Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-07-29
ECLI:NL:RBLIM:2026:7780
Geweigerde omgevingsvergunning voor het oprichten van 23 garageboxen en het aanleggen van een inrit/uitweg. Strijd met een goede ruimtelijke ordening vanwege akoestische aspecten. Verweerder heeft terecht de kanttekening geplaatst dat de verkeersbewegingen op de toegangsweg als directe hinder moet worden meegerekend. Reeds daarom heeft verweerder aan eiseres kunnen tegenwerpen dat het overgelegde akoestisch onderzoek gebrekkig is en dat eiseres als aanvrager niet heeft onderbouwd dat plan voldoet aan de geluidsnormen. Ook heeft verweerder bij het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom het ingediende plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft terecht kunnen concluderen dat het plan, zoals dat door eiseres is ingediend, niet voorziet in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 25/1379 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. Q.W.J. de Ruijter), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (gemachtigden: C.H.J.M. Michels en L.M.C. Smeets). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde omgevingsvergunning voor het oprichten van 23 garageboxen en het aanleggen van een inrit/uitweg aan de [adres 1] in [woonplaats] . Eiseres is het niet eens met de geweigerde omgevingsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of verweerder de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 e.v. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Daarbij gaat de rechtbank in op de beroepsgronden van eiseres. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 14 oktober 2020 een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangevraagd bij verweerder voor het oprichten van 23 garageboxen en het aanleggen van een inrit/uitweg aan de [adres 1] in [woonplaats] . Met het besluit van 6 mei 2025 (bestreden besluit) heeft verweerder, na ter inzage legging van een ontwerpbesluit tot weigering, de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft daarop gereageerd met een verweerschrift. 2.2. Verweerder heeft een nadere reactie ingediend op 4 juni 2026. 2.3. Eiseres heeft een nadere reactie ingediend met een nader akoestisch rapport van M&A Omgeving B.V. van 4 juni 2026. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en door [naam] van M&A Omgeving B.V. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Inleiding 3. Op 14 oktober 2020 heeft eisers een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor het oprichten van 23 garageboxen en het aanleggen van een inrit/uitweg aan de [adres 1] te [woonplaats] , gelegen op de kadastrale percelen [kadasternummer 1] en [kadasternummer 2] . Eiseres is eigenaar van het kadastrale perceel [kadasternummer 1] en derden zijn eigenaar van het kadastrale perceel [kadasternummer 2] . Eiseres heeft toestemming verkregen van de eigenaren om de garageboxen mede op perceel [kadasternummer 2] te realiseren. De locatie bestaat uit een binnenterrein, grenzend aan de achterkant van omliggende woonpercelen (o.a. [adres 2] en [adres 1] , 42 en 40), met een toegangsweg die vanaf de [adres 1] toegang geeft tot het terrein. 3.1. Eiseres heeft de aanvraag ingediend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘maken/veranderen uitweg’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo vanwege het bouwen buiten het bouwvlak in strijd met bestemmingsplan ‘Venlo-Oost’, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 mei 2012 (hierna: het bestemmingsplan). Eiseres heeft vervolgens, na een verzoek van verweerder om aanvullende gegevens, op 2 september 2024 onder meer een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. 3.2. Op 14 november 2024 heeft verweerder een ontwerpbesluit genomen op de aanvraag van eiseres. Verweerder heeft daarbij het voornemen aan eiseres kenbaar gemaakt om de omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het ontwerpbesluit tot weigering heeft vanaf 19 december 2024 gedurende zes werken ter inzage gelegen. Eiseres heeft op 12 februari 2025 haar zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit ingediend. Bij de zienswijzen heeft eiseres mede een akoestisch onderzoek overgelegd, neergelegd in een rapport van M&A Omgeving B.V. van 12 februari 2025. Het bestreden besluit 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op de aanvraag van eiseres beslist en geweigerd om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Verweerder heeft daarbij de aangevraagde omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ geweigerd omdat verweerder geen medewerking wenst te verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. De omgevingsvergunning voor zover die ziet op de aangevraagde activiteit ‘maken/veranderen uitweg’ heeft verweerder geweigerd vanwege het ontbreken van een vergunningplicht (positieve weigering). 