dat hij zijn werknemers moet kunnen vertrouwen. Door gelden van haar werkgever te verduisteren is [werknemer] dit vertrouwen onwaardig geworden. Van [werkgever] kan dan niet langer verwacht worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. Afwijzing van de verzochte vergoedingen 4.14. De verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. 4.15. Ook de verzochte transitievergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is [werkgever] geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd . [werkgever] is [werknemer] geen loon verschuldigd 4.16. [werknemer] verzoekt ook betaling van loon van € 2.679,30. Dit bedrag zou bestaan uit de vakantietoeslag vanaf 8 november 2024 en uitbetaling van 97,5 opgebouwde maar nog niet opgenomen vakantie-uren. [werkgever] heeft dit betwist en op de ter zitting door [werknemer] overgelegde loonstroken blijkt dat maandelijks verlofuren en vakantietoeslag zijn uitbetaald. [werknemer] heeft toen ook bevestigd dat de verlofuren en vakantietoeslag maandelijks werd uitbetaald. Of en zo ja, welk bedrag dan alsnog open zou staan, heeft [werknemer] niet, althans onvoldoende, gesteld. Aangezien zij wel de beschikking had over de loonstroken, had het op haar weg gelegen om nader te onderbouwen wat er niet klopte aan de uitbetaling van de verlofuren en vakantietoeslag. Nu zij dit heeft nagelaten, zal dit verzoek als onvoldoende gesteld worden afgewezen. Nevenverzoeken 4.17. Nu de hoofdverzoeken van [werknemer] worden afgewezen, zullen de daarmee verband houdende nevenverzoeken (buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente) eveneens worden afgewezen. Eindafrekening 4.18. [werknemer] verzoekt afgifte van de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke zou blijven. [werkgever] heeft bevestigd dat hij nog een eindafrekening moet toesturen, mede omdat de betalingen niet allemaal corresponderen met de loonstroken. Nu [werkgever] verplicht is om een eindafrekening te verstrekken, zal dit verzoek worden toegewezen. De verzochte dwangsom zal evenwel worden afgewezen, omdat [werkgever] ter zitting heeft toegezegd deze eindafrekening aan [werknemer] te verstrekken en de kantonrechter geen reden heeft om daaraan te twijfelen. Het tegenverzoek van [werkgever] Verklaring voor recht wordt toegewezen 4.19. Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend, zal de verzochte verklaring voor recht, dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] door het op 5 november 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is geëindigd, worden toegewezen. Gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen 4.20. [werkgever] verzoekt [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW. [werkgever] heeft enkel verzocht om betaling van een schadevergoeding gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn, maar heeft verzuimd te stellen om welk bedrag het gaat. Te meer daar [werkgever] betwistte dat [werknemer] vaste uren had en daarmee geen vast loon, had het op zijn weg gelegen om het bedrag te specificeren wat hij aan schadevergoeding vordert. Als onvoldoende gesteld, zal het verzoek worden afgewezen. Subsidiaire verzoek 4.21. Het subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn verleend.
Volledig
De drankjes samen kosten (2 x € 2,25 =) € 4,50). [werknemer] ontvangt van de klant een briefje van € 5,00 en geeft een muntje van € 0,50 retour. Daarmee is correct afgerekend, maar toch pakt [werknemer] een muntje van € 2,00 uit de kassa en stopt dit in de fooienpot. Daarmee heeft [werknemer] € 2,00 aan de kassa onttrokken. 20:56:28 (uur): [werknemer] heeft 2 x de knop koffie/thee aangeslagen. Dat is samen voor een bedrag van (2 x € 2,25 =) € 4,50. [werknemer] ontvangt van de klant een briefje van € 5,00 en stopt het wisselgeld van € 0,50 in de fooienpot. Daarmee is de transactie correct afgerond. Ook stopt ze een ander muntstuk, dat ze in haar hand had, in de fooienpot. 21:09:19 (uur): [werknemer] geeft één fris ter waarde van € 2,25. Op de kassa drukt ze alleen op de knop ‘lade openen’. Er wordt dus geen consumptie aangeslagen op de kassa. Van de klant ontvangt ze een briefje van € 5,00 en ze geeft een muntje van € 0,50 en een muntje van € 2,00 (samen € 2,50) retour. Omdat er niets is aangeslagen, is er nu € 2,50 in de kassa gestopt (€ 5,00 - € 2,50). [werknemer] pakt twee muntstukken van € 2,00 uit de kassa en stopt die in de fooienpot. [werknemer] heeft daarmee (€ 2,50 - € 4,00 =) € 1,50 aan de kassa onttrokken. 21:11:13 (uur): [werknemer] slaat 2 x op de fris-knop. Dat is samen voor een bedrag van (2 x € 2,25 =) € 4,50. Van de klant ontvangt ze een briefje van € 10,00. [werknemer] geeft een muntje van € 0,05, een muntje van € 0,20, een muntje van € 1,00 en een muntje van € 2,00 retour. Daarmee heeft ze de klant € 3,25 retour. [werknemer] zou dan (€ 10,00 - (€ 4,50 + € 3,25 =) € 2,25 fooi hebben ontvangen. (Omdat niet te zien hoeveel dranken [werknemer] aan de klant heeft gegeven, is het ook mogelijk dat de klant drie frisdranken heeft besteld en geen fooi heeft gegeven. De klant heeft in dat geval exact genoeg wisselgeld gekregen.) [werknemer] pakt 2 x een muntstuk van € 1,00 uit de kassa en stopt die in de fooienpot. [werknemer] heeft dus óf € 2,00 onterecht aan de kassa onttrokken (omdat ze één fris niet heeft aangeslagen), of € 0,25 te weinig fooi in de pot gedaan. 