Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-07-22
ECLI:NL:RBLIM:2026:7277
Verzoek van de curator tot in verzekerde bewaringstelling van de bestuurder van de failliet afgewezen. Schending informatie- en mededelingsplicht, maar niet voldaan aan substantiëringsplicht. Curator moet eerst minder ingrijpende alternatieven onderzoeken. RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: C/03/348875 / HA RK 26-9 Beschikking van 22 juli 2026 in de zaak van mr. [de curator] Q.Q. , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [B.V. 1] en in het faillissement van [B.V. 2] , te [plaats 1] , verzoekende partij, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. W.H.A. Donkers, tegen [verweerder] , te [plaats 2] , verwerende partij, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat: mr. E.E.V. Sweebe. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met bijlagen 1 t/m 21 - de zienswijze van de rechter-commissaris mr. Noelmans van 5 februari 2026, waarvan tijdens de mondelinge behandeling een kopie aan partijen is verstrekt - het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 3 - de akte overlegging aanvullende bijlagen 22 t/m 25 van de curator van 12 juni 2026 - de mondelinge behandeling van 24 juni 2026 ter gelegenheid waarvan aan de zijde van de curator en aan de zijde van [verweerder] spreekaantekeningen zijn overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ) en [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ) behoren beiden tot de [groep] . De groep is actief op het gebied van zowel schietsport, handel (verkoop) als leisure-activiteiten. [B.V. 1] exploiteerde binnen de groep een restaurant onder de naam ‘ [café] ’. [B.V. 2] organiseerde de leisure-activiteiten. [B.V. 2] verkocht arrangementen aan haar klanten, bestaande uit leisure-activiteiten enerzijds en een maaltijd en drankje anderzijds. De aangeboden horeca-activiteiten werden verzorgd door [B.V. 1] . 2.2. [verweerder] is middellijk bestuurder van zowel [B.V. 1] als [B.V. 2] . [verweerder] is bestuurder van [B.V. 3] . [B.V. 3] is bestuurder van [B.V. 4] (hierna: [B.V. 4] ). [B.V. 4] is bestuurder van [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 5] . 2.3. [B.V. 4] huurt in [plaats 3] een pand. [B.V. 4] verhuurde dat pand onder aan [B.V. 1] en [B.V. 2] . Op 30 mei 2025 is de onderhuurovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 1] met wederzijds goedvinden beëindigd. Op enig moment voorafgaand aan het faillissement van [B.V. 2] is de onderhuurovereenkomst tussen [B.V. 4] en [B.V. 2] eveneens met wederzijds goedvinden beëindigd. 2.4. Op 10 juni 2025 is het faillissement van [B.V. 1] uitgesproken met benoeming van mr. J. Schreurs-van de Langemheen tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. [de curator] tot curator. 2.5. Tussen de curator en [verweerder] is een discussie ontstaan over de vraag welke activa tot de boedel van [B.V. 1] behoren. Op 4 juli 2025 heeft de advocaat van [verweerder] een e-mail naar de curator gestuurd, waarin hij schrijft: “Geachte curator, Bovenstaand treft u alle aankoopbonnen aan van de door failliet in de periode 2016-2022 aangeschafte goederen. De laatste drie jaar heeft deze geen investeringen meer gedaan en was daar door de zwaar tegenvallende inkomsten ook niet toe in staat. De goederen zijn grotendeels afgeschreven of inmiddels al teniet gegaan door ouderdom en gebruik. Voor de overige BV’s hebben ze nauwelijks waarde en u kunt deze dus laten ophalen na vooraf gemaakte afspraak. Het eerder gedane bod hebt u niet aanvaard en is ingetrokken.” 2.6. Op 22 juli 2025 is het faillissement van [B.V. 2] uitgesproken met benoeming van mr. P. Hoekstra tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. [de curator] tot curator. Ook ten aanzien van deze vennootschap is een discussie ontstaan over de vraag welke activa tot de boedel behoren. 2.7. Op 23 juli 2025 mailt de advocaat van [verweerder] naar de curator: “Mijne heren, Zullen we stoppen met het vingerwijzen en ook niet teveel tijd verliezen. Zoals bekend is een nieuw bedrijf in de planning en dat wordt een hele toer! Laten we daarom 30 juli 12u00 aanhouden voor de hoofdbespreking. [verweerder] kun jij de inventarisatie maandag 29 laten plaatsvinden, zoniet dan graag wat van de taxateur.” 