Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-08-24
ECLI:NL:RBLIM:2026:8936
TBS met voorwaarden en gevangenisstraf voor opzettelijke brandstichting in woning. Sterk verminderd toerekeningsvatbaar. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Strafrecht Parketnummer : 03.022799.25 Tegenspraak Vonnis van de meervoudige kamer van 24 augustus 2026 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboortegegevens] 1991, gedetineerd in [P.I.] . De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat kantoorhoudende te Doorn. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 augustus 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Namens de benadeelde partij [benadeelde] is op de zitting gehoord mr. F.E.L. Teerling, advocaat kantoorhoudende te Heerlen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 21 januari 2025 te Eygelshoven opzettelijk brand heeft gesticht, waardoor er gevaar voor goederen en personen is ontstaan. 3 De beoordeling van het bewijs 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het feit zoals ten laste is gelegd. Uit zowel het onderzoek naar de oorzaak van de brand als uit de uitlatingen die de verdachte tegenover de politie heeft gedaan, blijkt dat de verdachte de brand opzettelijk heeft gesticht. Daarbij was ook levensgevaar te duchten voor de medeflatbewoners. 3.2 Het standpunt van de verdediging De verdachte ontkent dat hij de brand opzettelijk heeft gesticht. Hij heeft verklaard dat hij er ’s morgens iets aan het smelten was. Een zak achterin de woonkamer vatte in één keer vlam. Het was tabak die nog smeulde. Dat ging zo snel dat hij het niet meer uitkreeg. Misschien kwam het omdat hij het raam opendeed en er zuurstof bij kwam. Het gordijn vatte vlam en daarnaast stond een matras. De verdachte heeft het niet aangestoken. Bij de rechter-commissaris verklaarde de verdachte dat een sigaret was gaan smeulen in een vuilniszak. Ter terechtzitting is hij bij dit scenario gebleven. 3.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen Verbalisanten [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] relateerden als volgt : Op dinsdag 21 januari 2025 omstreeks 6.45 uur boden wij ons aan om te gaan naar de woningbrand op de [adres 1] te Eygelshoven. Daar hielden wij [verdachte] op heterdaad aan terzake brandstichting. In de auto, onderweg naar het cellencomplex, hoorde ik – verbalisant [naam 3] - dat de verdachte zei dat hij het jammer vond dat hij op deze manier de aandacht van de politie kreeg. Hij zei dat hij vannacht op een ‘kleinere manier’ aandacht van de politie probeerde de krijgen maar dat de politie niet wilde luisteren. Hier verwees de verdachte naar een incident eerder in de nacht, waarbij hij brand had gesticht in zijn appartement. Hierbij waren collega’s ter plaatse geweest. Ik – verbalisant [naam 2] - hoorde dat de verdachte zei dat hij niet gehoord werd. Hij zei dat hij dit moest doen en dat de brand was gesticht in de woonkamer. Ik hoorde dat hij zei dat hij geen mensen pijn wilde doen, maar dat hij geen andere optie zag dan dit te doen. (…) Wij, verbalisanten, zagen dat de handen van de verdachte zwart waren. In een proces-verbaal van bevindingen staan de 112-meldingen van 21 januari 2025 om 5:52 en 6.08 uur uitgewerkt : C: Alarmlijn politie. Wat is de locatie van uw noodgeval? M: [adres 1] . (…) Als jullie daar niks aan doen, steek ik nu mijn huis in brand en dan ga ik de TBS in. (…) Er moet vandaag wat gedaan worden. Ik steek straks allemaal in brand, als er niets mee wordt gedaan. Sorry dat ik het zeg, maar er is net ook al een hint gekomen. Ja ik doe het gewoon. Ja en ik ga de TBS in met liefde. C: Alarmlijn politie. Wat is de locatie van uw noodgeval? M: Zijn jullie onderweg naar de [adres 2] nummer [nummer] ? Ik ga sowieso de TBS in straks (…) C: omdat? M: omdat ik alles in brand steek plus mezelf (…) Gister heb ik ook mijn huis in brand gestoken en nu ga ik het goed doen. Het proces-verbaal stemherkenning persoon door opsporingsambtenaar over bovenstaande 112-meldingen, vermeldt : Aan mij, verbalisant, werd verzocht te luisteren naar twee geluidsfragmenten van de meldkamer van het Operationeel Centrum en de vraag gesteld of ik de stem van de beller herkende. De persoon die te horen is, herken ik als: [verdachte] . Ik ken hem van mijn werk als opsporingsambtenaar. Ik hoorde hem op woensdag 22 januari 2025 als verdachte. Het contact duurde toen ongeveer twee uur. Ik herkende hem aan de volgende kenmerken: Nederlands zonder accent, onsamenhangend en van de hak op de tak, woordgebruik, emoties in zijn stem, stotterend (eh, eh, eh). In het proces-verbaal van forensisch brandonderzoek werd als volgt gerelateerd : Op 21 januari 2025 kwamen wij voor forensisch brandonderzoek aan op de [adres 1] te Eygelshoven. Het betreft een tussengelegen flatwoning, op de tweede verdieping. (…) Tijdens het onderzoek zagen wij dat er een felle brand had gewoed in de woonkamer. Op de vloer bevond zich een bureaustoel. Wij zagen dat de stof van de rugleuning en de zitting door vuur/hitte waren aangetast c.q. deels waren weggebrand. Wij zagen dat de poten van de bureaustoel, aan de zijde van de achtergevel