Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-01-23
ECLI:NL:RBLIM:2026:708
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Maastricht Bestuursrecht zaaknummer: ROE 24/4429 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser (gemachtigde: mr. S.J.A. Rollé), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen (gemachtigden: mr. T.E.J.M. Mobers-Goffin en D.D. Boots-Vogels). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 2] . (gemachtigde: P. Meles) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser met betrekking tot het parkeren van de camper door de buren op de openbare weg voor de woning van eiser. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit een overtreding oplevert. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 5 mei 2023 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 8 mei 2023 afgewezen. 2.1. Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 10 september 2024 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 3. De buren van eiser beschikken over een camper, die zij – om deze in en uit te ruimen – regelmatig zodanig parkeren dat het voertuig deels (met de voorwielen) op hun oprit en deels op de weg staat. 3.1. Eiser stelt dat dit een overtreding oplevert van artikel 24 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), alsmede van de artikelen 5:6, 5:8 en 5:9 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Beekdaelen 2021 (APV). Eiser is van mening dat het college hiertegen handhavend dient op te treden en heeft om die reden een handhavingsverzoek ingediend. Ook voert eiser aan dat hij door deze wijze van parkeren overlast ondervindt. Hij stelt dat het voor hem niet langer mogelijk is zijn eigen auto normaal in en uit te rijden van zijn oprit, omdat de camper te ver uitsteekt. Daarnaast ervaart eiser hinder doordat zijn uitzicht wordt belemmerd; hij kijkt vanuit zijn woning direct tegen de camper aan, hetgeen hij als ontsierend beschouwt. 3.2. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser controles laten uitvoeren. Op basis van de controlerapporten stelt het college dat geen sprake is van een overtreding van de bepaling uit de RVV 1990 en ook niet van de relevante artikelen uit de APV. Het college heeft daarom besloten niet handhavend op te treden. Voor zover toch sprake zou zijn van een overtreding, voert het college aan dat deze van zeer geringe betekenis is. Volgens het college staat de camper niet structureel op de oprit, is de camper maar deels op de weg geparkeerd, is er geen sprake van een gevaarlijke situatie voor eiser of andere verkeersdeelnemers en ondervindt eiser feitelijk geen hinder van de geparkeerde camper. Handhavend optreden zou daarom onevenredig zijn in verhouding tot het belang dat met handhaving wordt gediend. Ook het algemeen belang is hier volgens het college niet in het geding. 3.3. De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of het college gehouden was tot het nemen van handhavingsmaatregelen. Op grond van de Al Indien het toegestaan zou zijn om voertuigen deels op de openbare weg en deels op privéterrein te parkeren, zou dit in de praktijk kunnen leiden tot veel hinder en onoverzichtelijke situaties. Het zou immers betekenen dat een aanzienlijk deel van de openbare ruimte structureel wordt ingenomen door voertuigen, waardoor de doorgang voor andere weggebruikers wordt belemmerd en het straatbeeld wordt aangetast. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het parkeren van de camper, zoals hier aan de orde, onder het verbod van artikel 5:8 van de APV valt en er derhalve sprake is van een overtreding. Beginselplicht tot handhaving 10. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. Is handhavend optreden in deze situatie onevenredig? 11. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van concreet zich op legalisatie. Dit is ter zitting bevestigd door het college. Dat betekent dat het college alleen van handhavend optreden mag afzien als dit onevenredig zou zijn in verhouding tot het doel dat met handhaving wordt gediend. Het college heeft volstaan met de mededeling dat sprake is van een overtreding van geringe aard, maar heeft niet toegelicht welk algemeen of bijzonder belang met artikel 5:8 van de APV wordt beschermd. Ook is niet duidelijk gemaakt welke belangen zijn afgewogen en waarom het algemeen belang bij handhaving in dit geval zou moeten wijken. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Moest het college handhavend optreden op grond van artikel 5:9 van de APV? 12. Uit artikel 5:9 van de APV volgt dat het verboden is om een voertuig van meer dan 6 meter lang of 2,4 meter hoog bij een woning op de weg te parkeren als daartoe het uitzicht van bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd of zij anderszins hinder of overlast ondervinden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het verbod niet geldt voor de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig te plaatse noodzakelijk is. 13. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van een overtreding van artikel 5:9 van de APV. Eiser heeft aangevoerd dat hij hinder ondervindt van het parkeren van de camper, zowel doordat zijn uitzicht wordt belemmerd als doordat het uitrijden van zijn terrein wordt bemoeilijkt. Het college heeft deze stellingen niet afdoende weerlegd en heeft nagelaten te motiveren waarom geen sprake is van hinder of overlast als bedoeld in artikel 5:9 van de APV. Hoewel het college heeft gesteld dat er geen sprake is van hinder voor eiser, blijkt uit de stukken niet op welke gronden het college tot dit oordeel is gekomen. Van het college mag worden verwacht dat het inzichtelijk en deugdelijk motiveert waarom het parkeren van de camper niet leidt tot hinder in de zin van de APV. Het enkele standpunt dat geen sprake is van hinder is onvoldoende. Daarmee voldoet het bestreden besluit ook op dit punt niet aan de motiveringsplicht. 14. Gelet op het bovenstaande constateert de rechtbank dat het bestreden besluit op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd. Om die reden zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer verder te worden besproken. Conclusie en gevolgen 15. Uit het voorgaande volgt dat aan