2.8. Op verzoek van de curator heeft de advocaat van [verweerder] per e-mail van 6 augustus 2025 de facturen aangeleverd van de goederen die volgens [verweerder] eigendom van de boedels van [B.V. 1] en [B.V. 2] zijn en ten grondslag liggen aan de activeringen op de balans. 2.9. Op 8 augustus 2025 heeft [persoon] van [bedrijf] in opdracht van de curator een opname gedaan van de activa. [bedrijf] heeft een globale waarde-indicatie van de goederen afgegeven aan de curator. 2.10. De curator en (de advocaten van) [verweerder] hebben meermaals gecorrespondeerd over overname van boedelactiva door de andere entiteiten van de groep. In dat kader heeft de advocaat van [verweerder] op 9 oktober 2025 de volgende e-mail gestuurd naar de curator: “Geachte confrère, Namens [B.V. 2] en [B.V. 1] verstrek ik u hierbij een beknopte toelichting op de actuele status van de inventaris zoals opgenomen in de administratie. Deze toelichting dient ter onderbouwing van welke goederen feitelijk nog aanwezig zijn, welke zijn verwerkt of afgeschreven, en welke onderdelen naar inschatting van [groep] al dan niet relevant zijn voor eventuele aanspraken in het kader van de boedelomschrijving. Bouwmaterialen (hout, verf, schroeven, spijkers, etc.) : Volledig verwerkt in de vaste inrichting van het pand tussen 2017-2020. Niet meer afzonderlijk aanwezig. Planten (2012): Afkomstig van de oude locatie ( [adres] ). Niet meer aanwezig of representatief. Airco’s, schuifdeurautomaten, vlaggenmasten, lichtinstallatie: Vast gemonteerd in/aan het pand. Vallen onder de vaste inrichting en maken deel uit van het onroerend goed. Laserguns / LaserTech / Battle Rifle Pro: Zonder licentie onbruikbaar. Licentie berust bij [B.V. 4] Apparatuur deels defect/verouderd (2019-2020). Geen marktwaarde. Laser Maze installatie: Software ingetrokken door fabrikant. Niet operationeel. Componenten zijn ingebouwd in wanden, plafond en vloer. Fotocells: Onderdeel van Laser Maze systeem (2020). Niet meer operationeel of aanwezig. Club speakers, microfoons, cranestock, beamers. Zwaar verouderd (2012-2022). Meestal gemonteerd op hoogte. Alleen te verwijderen met extern montagebedrijf. [groep] zal dit niet zelf demonteren. Kassasysteem [B.V. 1] : Geleasd via [B.V. 3] . Licentie niet overdraagbaar. Hardware zonder gekoppelde software/licentie niet bruikbaar. Tafels en stoelen: Kleine hoeveelheid tafels, geen stoelen. Sterk gebruikt en beschadigd. Geen commerciële waarde. Mogen worden opgehaald indien gewenst. Overige items met aanduidingen als ‘diverse’, ‘montage’, ‘bouw’, ‘werkzaamheden’: Betreffen aannemerskosten of reeds verwerkte inrichting. Geen losstaande boedelitems. Tarox FX instructiefilms: Digitale bestanden. Geen fysieke goederen. Geen overdraagbare waarde. Vergaderingstoelen (Laser Maze): Sterk gebruikt en versleten. Onderdeel van inrichting Laser Maze. Restwaarde verwaarloosbaar. - De taxateur heeft ook foto's gemaakt van niet-boedelgoederen zoals bakwand, vaatwasmachine en veldkeuken. Deze behoren niet tot de inventaris en mogen niet ten onrechte als claimbaar worden geïnterpreteerd. [groep] is bereid u op afspraak toegang te verlenen tot eigendommen die aantoonbaar tot de boedel behoren, mits u vooraf duidelijk en onderbouwd aangeeft welke goederen worden geclaimd. Zonder een gespecificeerde en gemotiveerde lijst kan hieraan geen medewerking worden verleend. Tot slot behoudt [groep] zich het recht voor om – bij uitblijven van voortgang – opslagkosten in rekening te brengen. Medewerking aan het proces impliceert nadrukkelijk geen erkenning dat de betreffende goederen tot de boedel behoren.” 2.11. Partijen zijn het niet eens geworden over het antwoord op de vraag welke goederen onderdeel uitmaken van de boedelactiva van de failliete vennootschappen en welke overnameprijs daaraan gekoppeld moet worden. 2.12. In het pand dat voorheen door [B.V. 1] en [B.V. 2] ondergehuurd werd bevinden zich ook goederen die werden gehuurd van derden, waaronder koelkasten van Coca-Cola. [verweerder] heeft op 24 oktober 2025 de volgende e-mail naar een vertegenwoordiger van Coca-Cola gestuurd: “Na het faillissement van [B.V. 1] is de horeca-exploitatie op locatie succesvol voortgezet onder een nieuwe entiteit: [B.V. 3] . Hieronder valt ook [café] . Deze onderneming opereert volledig zelfstandig, met een nieuwe structuur en exploitatie, maar op dezelfde locatie en met grotendeels hetzelfde aanbod richting onze gasten.” 