Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-07-08
ECLI:NL:RBLIM:2026:6672
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: ROE 23 / 1590 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eisers] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. R.J.J.M.M. Metsemakers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder (gemachtigde: mr. S. Chahl). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Bouwbedrijven Jongen B.V. , vergunninghouder (gemachtigde: mr. J.L. Stoop) Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een appartementencomplex en parkeervoorziening aan de [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] . Eisers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 1 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers deels gegrond verklaard en het primaire besluit met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 10 februari 2026 hebben eisers een aanvullende reactie op het verweerschrift ingediend alsmede een technische notitie van 9 februari 2026 door EAGM B.V. Eisers hebben ook een verzoek gedaan om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op 13 februari 2026 hebben verweerder en vergunninghouder een nadere reactie ingediend. Eisers hebben daarop op 13 februari 2026 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2026. Eisers zijn verschenen met hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [gemachtigde 1] van [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ). Vergunninghouder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder waren ook aanwezig [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] . Totstandkoming van het bestreden besluit Inleiding 1. Vergunninghouder heeft op 30 juni 2021 een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een appartementencomplex en parkeervoorziening aan de [adres 1] tot en met [adres 2] in [plaats 1] (hierna ook: het bouwplan). De aanvraag ziet op de activiteit ‘bouwen’, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft de aanvraag mede aangemerkt als aanvraag voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. 2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aangevraagde vergunning voor beide activiteiten verleend. Voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ is verweerder afgeweken van het vigerende bestemmingsplan ‘Woongebieden 2019’, door de raad vastgesteld op 11 maart 2020, (hierna: het bestemmingsplan) en de daarin opgenomen bouwregels die gelden voor de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ vanwege de ligging van de [naam molen] Molen aan de [adres 3] in [plaats 2] . Het gaat daarbij specifiek om het voorschrift uit artikel 36.9.2 van het bestemmingsplan, waarin is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ niet mag worden gebouwd voor zover de windvang van de molen daardoor niet in onevenredige mate wordt aangetast en waarbij het uitgangspunt geldt dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de hoogte van het voorliggende bouwplan hieraan niet voldoet vanwege de bouwhoogte van 13,2 meter, die maakt dat de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwhoogte van maximaal 7,24 boven maaiveld voor de molenbiotoop (berekend met de biotoopformule van de bijlage bij het bestemmingsplan) met 5,96 meter wordt overschreden. 3. Voor de voornoemde afwijking van het bestemmingsplan heeft verweerder gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 36.9.3 van de planregels. Daarin is - voor zover van belang - opgenomen dat verweerder me Verweerder heeft de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken bestemmingsplan’ bij het bestreden besluit verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1°, van de Wabo in combinatie met artikel 37.1 van het bestemmingsplan (binnenplanse afwijking). Situatie 5. Eisers zijn eigenaren van de voormelde [naam molen] Molen (hierna: de molen). De molen is op ca. 167 meter afstand gelegen van het onderhavige bouwplan (Appartementen [naam 1] ). Op ca. 200 meter van de molen en links naast het onderhavige bouwplan ligt ook het reeds vergunde project voor het bouwen van de Woningen [naam 2] . Met de bouw van dit project is gestart na vaststelling van het bestemmingsplan. Verder is tussen de molen en beide bouwlocaties bebouwing gelegen en is voor de onderhavige zaak van belang dat sprake is van een overheersende windrichting zuid/zuidwest, dus in de richting van de molen vanuit het bouwplan. Voor de feitelijke situatie verwijst de rechtbank naar onderstaande overzichtsfoto, zoals opgenomen op pagina 4 van het rapport van [naam B.V.] . Beoordeling door de rechtbank Standpunt eisers 6. Eisers voeren in beroep onder meer aan dat door de handelwijze van verweerder sprake is van schijn van vooringenomenheid en schijn van belangenverstrengeling, waardoor het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 2.4 