21:13:31 (uur): [werknemer] geeft de klant een spa rood ter waarde van € 2,25. [werknemer] ontvangt van de klant een muntje van € 2,00, een muntje van € 0,20 en een muntje van € 0,05 (samen € 2,25). Deze muntjes liggen al klaar op de toonbank. [werknemer] drukt op de kassa alleen op de knop ‘lade openen’, zodat er geen consumptie wordt aangeslagen. Omdat er niets is aangeslagen, is er nu € 2,25 in de kassa gestopt. [werknemer] pakt een muntje van € 2,00 uit de kassa en stopt dat in de fooienpot. [werknemer] heeft daarmee € 2,00 aan de kassa onttrokken. 4.11. Uit bovengenoemde beeldfragmenten blijkt dat op de fragmenten 2 en 4 niet duidelijk is te zien wat er mis zou zijn. Daarvoor ontbreekt nog nadere informatie over welk muntje [werknemer] in haar hand had en hoe ze daaraan kwam (fragment 2), en wat de bestelling is geweest (fragment 4). Op de fragmenten 1, 3 en 5 is echter duidelijk te zien dat [werknemer] onterecht geld uit de kassa haalt en in de fooienpot stopt. Onbetwist is dat [werknemer] de inhoud van de fooienpot heeft meegenomen. Zij heeft daardoor (deels) geld meegenomen dat in de kassa had moeten blijven en aan [werkgever] toekwam. 4.12. De camerabeelden bewijzen dan misschien niet dat [werknemer] geen cappuccino’s heeft aangeslagen waar dat wel had gemoeten, maar wel dat [werknemer] onterecht geld uit de kassa van [werkgever] in haar fooienpot heeft gedaan en dit geld heeft meegenomen. In combinatie met de verklaring van [naam 2] en de kassaoverzichten, is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] voldoende bewijs heeft geleverd dat [werknemer] inderdaad geld van haar heeft verduisterd. Dat is ook wat [werkgever] [werknemer] in het gesprek van 5 november 2025 heeft verweten. Zo had [werknemer] dat ook zelf begrepen . Het ontslag op staande voet is rechtsgeldig 4.13. Het ontvreemden van geld van de werkgever is dermate ernstig dat dit op zichzelf staand een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert . [werkgever] heeft terecht aangevoerd dat in zijn bedrijf bijna alle consumpties contant betaald worden en dat hij zijn werknemers moet kunnen vertrouwen. Door gelden van haar werkgever te verduisteren is [werknemer] dit vertrouwen onwaardig geworden. Van [werkgever] kan dan niet langer verwacht worden dat hij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. De conclusie is dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend. Afwijzing van de verzochte vergoedingen 4.14. De verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging worden afgewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. 4.15. Ook de verzochte transitievergoeding wordt afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen of nalaten van [werknemer] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Daarom is [werkgever] geen transitievergoeding aan [werknemer] verschuldigd . [werkgever] is [werknemer] geen loon verschuldigd 4.16. [werknemer] verzoekt ook betaling van loon van € 2.679,30. Dit bedrag zou bestaan uit de vakantietoeslag vanaf 8 november 2024 en uitbetaling van 97,5 opgebouwde maar nog niet opgenomen vakantie-uren. [werkgever] heeft dit betwist en op de ter zitting door [werknemer] overgelegde loonstroken blijkt dat maandelijks verlofuren en vakantietoeslag zijn uitbetaald. [werknemer] heeft toen ook bevestigd dat de verlofuren en vakantietoeslag maandelijks werd uitbetaald. Of en zo ja, welk bedrag dan alsnog open zou staan, heeft [werknemer] niet, althans onvoldoende, gesteld. Aangezien zij wel de beschikking had over de loonstroken, had het op haar weg gelegen om nader te onderbouwen wat er niet klopte aan de uitbetaling van de verlofuren en vakantietoeslag. Nu zij dit heeft nagelaten, zal dit verzoek als onvoldoende gesteld worden afgewezen. Nevenverzoeken 4.17. Nu de hoofdverzoeken van [werknemer] worden afgewezen, zullen de daarmee verband houdende nevenverzoeken (buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente) eveneens worden afgewezen. Eindafrekening 4.18. [werknemer] verzoekt afgifte van de eindafrekening op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [werkgever] hiermee in gebreke zou blijven. [werkgever] heeft bevestigd dat hij nog een eindafrekening moet toesturen, mede omdat de betalingen niet allemaal corresponderen met de loonstroken. Nu [werkgever] verplicht is om een eindafrekening te verstrekken, zal dit verzoek worden toegewezen. De verzochte dwangsom zal evenwel worden afgewezen, omdat [werkgever] ter zitting heeft toegezegd deze eindafrekening aan [werknemer] te verstrekken en de kantonrechter geen reden heeft om daaraan te twijfelen. Het tegenverzoek van [werkgever] Verklaring voor recht wordt toegewezen 4.19. Omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend, zal de verzochte verklaring voor recht, dat de arbeidsovereenkomst tussen [werkgever] en [werknemer] door het op 5 november 2025 gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is geëindigd, worden toegewezen. Gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen 4.20. [werkgever] verzoekt [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 2 BW. [werkgever] heeft enkel verzocht om betaling van een schadevergoeding gelijk aan het loon over de geldende opzegtermijn, maar heeft verzuimd te stellen om welk bedrag het gaat. Te meer daar [werkgever] betwistte dat [werknemer] vaste uren had en daarmee geen vast loon, had het op zijn weg gelegen om het bedrag te specificeren wat hij aan schadevergoeding vordert. Als onvoldoende gesteld, zal het verzoek worden afgewezen. Subsidiaire verzoek 4.21. Het subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig zou zijn verleend.