verder waren ingebrand dan aan de zijde van de woonkamer. (…) Het raam met de twee raamvleugels aan de achterzijde van de woonkamer was volledig aan de binnenzijde door vuur/hitte aangetast en de ruiten waren door inwerking van vuur/hitte vernield. Wij zagen dat de beide raamvleugels dicht en vergrendeld waren. Aan de achterzijde van de woonkamer, stond een eenpersoonsmatras. Wij zagen dat het matras tot op het metalen netwerk van de pocketveren door vuur/hitte was kaalgebrand. Op de vloer aan de achterzijde bevond zich een geopende tas met diverse goederen. Wij zagen dat deze tas aan de zijde van het raam door vuur/hitte was aangetast. Het kunststof kozijn van de balkondeur was aan de binnenzijde door vuur/hitte aangetast. (…) De vermoedelijke oorzaak van de brand is het al dan niet opzettelijk inbrengen van vuur op of aan brandbaar materiaal dat zich bevond in de hoek van de woonkamer. (…) Door de brand in de flatwoning was er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar ontstaan voor de medebewoners van het flatgebouw. Bij de uitbreiding van de brand en de rookontwikkeling, zou de enige vluchtweg via de trap naar de begane grond voor de naast- en bovengelegen flatbewoners worden versperd en/of belemmerd. In het aanvullend proces-verbaal van forensisch onderzoek werd als volgt gerelateerd : De brand vond plaats op 21 januari 2025 in een woning aan de [adres 1] ( [adres 1] ) in Eygelshoven. In de brandhaard werden geen verbrande resten van een vuilniszak aangetroffen. De zak/tas die wel werd aangetroffen in de nabijheid van de brandhaard, was vanaf de buitenzijde aangetast door het vuur. Het scenario van een peuk is dus uitgesloten. Wij hebben vastgesteld dat de ramen achter het verbrande matras dicht waren tijdens de brand. Deze zijn dus niet open gezet door de bewoner. Meerdere leden van de brandweer verklaarden onafhankelijk van elkaar dat ze zeker wisten dat het raam in de voorgevel dicht was. Dit komt overeen met de roetaftekening op het raam en de muren. (…) Het matras of de zitting van de stoel kan in brand zijn gezet, gebruikmakend van vuur zonder dat hierbij een brand bevorderend middel is ingebracht. Getuige [naam 4] verklaarde over de brand op 21 januari 2025 in de woning aan de [adres 1] in Eygelshoven als volgt: : Ik ben werkzaam als bevelvoerder van de brandweer in Kerkrade. Op 21 januari 2025, omstreeks 06.30 uur, kwam er veel rook door de dichte voordeur naar buiten. Een matras stond in brand. Er lagen wat spullen omheen die ook gebrand hebben. De hond was nog in de woning. Hij zat in de keuken met een afgesloten deur. Als de deur niet dicht was, dan had de hond het niet overleefd. Gelet op de aard van de brand is er zeker gemeen gevaar geweest voor andere mensen of goederen. Getuige [benadeelde] verklaarde als volgt : Ik woon op de [adres 3] te Eygelshoven. Op 21 januari 2025, om ongeveer 06.30 uur, hoorde ik de buurman van nummer [nummer] schreeuwen dat hij brand aan het stichten was of dat hij al brand gesticht had. Ik hoorde vervolgens meerdere brandalarmen afgaan. Ik opende mijn voordeur en zag dat er heel veel zwarte rook in de trappengang was. Ik kon niets meer zien. Daardoor ben ik gevallen. Ik moest met de ambulance mee naar het ziekenhuis in Heerlen. Ik heb zeker een half uur aan het zuurstof gezeten. Getuige [naam 5] verklaarde als volgt : Ik ben de bewoonster van [adres 4] in Eygelshoven. Mijn woning is gelegen op de tweede etage van een appartementencomplex. Ik woon direct tegenover nummer [nummer] . Rond half 7 werd ik wakker. Ik hoorde het brandalarm afgaan en ben toen aan de achterzijde van mijn woning gaan kijken. Ik zag rook en vuur aan de achterzijde van de woning van buurman [verdachte] . Ik heb toen snel mijn kinderen wakker gemaakt en aangekleed en ben toen met hen naar beneden en naar buiten gegaan. Ik zag dat de medebewoners ook al buiten stonden. Ik zag dat de bovenbuurjongen flink stond te hoesten en moest overgeven. De verdachte heeft ter terechtzitting – op 10 augustus 2026 – verklaard: Ik was die dag erg in de war en zat in een psychose. Bewijsoverweging De rechtbank stelt vast dat er op 21 januari 2025, in de woning van de verdachte, een brand heeft gewoed. De oorzaak daarvan is dat vuur in aanraking is gebracht met brandbaar materiaal in een hoek van de woonkamer. Ten aanzien van het opzet van de verdachte overweegt de rechtbank in het bijzonder dat uit de bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte ten tijde van het delict erg in de war was en in een psychose zat. De verdachte heeft tegenover een politieambtenaar verklaard dat hij aandacht van de politie wilde krijgen en dat hij geen andere optie zag dan dit te doen. Bovendien wordt de verklaring die de verdachte later heeft gegeven, namelijk dat de brand zou zijn ontstaan door een smeulende sigarettenpeuk in een zak, weersproken door het forensisch onderzoek. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat er sprake is geweest van opzettelijke brandstichting. 3.