en 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook stellen eisers dat sprake is van een onjuiste beoordeling en grondslag voor de afwijking van de bouwhoogte voor de bestemming ‘wonen’ en dat verweerder niet van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, waardoor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (hierna: UOV) van toepassing was. Verder voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening vanwege de gebiedsaanduiding ‘molenbiotoop’ en dat het belang van behoud en bescherming van de molen onvoldoende bij de beoordeling is betrokken. De afweging van verweerder is volgens eisers in strijd is met het ruimtelijk beleid over bescherming van de molen, waaronder het molenconvenant en de structuurvisie. Eisers bestrijden in dat kader ook het rapport van [naam B.V.] dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en stellen dat de windvang voor de molen door het bouwplan in onevenredige mate wordt aangetast. Daardoor is niet voldaan aan de bouwregels van het bestemmingsplan die gelden voor de molenbiotoop. Het rapport van [naam B.V.] is daarnaast volgens eisers gebrekkig, omdat sprake is van een onvolledige en onjuiste interpretatie van de optimale windvang en omdat de uitgangspunten over de gehanteerde referentiesituatie onjuist zijn. Eisers hebben daartoe op 10 februari 2026 de ‘Technische notitie windvang [naam molen] ’ van EAGM B.V. van 9 februari 2026 (hierna: de contra-expertise) aan de rechtbank gezonden. Eisers vinden daarom dat verweerder ook niet van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de molenbiotoop gebruik heeft kunnen maken en dat ook hiervoor de UOV van toepassing was. Voorts stellen eisers dat een aanlegvergunning voor het inrichtingsplan ontbreekt en dat verweerder heeft nagelaten een compensatieplan vast te stellen vanwege de vermindering van de windvang voor de molen als gevolg van het bouwplan. Tot slot stellen eisers dat verweerder ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten heeft toegekend in bezwaar en vragen zij een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Standpunt verweerder 6.1. Verweerder is in het verweerschrift bij het standpunt gebleven dat verweerder ten aanzien van de bouwhoogte gebruik heeft kunnen van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden voor de bestemming ‘wonen’ en de gebiedsaanduiding ‘molenbiotoop’ en dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In de nadere reactie van 13 februari 2026 geeft verweerder nog aan dat er wat de referentiesituatie betreft wordt aangesloten bij de feitelijke situatie zoals die was ten tijde van de inwerkingtreding van het best Op grond van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Het indienen van stukken voor het begin van die tiendagentermijn kan echter ook in strijd zijn met de goede procesorde. Dat is het geval als die stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. 9.2. Eisers hebben vijftien dagen voor de zitting een rapport ingebracht met nieuwe technische punten over het uitgevoerde windtunnelonderzoek van [naam B.V.] , die zij in beroep niet eerder hebben aangevoerd. Het betreft onder andere de gehanteerde jaargemiddelde windsnelheden voor alle windrichtingen en het wegmiddelen van effecten (zie 4.2 t/m 7 van de contra-expertise). De rechtbank ziet, zoals ter zitting besproken, aanleiding om de contra-expertise wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, voor zover het gaat om deze nieuwe technische punten. Gelet op de specifieke deskundigheid die nodig is om hier adequaat op te reageren, acht de rechtbank de termijn van vijftien dagen voor de zitting onredelijk kort voor het inbrengen van deze nieuwe technische punten. Voorts is niet gebleken dat eisers deze technische punten niet veel eerder naar voren hebben kunnen brengen. De rechtbank verwijst in dit verband naar vergelijkbare zaken in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), die hier naar het oordeel van de rechtbank onverkort van toepassing is. De rechtbank zal in deze uitspraak daarom alleen ingaan op de door eisers ingebrachte contra-expertise (zie 4.1 van de contra-expertise), voor zover die gaat over het reeds in beroep aangevoerde standpunt over de referentiesituatie in relatie tot de inwerkingtreding van het bestemmingsplan / de ten tijde van het windtunnelonderzoek van [naam B.V.] al dan niet aanwezige bebouwing ter plaatse. Schijn van vooringenomenheid / belangenverstrengeling 10. Eisers stellen zich op het standpunt dat in de voorfase van het bouwplan sprake is geweest van schijn van vooringenomenheid bij verweerder. De schijn van vooringenomenheid blijkt volgens eisers uit de voorgeschiedenis die heeft geleid tot het primaire besluit en de feitelijke gang van zaken rondom het bestreden besluit. Volgens eisers blijkt daaruit namelijk dat het college er alles aan gelegen is