4.1. Aan de weigering van de omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’ heeft verweerder onder meer ten grondslag gelegd dat voor het plan niet wordt voldaan aan de vereiste geluidnorm vanwege het ontbreken van een passende kwalitatieve erfafscheiding voor het gebruik van de garageboxen. Ook met het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek van 12 februari 2025 is volgens verweerder geen sprake van een aantoonbaar aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat, waardoor verweerder het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht. Standpunt eiseres 5. Eiseres is het niet eens met de weigering en voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gevolgd in het overgelegde akoestisch rapport van M&A Omgeving B.V. van 12 februari 2025. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat het overgelegde akoestisch rapport onjuistheden, onduidelijkheden en gebreken bevat. Verder stelt eiseres dat verweerder geen eigen rapport of berekeningen heeft overgelegd en is eiseres van mening dat verweerder zich ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de geluidsnorm. Eiseres bestrijdt in die zin het standpunt van verweerder dat geen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat en dat het plan om die reden in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Omvang geschil 6. Het geschil spitst zich toe op de geweigerde omgevingsvergunning voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘afwijken bestemmingsplan’. De aangevraagde activiteit ‘maken/veranderen uitweg’ is niet in geschil. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het plan, vanwege het bouwen buiten het bouwvlak, in strijd is met het bestemmingsplan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder voldoende gemotiveerd heeft geweigerd om af te wijken van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij specifiek om de vraag of verweerder het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten vanwege de akoestische aspecten. Toetsingskader en uitgangspunten voor de beoordeling 7. De rechtbank stelt voorop dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden en de Wabo is ingetrokken. Gelet op artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet moet het geschil worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. Dat is de Wabo. 7.1. In artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is - voor zover hier van belang - bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. 7.2. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo - voor zover van belang - kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. 7.3. De beslissing om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo behoort tot de bevoegdheden van het college. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank toetst terughoudend en oordeelt niet zelf of de aangevraagde omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. 7.4. Tussen partijen is niet in geschil dat niet wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ versie 2009 (hierna: de handreiking). Ook is niet in geschil dat, gelet op de overschrijding van de richtafstand (stap 2 van de handreiking), een geluidsonderzoek noodzakelijk is en dat inpassing van het plan alleen mogelijk is bij een geluidbelasting op de woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen van maximaal 45 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en van maximaal 65 dB(A) als maximaal geluidsniveau voor piekgeluiden. Partijen gaan daarbij uit van een norm voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45, 40 en 35 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode en van een norm voor het geluidsniveau van piekgeluiden van 65, 60 en 55 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. 7.5. Het is aan de aanvrager om te onderbouwen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het plan voorziet in een aanvaardbaar (akoestisch) woon- en leefklimaat. In verband daarmee is het ook aan de aanvrager om te onderbouwen dat wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen. 7.6. Onderstaand beoordeelt de rechtbank eerst of eiseres heeft onderbouwd dat het plan voldoet aan de geldende geluidsnormen. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de akoestische aspecten en of verweerder de gevraagde omgevingsvergunning op die grond heeft kunnen weigeren. Beoordeling door de rechtbank Heeft eiseres onderbouwd dat aan de geluidsnormen wordt voldaan? 