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 21 januari 2025 te Eygelshoven opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of bureaustoel, ten gevolge waarvan de zich in de woning van verdachte bevindende goederen, kozijnen en ramen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de hond van de verdachte en de goederen in omliggende (flat)woningen en omliggende (flat)woningen an sich en - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten de aanwezige personen in omliggende (flat)woningen, te duchten was. De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte Rapportages Psychiater J.C. Fockens heeft over de geestvermogens van de verdachte op 1 juli 2025 en aanvullend op 25 januari 2026 gerapporteerd. In het rapport van 1 juli 2025 heeft psychiater Fockens geadviseerd om de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Bij de verdachte werd ADHD en een stoornis in het gebruik van alcohol en een stimulantium vastgesteld. Tevens werd een psychotische stoornis door een middel vastgesteld. Het psychotische beeld is in grote mate bepalend geweest voor de gedragingen van de verdachte. In het rapport van 25 januari 2026 heeft psychiater Fockens, na kennisneming van de testresultaten van de psycholoog en onderling overleg hierover, geadviseerd om het ten laste gelegde feit in sterk verminderde mate tot in het geheel niet toe te rekenen aan verdachte. In het rapport van 3 januari 2026 heeft psycholoog W.J.M. van Bergen geadviseerd om de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar te achten. Bij de verdachte is sprake van een matig verstandelijke beperking, psychotische stoornis in remissie en een stoornis in het gebruik van alcohol en amfetaminen in een regulerende omgeving in vroege remissie. De beschreven problematiek was ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde aanwezig. De verdachte was toen erg angstig en in paniek doordat hij er vanuit zijn psychotische belevingen en waarnemingen van overtuigd was dat iemand hem zou komen vermoorden. Aannemelijk is dat een verdere opbouw van spanning, achterdocht en wantrouwende gedachten ontstond, passend bij zijn psychiatrische kwetsbaarheid en dat dit leidde tot verdere psychotische decompensatie. De realiteitstoetsing was ernstig verstoord en zijn handelen werd door de psychotische beleving gedreven. Conclusie rechtbank Op grond van deze rapportages van de psycholoog en psychiater is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde feit in (sterk) verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend omdat hij het feit heeft begaan onder invloed van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De reden waarom de rechtbank niet tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid komt (zoals de psycholoog), is dat zij in het handelen van de verdachte - brandstichten om aandacht en hulp te krijgen - ook een vorm van instrumenteel handelen ziet. Gelet op het voorgaande is er géén sprake van een omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte voor het bewezenverklaarde feit geheel uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 6 De straf en de maatregel 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 610 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met voorwaarden op te leggen. Overeenkomstig het reclasseringsadvies heeft zij gevorderd om de aan de tbs verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Tot slot vordert de officier van justitie om de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de op te leggen gevangenisstraf. Aan deze schorsing dienen dezelfde voorwaarden te worden verbonden als die in het kader van de tbs met voorwaarden. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Primair heeft hij verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Subsidiair refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een eventueel op te leggen maatregel. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk stichten van brand in zijn woning. Zijn woning bevond zich in een flatgebouw waar ten tijde van de brand een groot aantal buren aanwezig was. De brand is vroeg in de ochtend gesticht, op een tijdstip waarop de meeste mensen zich (wellicht nog slapend) in huis bevinden. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat meerdere buren hun kinderen hebben gewekt en de woning zijn ontvlucht. Als gevolg van deze brand is gevaar ontstaan voor de levens van de in het appartementencomplex aanwezige buren en voor hun goederen. Deze personen zijn door de politie uit hun flatwoning geëvacueerd en waren geschrokken en bang. Uit het dossier en de vordering tot schadevergoeding blijkt tevens dat de brandstichting ten minste op één buurman, namelijk bij [benadeelde] , lichamelijke, psychische en financiële impact heeft gehad. Gevangenisstraf Gelet op de ernst van het feit is alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de duur hiervan zal de rechtbank er rekening mee houden dat de brandstichting de verdachte vanwege onder andere de psychotische stoornis slechts in (sterk) verminderde mate kan worden toegerekend. Een gevangenisstraf van 610 dagen doet naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht aan de ernst van de feiten, de specifieke omstandigheden van deze zaak, de psychische gesteldheid van de verdachte en de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. De