2.13. Bij publicatie van 12 januari 2026 is te kennen gegeven dat mr. V.E.J. Noelmans opvolgend rechter-commissaris is in zowel het faillissement van [B.V. 1] als in het faillissement van [B.V. 2] . 3 Het verzoek en het verweer 3.1. De curator verzoekt de verzekerde bewaring van [verweerder] te bevelen. 3.2. Aan het verzoek heeft de curator ten grondslag gelegd dat [verweerder] zich als (middellijk) bestuurder van de failliete vennootschappen schuldig heeft gemaakt aan zeer zware (verwijtbare) schending(en) van zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht. Volgens de curator weigert [verweerder] (i) afgifte van de activa waarvan reeds is erkend dat deze eigendom zijn van de gefailleerden, (ii) de noodzakelijke inlichtingen te verschaffen om te kunnen vaststellen welke “overige goederen” tot de boedels behoren en (iii) aan te geven wie de feitelijke macht over de activa uitoefent. Daarnaast is volgens de curator sprake van een vooropgezet plan van [verweerder] om door te starten met de activiteiten van [B.V. 1] (en later [B.V. 2] ), zonder daarvoor een (redelijke) vergoeding aan de boedels te betalen. [verweerder] en/of aan hem gelieerde vennootschappen zetten al geruime tijd zonder toestemming van de curator de bedrijfsactiviteiten van de gefailleerden voort, gebruikmakend van de aan de gefailleerden in eigendom toebehorende activa. [verweerder] weigert daarbij dit onrechtmatig handelen te staken alsmede iedere vorm van medewerking aan de revindicatie van de activa door de curator. [verweerder] tracht dan ook structureel de vereffening van de boedels te frustreren dan wel te bemoeilijken, aldus de curator. 3.3. [verweerder] voert verweer tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij vanaf de aanvang van de faillissementen volledige medewerking heeft verleend, steeds via zijn advocaten heeft gecommuniceerd, toegang tot het pand heeft gefaciliteerd, facturen en bankafschriften heeft overgelegd, goederen afgescheiden en beschikbaar heeft gehouden en herhaaldelijk heeft aangedrongen op concrete specificatie en onderbouwing door de curator. Volgens [verweerder] is het geschil tussen partijen daarmee niet terug te voeren op onwil of obstructie aan de zijde van [verweerder] , maar op een fundamenteel verschil van inzicht over eigendomsvraagstukken, waardering en procesvolgorde, gecombineerd met langdurig stilzitten aan de zijde van de curator. [verweerder] is van mening dat het verzoek tot inbewaringstelling onnodig, disproportioneel en ondeugdelijk is. [verweerder] vraagt de curator in de proceskosten te veroordelen. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 3.5. De rechter-commissaris heeft schriftelijk zijn zienswijze kenbaar gemaakt. De rechter-commissaris heeft de rechtbank bericht het verzoek van de curator te onderschrijven. 4 De beoordeling Toetsingskader 4.1. In artikel 87 lid 1 van de Faillissementswet (hierna: Fw) is bepaald dat de rechtbank bij het vonnis van faillietverklaring of te allen tijde daarna kan bevelen dat de gefailleerde wegens het niet nakomen van de verplichtingen welke de wet hem in verband met zijn faillissement oplegt (in dit geval de verplichting van artikel 105 Fw) in verzekerde bewaring wordt gesteld. Op grond van artikel 106 Fw gelden deze bepalingen ook voor de bestuurder van een gefailleerde rechtspersoon. 4.2. Bij de beslissing of de bestuurder van een gefailleerde rechtspersoon op grond van artikel 87 lid 1 Fw jo. artikel 106 Fw in verzekerde bewaring moet worden gesteld is de in artikel 587 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de toepassing van lijfsdwang voorgeschreven maatstaf – met de daarin besloten liggende eisen van proportionaliteit en subsidiariteit – van overeenkomstige toepassing. Die maatstaf volgt uit de wet en is volgens de bestaande rechtspraak niet in strijd met artikel 5 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) (HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:51). De rechtbank dient mede in verband met het bepaalde in artikel 5 EVRM te onderzoeken of er op basis van de huidige stand van zaken gronden aanwezig zijn die de inbewaringstelling en daarmee de inbreuk op de persoonlijke vrijheid van [verweerder] rechtvaardigen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang van de persoonlijke vrijheid van [verweerder] enerzijds en de bij inbewaringstelling betrokken belangen – waaronder het belang van de inlichtingen- en medewerkingsplicht – anderzijds. In het licht van het uit het EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel dient onderzocht te worden of het met de inbewaringstelling beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. Schending inlichtingen- en medewerkingsplicht 4.3. De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft geschonden, maar dat niet aan het subsidiariteitsbeginsel is voldaan. Daarvoor is het volgende van belang. 