8. Omdat het aan eiseres als aanvrager is om te onderbouwen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, is het ook aan eiseres om te onderbouwen dat het plan voorziet in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat en dat wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen. Alvorens te beoordelen of eiseres dat voldoende heeft onderbouwd, schetst de rechtbank eerst (onder 8.1 e.v.) kort het verloop van de procedure en de stukken die door eiseres zijn overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Vervolgens beoordeelt de rechtbank (vanaf 8.7) of de kritische kanttekeningen die verweerder daarop heeft geplaatst over de akoestische aspecten terecht zijn en of het met plan, zoals dat door eiseres is ingediend, wordt voldaan aan de geluidsnormen. 8.1. De aanvraag die eiseres heeft ingediend dateert van 14 oktober 2020 en ziet enerzijds op het oprichten van 23 garageboxen en anderzijds het aanleggen van een inrit/uitweg op het adres van eiseres. De aanvraag van eiseres zag daarmee op de activiteiten ‘bouwen’ en ‘maken/veranderen uitweg’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en artikel 2.2, eerste lid, onder e, van de Wabo. Omdat de aanvraag van eiseres voorzag in het bouwen van garageboxen buiten het bouwvlak in strijd met bestemmingsplan heeft verweerder de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Verweerder heeft daarom op 13 november 2020 bij eiseres om aanvullende gegeven gevraagd, waarbij verweerder onder meer een ruimtelijke onderbouwing heeft gevraagd. Eiseres heeft vervolgens, na een verzoek van verweerder om aanvullende gegevens en aanpassing van de ruimtelijke onderbouwing op 17 mei 2024, op 2 september 2024 een (definitieve) ruimtelijke onderbouwing overgelegd. 8.2. Op 14 november 2024 heeft verweerder een ontwerpbesluit genomen op de aanvraag van eiseres met het voornemen om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht omdat het plangebied waarin de bebouwing is voorzien volgens verweerder niet voldoet aan de geluidsnorm op de plekken van het terrein waar geen garageboxen aan de erfgrens grenzen inclusief de toegangsweg. De ruimtelijke onderbouwing van eiseres voorziet volgens verweerder namelijk niet in een geluidwerende voorziening in de vorm van een erfafscheiding met de benodigde massa, waarmee aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Omdat verweerder eerder heeft verzocht om het plan op dit punt aan te passen maar eiseres aan dat verzoek niet heeft voldaan, heeft verweerder geconcludeerd dat het plan, zoals dat door eiseres is ingediend, zal leiden tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving ter plaatse. 8.3. Eiseres heeft op 12 februari 2025 haar zienswijzen naar aanleiding van het ontwerpbesluit ingediend en heeft daarbij mede een akoestisch onderzoek overgelegd, neergelegd in een rapport van M&A Omgeving B.V. van 12 februari 2025. Eiseres heeft daarbij het standpunt van verweerder, dat niet wordt voldaan aan de geluidsnorm, bestreden en heeft zich onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek op het standpunt gesteld dat ook zonder de volgens verweerder benodigde geluidwerende voorziening, sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 8.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eiseres daarin niet gevolgd en heeft verweerder kritische kanttekeningen geplaatst bij het door haar overgelegde akoestisch onderzoek. Verweerder heeft daarbij onder meer de specifieke kanttekening geplaatst dat het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek gebrekkig is omdat daaruit niet blijkt dat het geluid dat afkomstig is van de vervoersbewegingen op de toegangsweg van en naar de garagebozen als directe hinder is meegerekend bij toetsing aan de geluidsnorm. Ook met het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek van 12 februari 2025 is daarom volgens verweerder geen sprake van een aantoonbaar aanvaardbaar woon- en leefklimaat, waardoor verweerder het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft geacht. 8.5. Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder bij het bestreden besluit ten onrechte niet de bevindingen uit het akoestisch rapport heeft gevolgd. Daaruit blijkt volgens eiseres namelijk dat wordt voldaan aan de geluidsnormen en dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen bestaan tegen het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning. 8.6. Ter zitting is gebleken dat de geldende geluidsnormen niet (meer) in geschil zijn (zie onder 7.4) en dat eiseres erkent dat in elk geval een deel van de door verweerder geplaatste kanttekeningen terecht was. Eiseres heeft daarom een nieuwe versie van het akoestisch rapport overgelegd van 4 juni 2026, waarmee het akoestisch onderzoek op enkele punten is aangepast. Wel bestrijdt eiseres de kanttekening van verweerder bij het bestreden besluit over directe hinder en blijft eiseres bij het standpunt dat verweerder ten onrechte stelt dat het geluid van verkeersbewegingen op de toegangsweg als directe hinder moet worden meegerekend bij de toetsing aan de geluidsnormen. Volgens eiseres is dat geluid als indirecte hinder aan te merken. 8.7. Gelet hierop, zal de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of eiseres aanvrager voldoende heeft onderbouwd dat aan de geluidsnormen wordt voldaan, eerst beoordelen of verweerder het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek gebrekkig heeft kunnen vinden vanwege de geplaatste kanttekening over directe hinder. Vervolgens kan de rechtbank beoordelen of eiseres als aanvrager met het overgelegde akoestisch onderzoek heeft onderbouwd dat aan de geluidsnormen wordt voldaan. Directe of indirecte hinder? 8.8. De rechtbank overweegt dat bij de akoestische beoordeling geen totale (cumulatieve) beoordeling van de directe en indirecte gevolgen van een ontwikkeling plaatsvindt, maar dat de beoordeling van de geluidsbronnen binnen en buiten de grenzen van de ontwikkeling gescheiden is. Bij toetsing aan de geluidsnormen kan het daarom aanzienlijk uitmaken of bepaalde activiteiten aan de directe of indirecte gevolgen van een beoogd project worden toegeschreven. Daarbij speelt de grens van het beoogde project een belangrijke rol en of het gaat om verkeersbewegingen die binnen of (net) buiten de grens van het project plaatsvinden. 8.9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat met het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek niet is onderbouwd dat voor de toegangsweg aan de geluidsnormen wordt voldaan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich daarover op het standpunt gesteld dat het door eiseres ingediende akoestisch onderzoek op dit punt gebrekkig is, omdat eiseres met het overgelegde akoestisch onderzoek alleen de indirecte hinder, die beschouwd dient te worden op de openbare weg, in beeld heeft gebracht. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het geluid dat afkomstig is van de vervoersbewegingen op de toegangsweg van en naar de garageboxen als directe hinder moet worden aangemerkt en dat dat geluid ook als zodanig bij de toetsing aan de geluidsnormen moet worden betrokken. Verweerder stelt daartoe dat de toegangsweg onderdeel is van de gevraagde ontwikkeling en dat de indirecte hinder op de openbare weg dient te worden beschouwd, terwijl in dit geval gelet op de ligging van de toegangsweg en de ter plaatse aanwezige bebording geen sprake is van een functie als openbare weg. Daarom concludeert verweerder dat uit de door eiseres ingediende aanvraag niet is gebleken dat voor de toegangsweg aan de geluidsnormen kan worden voldaan. 8.10. Eiseres stelt zich, onder verwijzing naar het door haar overgelegde nader akoestisch rapport van M&A Omgeving B.V. van 4 juni 2026, op het standpunt dat wordt voldaan aan de geluidsnorm. Het geluid dat afkomstig is van verkeersbewegingen op de inrit van en naar de garageboxen is volgens eiseres namelijk als indirecte hinder aan te merken, waardoor geen sprake is van een overschrijding van de geluidsnorm. Daarom kan volgens eiseres, anders dan verweerder stelt, vanuit akoestisch oogpunt een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd bij de omliggende woningen. 8.11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het geluid dat afkomstig is van de toegangsweg als direct gevolg van het beoogde project moet worden aangemerkt. Verweerder heeft dat geluid terecht als directe hinder kunnen aanmerken. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 8.12. Uit het verhandelde ter zitting en de gedingstukken is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat de toegangsweg juridisch en feitelijk tot het eigen terrein van eiseres behoort en dat de toegangsweg als onderdeel van het aangevraagde project kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat daarbij uit van de aanvraag zoals die door eiseres is ingediend, waaruit blijkt dat het plan niet alleen ziet op de bouw van de garageboxen en het gebruik daarvan maar dat dat ook (onlosmakelijk) ziet op het vervoer van en naar de garageboxen toe om daarvan gebruik te kunnen maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de aangevraagde 23 garageboxen allemaal zijn te bereiken via de betreffende toegangsweg vanaf de [adres 1] en dat al het verkeer dat naar de garageboxen gaat gebruik maakt van die toegangsweg. Ook ziet de rechtbank, gelet op de (eigendoms)situatie en de situering van de toegangsweg en bebording ter plaatse, geen reden om aan te nemen dat de toegangsweg als openbare weg moet worden aangemerkt. Dat er incidenteel ook andere voertuigen (auto’s, caravans of campers) worden geparkeerd, zoals door eiseres ter zitting is gesteld, maakt niet dat de toegangsweg niet als onderdeel van het project kan worden aangemerkt of dat daarmee sprake zou zijn van (mede) gebruik als openbare weg. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat eiseres ter zitting heeft gesteld dat dit incidentele gebruik door derden illegaal is en zonder haar toestemming plaatsvindt en zij daarom hekken heeft geplaatst om dergelijk gebruik van haar perceel door derden te verhinderen. Dit duidt er volgens de rechtbank eveneens op dat het gebruik van de toegangsweg is gericht op gebruik als niet-openbare weg. 8.13. De rechtbank volgt eiseres, gelet op het voorgaande, niet in haar standpunt dat het geluid afkomstig van de toegangsweg als indirecte hinder moet worden aangemerkt. Nu de toegangsweg onderdeel is van het aangevraagde project, heeft verweerder bij het bestreden besluit terecht de kanttekening geplaatst dat het geluid van verkeersbewegingen op de toegangsweg als directe hinder moet worden meegerekend bij de toetsing aan de geluidsnormen. Verweerder heeft op grond daarvan terecht aan eiseres kunnen tegenwerpen dat het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek op dat punt gebrekkig is. De beroepsgrond van eiseres hierover slaagt niet. Overschrijding van de geluidsnormen? 8.14. Nu de rechtbank in het voorgaande heeft geoordeeld dat sprake is van directe hinder, heeft verweerder terecht als kanttekening gesteld dat het geluid dat afkomstig is van de toegangsweg als zodanig moet worden betrokken bij toetsing aan de geluidsnormen. Verweerder heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat door het geluid van verkeersbewegingen op de toegangsweg niet wordt voldaan aan de geluidsnormen. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt. 8.15. Uitgaande van directe hinder, heeft verweerder terecht gesteld dat uit de door eiseres ingediende aanvraag en het akoestisch rapport van 12 februari 2025 niet is gebleken dat aan de geluidsnormen kan worden voldaan. Ook met het aangepaste aanvullend akoestisch rapport van 4 juni 2026 heeft eiseres niet onderbouwd dat voor de directe hinder aan de geluidsnormen wordt voldaan. Sterker nog, eiseres heeft met dat aanvullend rapport erkend dat, als sprake zou zijn van directe hinder door de verkeersbewegingen over de toegangsweg, niet wordt voldaan aan de grenswaarden, in die zin dat de geluidsnormen voor de nacht- en avondperiode dan worden overschreden. Uit het rapport en de daarin opgenomen berekening blijkt uitdrukkelijk dat op de zij- en achtergevel van de woning aan [adres 1] en op de gevel van de woning aan [adres 2] (in elk geval) sprake is van een overschrijding van het geluidsniveau voor piekgeluiden van 60 en 55 dB(A) in de avond- en nachtperiode. Ter plaatse zijn immers voor directe hinder overschrijdingen berekend vanwege een geluidsniveau van 63 dB(A) en meer in de avond- en nachtperiode. In het door eiseres overgelegde rapport van 4 juni 2026 is daarover opgenomen dat deze overschrijdingen alleen teniet kunnen worden gedaan door het terrein in de avond en nacht af te sluiten. Zoals echter ter zitting is bevestigd door eiseres, verhoudt een beperking van het gebruik van de garageboxen tot uitsluitend de dagperiode zich niet met het gebruik dat eiseres met de aanvraag heeft beoogd. Het afsluiten van het terrein in de avond en nacht is daarom geen reële optie voor eiseres om de overschrijding van de geluidsnormen te voorkomen. Verweerder heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat het geluidsniveau voor piekgeluiden in de avond- en nachtperiode niet voldoet aan de geluidsnormen. Deze beroepsgrond slaagt niet. 8.16. Nu al hierom de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij als aanvrager niet heeft onderbouwd dat het plan voldoet aan de geluidsnormen, kan bespreking van de overige standpunten van partijen over de berekening van de geluidsniveaus achterwege blijven. Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het plan ten aanzien van de akoestische aspecten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening? 