maatregel van terbeschikkingstelling Indien het bewezenverklaarde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, de rechtbank tot het oordeel komt dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eist, kan de rechtbank gelasten dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan 4 jaar gesteld en hiervoor heeft de rechtbank al geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De rapporterend psycholoog en psychiater schatten het risico op herhaling hoog in. Terugval in drugsgebruik en het opnieuw ontstaan van een psychotisch beeld worden als belangrijkste risico verhogende factoren gezien. Het probleeminzicht van de verdachte is beperkt; hij bagatelliseert de ernst van zijn problematiek en de gevolgen van zijn gedrag. Hoewel hij in detentie een zekere stabiliteit toont — onder invloed van structuur, medicatie en afwezigheid van middelen — is het aannemelijk dat deze balans buiten de gecontroleerde setting moeilijk te handhaven zal zijn zonder intensieve begeleiding. Het ontbreekt aan een stabiele woonomgeving, er is geen georganiseerde nazorg en slechts beperkte sociale steun. Nodig is een langdurige klinische behandeling in een forensische setting met een dwingend kader waarbij behandeling gericht is op de psychose, verslaving en het aanleren van vaardigheden. De psycholoog geeft aan dat behandeling onvoldoende is geborgd als dit de vorm krijgt van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Eerdere behandelingen in het verleden hebben niet geleid tot vermindering van justitiecontacten. Daarom wordt nu een tbs-maatregel geadviseerd. Wanneer de omgeving voldoende structuur biedt (zoals ook nu zichtbaar wordt in detentie), hulpverlening betrokken blijft en behandeling als verplicht onderdeel wordt aangeboden, zal de verdachte zich naar verwachting kunnen houden aan voorwaarden en zich laten begeleiden. Het advies is daarom de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De reclassering twijfelt in haar rapport van 4 mei 2026, over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden. De reclassering denkt overigens niet dat er sprake is van onwil om de voorwaarden na te leven, maar van onvermogen. De reclassering heeft desondanks een maatregelrapport opgemaakt met voorwaarden. Dit zijn onder meer: meewerken aan reclasseringstoezicht, opname in een zorginstelling, meewerken aan een time out, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een verbod op verdovende middelen en alcohol. De reclassering heeft de verdachte aangemeld bij het IFZ. Er werd een klinische indicatie afgegeven en de verdachte is inmiddels geaccepteerd en op de wachtlijst geplaatst voor een opname bij [afdeling] . De rechtbank is op basis van de deskundigenrapportages en het reclasseringsadvies van oordeel dat adequate zorg rondom de verdachte moet worden opgezet om te voorkomen dat hij niet of onvoldoende behandeld terugkeert in de maatschappij en om ervoor te zorgen dat hij langere tijd begeleid en gemonitord wordt. De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om de maatregel van tbs met voorwaarden te kunnen opleggen en zal ter bescherming van de veiligheid van anderen de voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte opleggen, zoals benoemd in het advies van de reclassering. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden. De rechtbank overweegt dat de tbs met voorwaarden wordt opgelegd wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen in de zin van artikel 38e Sr. Voor het geval dat de tbs met voorwaarden in een later stadium mocht worden omgezet in een tbs met verpleging van overheidswege, is de duur van de tbs derhalve niet gemaximeerd. Dadelijke uitvoerbaarheid De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden bevelen omdat er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte, indien hij niet direct intensief wordt behandeld en begeleid, zal terugvallen in soortgelijk delictgedrag. De gedrag beïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering en hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank verder van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na beëindiging van de tbs met voorwaarden, langdurig onder toezicht te stellen, noodzakelijk is om het recidiverisico in de toekomst naar een aanvaardbaar risico te kunnen terugdringen c.q. op een aanvaardbaar niveau te houden. Aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van de maatregel is voldaan. De rechtbank legt daarom de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z Sr (verder GVM) op aan de verdachte. De rechtbank merkt hierbij op dat de GVM pas ten uitvoer kan worden gelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie bij beëindiging van de tbs-maatregel en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank. Voorlopige hechtenis Omdat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat aan verdachte een vrijheidsbenemende maatregel kan worden opgelegd (namelijk door omzetting in tbs met verpleging van overheidswege als hij zich niet aan de voorwaarden houdt), heft de rechtbank de voorlopige hechtenis niet op. De voorlopige hechtenis blijft daarmee