4.4. Op grond van artikel 105 jo. artikel 106 Fw is de bestuurder van de failliet verplicht om de curator, de schuldeisercommissie en de rechter-commissaris alle inlichtingen te verschaffen als dit van hem wordt verlangd en op de wijze als daarbij is bepaald. De gefailleerde dient de curator ook eigener beweging in te lichten over feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te weten dat deze voor de curator van belang zijn. Verder heeft de failliet de plicht om alle medewerking te verlenen aan het beheer en de vereffening van de boedel en om alle administratie volledig en ongeschonden aan de curator over te dragen met daarbij de noodzakelijke middelen, zoals encryptiesleutels, om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te kunnen maken (artikel 105a Fw). 4.5. De inlichtingenplicht dient ruim te worden opgevat. De (bestuurder van de) failliet dient aan de curator alle informatie te verschaffen die de curator nodig heeft voor de uitvoering van zijn wettelijke taak. Wanneer een onderneming failliet gaat die onderdeel uitmaakt van een groep, is het bij uitstek aan de bestuurder om duidelijkheid te verschaffen rondom de verhoudingen binnen die groep. Dat klemt temeer wanneer er geen schriftelijke overeenkomsten zijn die ten grondslag liggen aan afspraken binnen de groep. Het is daarbij niet aan de bestuurder om een afweging te maken welke informatie hij wel of niet met de curator wil delen. Daartoe biedt de wet geen ruimte. Ook dient de bestuurder de curator te informeren omtrent de eigendomsrechten waarover de failliete vennootschap beschikt en dit met verificatoire bescheiden te onderbouwen, nu die informatie juist vanuit de bestuurder dient te komen. Het is niet aan de curator om richting de bestuurder te bewijzen welke goederen tot de failliete boedels behoren. 4.6. In plaats van de gevraagde inlichtingen te verschaffen heeft [verweerder] het belang van de vragen van de curator ter discussie gesteld. [verweerder] heeft zich zonder enige onderbouwing op het standpunt gesteld dat bepaalde goederen, zoals de bakwand, vaatwasmachine en veldkeuken, niet tot de boedel behoren (zie de e-mail van 9 oktober, geciteerd onder r.o. 2.10.). Verder heeft [verweerder] aangegeven dat bepaalde goederen, zoals de Laserguns / LaserTech / Battle Rifle Pro, tafels en stoelen, etc., geen (markt)waarde (meer) hebben (zie r.o. 2.10.). Welke waarde bepaalde goederen vertegenwoordigen is echter niet relevant voor de vraag wie eigenaar van die goederen is en dat is nu juist de vraag die de curator stelde. Verder heeft [verweerder] aangevoerd dat bepaalde licenties geleased werden van andere groepsvennootschappen, zoals het kassasysteem van [B.V. 1] en de licentie voor het gebruik van de Laserguns / LaserTech / Battle Rifle Pro. Ook dat standpunt is op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit wel op de weg van [verweerder] als (middellijk) bestuurder had gelegen. Daarmee heeft [verweerder] in strijd gehandeld met de inlichtingenplicht. 4.7. Verder verwijt de curator [verweerder] dat hij althans een aan hem gelieerde vennootschap een oneigenlijke doorstart heeft gemaakt met goederen die tot de boedels behoren. 4.8. [verweerder] betwist dit. 4.9. De rechtbank overweegt dat, aangezien niet duidelijk is welke goederen tot de boedels behoren, ook niet kan worden uitgesloten dat door [verweerder] althans aan hem gelieerde vennootschappen gebruik wordt gemaakt van boedelactiva. [verweerder] heeft hier ter zitting tegenstrijdige verklaringen over afgelegd. Aanvankelijk heeft hij verklaard dat hij met toestemming van de curator gebruik maakte van goederen die tot de boedel behoorden, terwijl hij later juist ontkende gebruik te maken van goederen van de boedel. Het is ook ten aanzien van dit punt aan [verweerder] om daaromtrent de nodige informatie aan de curator te verschaffen. 