9. De rechtbank stelt voorop dat verweerder (gelet op de stap 3 van de handreiking), van de geluidsnorm kan afwijken als gemotiveerd kan worden dat de geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel kan worden geacht met het oog op een goede ruimtelijke ordening. 9.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ook niet wordt voldaan aan stap 3 van de handreiking, volgens welke na deugdelijke motivering van het bevoegd gezag (hogere) maximale geluidniveaus van 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode aanvaardbaar kunnen worden geacht. Het plan voorziet volgens verweerder namelijk zonder aanvullende maatregelen niet in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Het plan is volgens verweerder alleen vergunbaar als een geluidswerende voorziening wordt getroffen, in de vorm van een erfafscheiding waarmee het geluid op zodanige wijze wordt geweerd, dat ter plaatse een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat kan worden geborgd. 9.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor een dergelijke geluidwerende voorziening op het perceel geen plek is en is het daarom niet eens met deze voorwaarde die verweerder stelt. Volgens eiseres heeft verweerder ten onrechte van haar verlangd dat zij een geluidwerende voorziening, in de vorm van een erfafscheiding, realiseert om te borgen dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 9.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder het plan ten aanzien van de akoestische aspecten in strijd acht met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft zich op basis van de bij het bestreden besluit geplaatste kanttekeningen voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de beoogde situatie vanuit akoestisch oogpunt, zonder het treffen van maatregelen in de vorm van een geluidswerende voorziening, niet leidt tot een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verweerder heeft daarbij het door eiseres overgelegde rapport van 12 februari 2025 kenbaar betrokken en heeft op grond van duidelijk geformuleerde en gemotiveerde kritische kanttekeningen onderbouwd waarom daarmee volgens verweerder niet is aangetoond dat het plan voldoet aan de geldende geluidsnormen. Gelet op wat de rechtbank in het voorgaande heeft geoordeeld, heeft verweerder bij het bestreden besluit ook terecht gesteld dat door het geluid van verkeersbewegingen op de toegangsweg niet kan worden voldaan aan de geluidsnormen en dat het door eiseres overgelegde akoestisch onderzoek op dat punt gebrekkig is. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit dan ook voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het plan voorziet in een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Verweerder heeft daarnaast in de aanvullende reactie van 4 juni 2026 een overzicht verstrekt van rekenresultaten, waaruit blijkt dat zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als de maximale geluidniveaus niet voldoen aan de geluidsnormen bij stap 3, overeenkomstig de handreiking. Gelet daarop, heeft verweerder terecht kunnen concluderen dat het plan alleen vergunbaar is met aanvullende maatregelen in de vorm van een geluidwerende voorziening om te borgen dat sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. 9.4. De rechtbank volgt eiseres, gelet hierop, niet in haar stelling dat verweerder om het plan te kunnen vergunnen ten onrechte van haar heeft verlangd om een geluidwerende voorziening, in de vorm van een erfafscheiding, te realiseren. In de stelling van eiseres dat op het perceel geen plek is voor een dergelijke voorziening, ziet de rechtbank geen reden om te concluderen de weigering voor eiseres onevenredig zou zijn. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat verweerder, na op 13 november 2020 bij eiseres om aanvullende gegevens te hebben gevraagd, eiseres op 17 mei 2024 in de gelegenheid heeft gesteld het plan op dit punt aan te passen, maar dat eiseres van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Verweerder heeft daarom het plan, zoals dat door eiseres is ingediend, in strijd mogen achten met een goede ruimtelijke ordening. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie 10. De rechtbank concludeert, gelet op het voorgaande, dat verweerder de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren vanwege strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond. 10.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. N.A.M. Bergmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 griffier De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 29 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN8839 en 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1301.