van kracht tot zestig dagen na deze uitspraak. De op te leggen straf brengt mee dat de verdachte – na aftrek van voorarrest – nog minder dan 60 dagen gedetineerd zal zijn. De rechtbank acht het wel van belang dat als er een plek bij [afdeling] of een overbruggingsplek beschikbaar is, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, verdachte daar direct naartoe kan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling binnen FPA Den Dolder of een overbruggingsplek zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs met voorwaarden zijn verbonden. De rechtbank is zich ervan bewust dat de tbs met voorwaarden niet mag worden omgezet in een tbs met dwangverpleging als het vonnis nog niet onherroepelijk is. Om een vangnet te creëren voor het geval verdachte de aan de tbs verbonden voorwaarden overtreedt in de periode waarin de uitspraak nog niet onherroepelijk is, wordt de voorlopige hechtenis geschorst onder dezelfde voorwaarden als die aan de tbs-maatregel verbonden zijn. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. De rechtbank verwijst hiertoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729, r.o. 6.5. 7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 7.1 De vordering van de benadeelde partij De benadeelde partij [benadeelde] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 12.673,00 euro, bestaande uit 7.673,00 euro materiële schade (verhuiskosten) en 5.000,00 euro immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.3 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft primair verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de vordering dusdanig ingewikkeld is dat de vordering opnieuw bij de civiele rechter dient te worden aangebracht. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om het toe te wijzen bedrag naar redelijkheid te matigen. De raadsman merkt expliciet op dat de verdachte bereid is om zijn verantwoordelijkheid te nemen en dat hij bereid is om een schadevergoeding te betalen. 7.4 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade (verhuiskosten) Ten aanzien van de gevorderde verhuiskosten wordt door de benadeelde in de vordering aansluiting gezocht bij de verhuiskostenregeling van artikel 7:220 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek en een forfaitair bedrag gevorderd. De rechtbank constateert dat uit de toelichting en onderbouwing van de vordering niet volgt, welke concrete kosten door de benadeelde zijn gemaakt en hoe de vordering zich verhoudt tot de kosten die blijkens de vordering al voor rekening van de verzekering zijn gekomen. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van de gevorderde verhuiskosten niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Immateriële schade De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking: wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen; ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze; bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde door het bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast, nu hij als gevolg van de brandstichting geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de vordering blijkt dat er tijdens een reeds bestaande gedragskundige (trauma)behandeling aandacht is besteed aan onder meer spanningsklachten en nachtmerries ten gevolge van het misdrijf. Daarnaast heeft de benadeelde zich op de avond van de brand onder medische behandeling moeten stellen in het ziekenhuis. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op het gevorderde bedrag van 2.500,00 euro vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. 8 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z en 157 van het Wetboek van Strafrecht. 9 De beslissing De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven; spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd; Strafbaarheid verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 610 dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; Maatregel gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met voorwaarden ; stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen de volgende voorwaarden: 1. Geen strafbaar feit plegen De ter beschikking gestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit; 2. Meewerken aan reclasseringstoezicht De ter beschikking gestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in: De ter beschikking gestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is; De ter beschikking gestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de ter beschikking gestelde vast te stellen; De ter beschikking gestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de ter beschikking gestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden; De ter beschikking gestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid; De ter beschikking gestelde werkt mee aan huisbezoeken; De ter beschikking gestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners; De ter beschikking gestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering; De ter beschikking gestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de ter beschikking gestelde, als dat van belang is voor het toezicht; 3. Meewerken