om het bouwplan te realiseren ondanks - door eisers gestelde - onzorgvuldigheden in de besluitvorming. Eisers wijzen daarbij onder meer op de procesrechtelijke houding van verweerder inzake de weigering van informatieverzoeken en op het feit dat verweerder een termijn van acht maanden nodig heeft gehad voor het opstellen van een windvanganalyse en voorafgaand aan het primaire besluit eisers twee weken heeft gegeven om een advies uit te brengen over het bestreden bouwplan. Ook wijzen eisers op eerdere verzoeken om intrekking van omgevingsvergunningen uit 2003 voor kantoorgebouwen. Verweerder heeft die intrekking in eerste instantie geweigerd en later, na het rapport van [naam B.V.] , alsnog ingewilligd omdat intrekking van die omgevingsvergunningen volgens eisers gunstiger is gebleken voor verweerder bij de berekening van de verminderde windvang voor de molen. Verder voeren eisers aan dat sprake is van schijn van belangenverstrengeling en het bestreden besluit in strijd is met artikel 3.2 van de Awb, omdat geen sprake is van een onafhankelijk en objectief onderzoek. Volgens eisers blijkt dat uit het feit dat [naam B.V.] reeds voorafgaand aan het bestreden besluit advies heeft uitgebracht aan Jongen Projectontwikkeling over de invloed van het bouwplan voor de Stadsbruglocatie (zie foto onder 5) op de windvang voor de molen en dat dezelfde adviseur vervolgens in opdracht van verweerder een windvanganalyse onderzoek heeft uitgevoerd in het kader van het onderhavige bouwplan. Eisers verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van Het eerdere onderzoek van [naam B.V.] ziet immers niet op de invloed van het onderhavige bouwplan op de windvang voor de molen, maar gaat specifiek en uitsluitend over de invloed van de (naastgelegen) ontwikkeling Stadsbruglocatie op de windvang van de molen. Dit onderzoek is niet in opdracht van verweerder uitgevoerd maar in opdracht van Jongen Projectontwikkeling in het kader van een ander specifiek bouwplan. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling waarnaar eisers verwijzen, staat het in dit geval dus niet vast dat eenzelfde medewerker of deskundige betrokken is geweest bij een eerder uitgevoerd onderzoek dat verband heeft gehouden met (de voorbereiding van) het bestreden besluit. Uit de enkele omstandigheid dat [naam B.V.] eerder advies heeft uitgebracht aan de initiatiefnemer over de windvang van de molen in het kader van het specifieke bouwplan voor de Stadsbruglocatie, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld bij de beoordeling van het onderhavige bouwplan of dat het windtunnelonderzoek en het rapport van [naam B.V.] in dat verband niet onafhankelijk of objectief zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. 10.4. Onder 12.5 t/m 12.10 beoordeelt de rechtbank inhoudelijk of verweerder het rapport van [naam B.V.] aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Afwijking bouwhoogte bestemming ‘Wonen’ 11. Eisers voeren aan dat de afwijkende bouwhoogte binnen de bestemming ‘Wonen’ bij het bestreden besluit ten onrechte is vergund op grond van de in (artikel 37.1, onder a, van) de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid (binnenplanse afwijking). De feitelijke bouwhoogte is volgens eisers hoger dan 13.2 meter vanwege de buitenunits voor de warmtepomp, die 60 centimeter boven de dakrand uitsteken. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de buitenunits voor de warmtepomp zijn aan te merken als een ondergeschikt bouwonderdeel als bedoeld in artikel 2.2 van de planregels, die op grond daarvan niet hoeven te worden meegerekend voor het bepalen van de bouwhoogte. Eisers wijzen er daarbij op dat volgens vaste jurisprudentie dergelijke warmtepompunits worden aangemerkt als vergunningplichtige bouwwerken en dat deze niet in het kader van de toets aan artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo buiten beschouwing worden gelaten als deze zich hoger dan 1 meter boven de grond bevinden. Ook vinden eisers dat de buitenunits naar aard en omvang ruimtelijke effecten hebben en dat deze niet als een met een schoorsteen of antenne gelijk te stellen bouwonderdeel zijn aan te merken als bedoeld in artikel 2.2. van het bestemmingsplan. Eisers wijzen daarbij ook op regels over de akoestische grenswaarden uit het Bouwbesluit die gelden voor warmtepompunits. Verweerder heeft de buitenunits volgens eisers daarom ten onrechte niet meegerekend en had volgens eisers moeten uitgaan van een bouwhoogte van 13,8 meter. Verweerder had om die reden volgens eisers voor deze afwijking de UOV, althans een buitenplanse afwijkingsprocedure, moeten volgen. Eisers vinden in dat verband ook dat de warmtepompunits onderdeel zijn van het hoofdgebouw en niet kunnen worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk , waardoor verweerder volgens hen evenmin gebruik kon maken van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo in combinatie met artikel 4 onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) (de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van de zogenoemde kruimelgevallenregeling) maar het plan alleen kon worden vergund met de UOV. Het bestreden besluit is om die reden volgens eisers in strijd met artikel 3.2 van de Awb, artikel 7.12 van de Awb en artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo genomen. 