4.10. Ten aanzien van de schending van de medewerkingsplicht overweegt de rechtbank het volgende. De curator voert aan dat herhaaldelijk is geprobeerd om een afspraak te maken voor het ophalen van de boedelactiva waarover geen eigendomsdiscussie bestaat, maar dat dit keer op keer is gefrustreerd door [verweerder] . [verweerder] betwist dit en heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de curator de boedelactiva bij wijze van spreken de volgende dag zou kunnen komen ophalen. Gelet op de correspondentie die zich in het dossier bevindt, die het standpunt van de curator onderschrijft, acht de rechtbank die toezegging van [verweerder] weinig geloofwaardig. Uit het dossier blijkt dat de curator herhaaldelijk heeft verzocht om medewerking en het maken van concrete afspraken over het ophalen van de (losse) boedelactiva, maar dat [verweerder] niet is ingegaan op die verzoeken van de curator of daaraan enkel op door hem zelf gestelde voorwaarden wilden meewerken. [verweerder] heeft in dat kader dan ook zijn medewerkingsplicht geschonden. 4.11. Die schending van de medewerkingsplicht heeft naar het oordeel van de rechtbank echter geen betrekking op de weigering van [verweerder] om vaststaande goederen te demonteren. Naar het oordeel van de rechtbank dient [verweerder] de curator toegang te verschaffen tot de locatie waar de litigieuze goederen zich bevinden en de feitelijke macht over de goederen te verschaffen, maar is het niet aan (de bestuurder van) de failliet om voor een (professionele) demontage te zorgen. Het subsidiariteitsbeginsel 4.12. De curator vraagt om de verzekerde bewaring van [verweerder] te bevelen. Volgens de curator zijn er geen geschikte alternatieven, omdat er niet één middel is waarmee alle schendingen kunnen worden hersteld. De curator voert aan dat met het (eerst) gelasten van een faillissementsverhoor slechts wordt bereikt dat [verweerder] inlichtingen dient te verschaffen, maar dat daarmee niet kan worden bereikt dat hij medewerking verleent aan het retourneren van de boedelactiva aan de curator. Voor dat laatste zou dan een aparte kortgedingprocedure moeten worden gestart. De curator voelt weinig voor het voeren van verschillende procedures om het beoogde doel te bereiken. 4.13. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de curator ten onrechte meteen naar het zwaarste middel grijpt. Volgens [verweerder] had de curator eerst de minder ingrijpende middelen moeten uitputten. 4.14. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient de rechtbank te onderzoeken of het met de inbewaringstelling beoogde doel niet op minder ingrijpende wijze kan worden bereikt. De rechtbank stelt vast dat [verweerder] niet is opgeroepen voor een faillissementsverhoor bij de rechter-commissaris. Juist een faillissementsverhoor kan ertoe leiden dat de curator de benodigde informatie verkrijgt. De curator zou met een dergelijk verhoor kunnen bewerkstelligen dat [verweerder] inzage geeft in de structuur van de groep, welke activiteiten door welke vennootschap werden uitgevoerd en welke activa tot welke vennootschap behoren. Op basis van de alsdan te verkrijgen informatie had de curator nadere maatregelen kunnen ondernemen om het beoogde doel te bereiken. 4.15. Niet is gebleken dat de curator enig alternatief heeft benut of concreet heeft onderzocht om tot het gewenste resultaat te komen. Desgevraagd heeft de curator aangegeven dat een combinatie uit een faillissementsverhoor en een kort geding procedure mogelijk ook het gewenste resultaat zou kunnen opleveren. Naar het oordeel van de rechtbank is het inzetten van het zwaarste middel, namelijk de in verzekerde bewaringsstelling, in dit stadium een te vergaand middel. Dat zou anders zijn wanneer de alternatieven wel waren ingeleid, maar niet tot het gewenste resultaat zouden hebben geleid. Proceskosten 4.16. Het verzoek van de curator wordt weliswaar niet toegewezen, maar [verweerder] heeft de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsplicht wel geschonden. Partijen zijn daarom over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst het verzoek van de curator af, 5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Dohmen, voorzitter, mr. Heuts en mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.