aan time-out Als de reclassering dat nodig vindt en de ter beschikking gestelde daarmee instemt, kan de ter beschikking gestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de ter beschikking gestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar; 4. Niet naar het buitenland De ter beschikking gestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering; 5. Opname in een zorginstelling De ter beschikking gestelde laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door FPA Den Dolder, of een soortgelijke instelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de ter beschikking gestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de ter beschikking gestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing; 6. Ambulante behandeling De ter beschikking gestelde laat zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, behandelen door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de ter beschikking gestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken; 7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang Indien de reclassering het nodig vindt, verblijft de ter beschikking gestelde gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De ter beschikking gestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt; 8. Verbod verdovende middelen De ter beschikking gestelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De ter beschikking gestelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; 9. Alcoholverbod De ter beschikking gestelde gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De ter beschikking gestelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd; Toezicht - geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de ter beschikking gestelde ten behoeve daarvan te begeleiden; Dadelijke uitvoerbaarheid - beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn; Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel - legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (artikel 38z Sr) ; Schorsing voorlopige hechtenis - schorst de voorlopige hechtenis met ingang van het moment dat verdachte wordt opgenomen en daarmee feitelijk ter beschikking wordt gesteld bij FPA Den Dolder danwel een soortgelijke instelling, dan wel indien daar op dat moment nog geen plaats beschikbaar is, in een soortgelijke instelling ter overbrugging van de tijd tot aan de opname onder dezelfde voorwaarden als die zijn verbonden aan de tbs met voorwaarden (zoals hiervoor weergegeven) en voorts onder de voorwaarden: - dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken; - dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken; Benadeelde partij [benadeelde] wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 2.500,00 , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025, tot aan de dag van de volledige voldoening. Voornoemd bedrag bestaat uit immateriële schade; verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering; legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde] , van een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag van de volledige voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op; bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen; veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. N.D. Geraads, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A.J.A.P. Merk, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 augustus 2026. Buiten staat Mr. L. Feuth is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. BIJLAGE I: De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Eygelshoven, gemeente Kerkrade opzettelijk brand heeft gesticht door meermalen, althans eenmaal, open vuur in aanraking te brengen met een matras en/of bureaustoel, althans enig(e) brandba(a)r(e) stof(fen), ten gevolge waarvan de zich in de woning van verdachte bevindende goederen en/of vloer en/of kozijnen en/of ramen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan terwijl daarvan - gemeen gevaar voor goederen, te weten de hond van de verdachte en/of de goederen in omliggende (flat)woningen en/of omliggende (flat)woningen an sich en/of - levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en), te weten de aanwezige personen in omliggende (flat)woningen te duchten was; Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van Districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2437-2025010570, gesloten d.d. 11 februari 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 128; Proces-verbaal van bevindingen van 21 januari 2025, p. 25; Proces-verbaal van bevindingen van 29 januari 2025, p. 101- 103; Proces-verbaal van stemherkenning persoon door opsporingsambtenaar, opgemaakt op 30 januari 2025, p. 104. Proces-verbaal van forensisch brandonderzoek, opgemaakt op 22 januari 2025, p. 43 – 46; Proces-verbaal van forensisch onderzoek, opgemaakt op 28 januari 2025, pagina 80 en 81; Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] , afgelegd op 29 januari 2025, p. 92 en 93. Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde] , afgelegd op 21 januari 2025, p. 86 en 87; Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , afgelegd op 21 januari 2025, p. 83 en 84.