11.1. De rechtbank stelt voorop dat uit de ter zitting bekeken en besproken bouwtekeningen is gebleken dat de warmtepompunits 60 centimeter boven de dakrand uitsteken. Partijen zijn het er hierdoor ook over eens dat de feitelijke bouwhoogte, zonder warmtepomp De rechtbank ziet daarin dan ook geen grond om te concluderen dat verweerder vanwege de warmtepompunits niet binnenplans heeft kunnen afwijken van de maximale bouwhoogte ten aanzien van de bestemming wonen in het bestemmingsplan. Daarom was ook geen UOV nodig. Deze beroepsgrond slaagt niet. Afwijking bouwhoogte in verband met de molenbiotoop: onevenredige aantasting van de windvang van de molen? 12. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor de bouwhoogte die geldt voor de molenbiotoop op grond van de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ in het bestemmingsplan. Volgens eisers was hiervoor de UOV van toepassing, nu zij bestrijden dat voldaan wordt aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Ten eerste vinden eisers dat verweerder is uitgegaan van een onjuiste interpretatie van het begrip ‘optimale windvang’ als bedoeld in het bestemmingsplan. Eisers bestrijden voorts het rapport van [naam B.V.] dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt en stellen dat de windvang voor de molen door het bouwplan in onevenredige mate wordt aangetast. Verder voeren zij aan dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het belang van de aanduiding, die volgens hen blijkens de bedoeling van de planwetgever is gericht op instandhouding en bescherming van de monumentale molens als onderdeel van het cultureel erfgoed van de gemeente, heeft verweerder onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Eisers wijzen in dat verband ook naar het ruimtelijk beleid, waaronder het Molenconvenant tussen de gemeente en de Molenstichting Limburg en de Molenstichting Weerterland van 12 december 2008 (hierna: het molenconvenant), de Structuurvisie Weert 2025 (hierna: de structuurvisie) en de Visie Centrum Noord, waarin regels zijn neergelegd ter bescherming, behoud en verbetering van de molenbiotopen. Omdat het vergunde bouwplan de bouwhoogte binnen de geldende ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’ overschrijdt, is het plan volgens eisers op dit punt in strijd met het ruimtelijke beleid en daarmee met een goede ruimtelijke ordening. 12.1. Alvorens over te gaan tot de beoordeling van de onder 12 vermelde beroepsgronden over de onevenredigheid en de strijd met de goede ruimtelijke ordening (zie onder 12.11), beoordeelt de rechtbank eerst de beroepsgronden van eisers over de optimale windvang (onder 12.2 t/m 12.4), het rapport van [naam B.V.] op basis van het uitgevoerde windtunnelonderzoek en de door eisers ingebrachte contra-expertise (12.5 t/m 12.7) en of verweerder dat in verband met de gehanteerde referentiesituatie aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen (12.8 t/m 12.10) De optimale windvang 12.2. Ten aanzien van de interpretatie van de optimale windvang stellen eisers dat die onvolledig en onjuist is geweest, omdat verweerder daarbij volgens hen ten onrechte niet is uitgegaan van de letterlijke uitleg van de planregels, specifiek de term ‘optimale windvang’. Verweerder stelt dat die tot maximaal 5 % mag worden beperkt op grond van het bestemmingsplan, terwijl eisers vinden dat verweerder uit moet gaan van de letterlijke term ‘optimale windvang’ in die zin, dat de optimale situatie is dat de windvang van de molen op geen enkele wijze wordt beperkt. 12.3. Verweerder verwijst voor de invulling van de beoordeling van de ‘optimale windvang’ naar de formule in de bijlage bij het bestemmingsplan behorend bij de aanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’. Daarmee worden volgens verweerder weliswaar geen directe bouwhoogtes aan de term ‘optimale windvang’ gekoppeld, zoals eisers lijken te veronderstellen, maar worden wel bouwhoogtes gegeven die gelden binnen de molenbiotoop. De toepassing van die formule resulteert voor het onderhavige bouwplan in een maximale bouwhoogte van 7,24 meter. Daaraan heeft verweerder het bouwplan getoetst, waarbij verweerder voor de feitelijke bouwhoogte van 13,2 meter heeft afgeweken van de bouwregels voor de molenbiotoop op de grond dat de w Verweerder heeft daarvoor de situatie in aanmerking genomen zoals deze was op de datum van inwerkingtreding van de betreffende planregel uit het bestemmingsplan , maar eisers vinden dat bij de beoordeling van de beperking van de windvang moest worden uitgegaan van de oude situatie na vaststelling van de molenbiotoop zonder daarbij de bebouwing te betrekken die daarna vergund en gerealiseerd is. Eisers wijzen er in dat verband op dat, na vaststelling van het bestemmings-plan, meer woningen zijn gerealiseerd, zoals het vergunde project voor de Woningen [naam 2] . Door die nieuwe vergunde en gerealiseerde bebouwing mee te nemen valt de beperking van de windvang voor de molen volgens eisers ten onrechte lager uit. Volgens eisers is daarom niet de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan bepalend, maar de vaststelling van het molenconvenant en het eerder geldende bestemmingsplan Weert Noord en Graswinkel 2010. Eisers wijzen er daarbij op dat het vigerende bestemmingsplan een consolidering betreft van het beschermingsregime en de feitelijke nulsituatie die reeds in 2008 en 2010 is vastgelegd. Eisers bestrijden in dat kader ook de conclusie die volgt uit het rapport van [naam B.V.] , namelijk dat de vermindering van de optimale windvang voor de molen binnen de marge blijft van 5 % die volgt uit het bestemmingsplan. 12.9. Zoals reeds overwogen (onder 12.4) was verweerder gehouden om het bouwplan te beoordelen op basis van het bestemmingsplan, geldend op het moment van de aanvraag. De rechtbank ziet in hetgeen eisers aanvoeren geen aanleiding om te concluderen dat verweerder voor de beoordeling van de invloed van het bouwplan op de windvang van de molen een vergelijking had moeten maken met de situatie ten tijde van de vaststelling van het eerder geldende bestemmingsplan uit 2010 of het molenconvenant uit 2008 of nog verder in het verleden. Nu de belangen van de molen reeds planologisch zijn beschermd en verdisconteerd door de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-molenbiotoop’, heeft verweerder het vigerende bestemmingsplan terecht als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van het bouwplan. 12.10. De rechtbank is verder gebleken dat in het rapport van [naam B.V.] , voor de beoordeling van de invloed van het bouwplan op de windvang van de molen, een vergelijking is gemaakt tussen de feitelijke situatie ten tijde van het primaire besluit / het uitgevoerde onderzoek en de beoogde toekomstige situatie na realisatie van het bouwplan. Uit het uitgevoerde onderzoek en de behandeling ter zitting is de rechtbank gebleken dat [naam B.V.] bij de vaststelling van de beoogde toekomstige situatie ook reeds vergunde en in uitvoering zijnde projecten heeft betrokken. Zo zijn bij het onderzoek naar de windvang van de molen de (in aanbouw zijnde) Woningen [naam 2] , waarnaar eisers verwijzen, betrokken. Deze woningen liggen vanuit de molen gezien naast het onderhavige bouwplan en waren ten tijde van het onderzoek van [naam B.V.] reeds vergund en in aanbouw. Daargelaten of het onlogisch is die toekomstige bebouwing bij het onderzoek te betrekken - het onderzoek ziet immers op de (feitelijke) invloed van de toekomstige situatie op de windvang van de molen - is de rechtbank uit hetgeen eisers hebben aangevoerd niet gebleken dat het onderzoek om die reden onjuist of onvolledig zou zijn geweest / het rapport van [naam B.V.] niet aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het niet meenemen van de vergunde Woningen [naam 2] , tot een andere uitkomst van het onderzoek zou hebben geleid. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het rapport van [naam B.V.] , gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de optimale windvang voor de molen de bestaande feitelijke situatie is afgezet tegen de beoogde feitelijke situatie met realisatie van het bouwplan en dat de windvang na realisatie van het bouwplan (n De rechtbank is dan ook niet gebleken dat verweerder de door eisers genoemde belangen onvoldoende of op onjuiste wijze bij het bestreden besluit heeft betrokken. Verweerder heeft het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en heeft op grond van die motivering gebruik mogen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank ziet hierin dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de UOV had moeten toepassen. Eisers hebben daarnaast ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat de gevolgen van het bestreden besluit voor hen zodanig onevenredig zouden zijn, dat verweerder de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen (zie ook onder 14.1). Deze beroepsgrond slaagt niet. Ontbreken aanlegvergunning inrichtingsplan? 13. Eisers vinden dat verweerder met het vergunde bouwplan ook een inrichtingsplan heeft vergund dat voorziet in het planten van nieuwe bomen, dat niet voldoet aan de aanlegvergunningplicht die het bestemmingsplan (in artikel 36.9.4) stelt. De percelen ( [nummer 1] en [nummer 2] ) waarop de verleende omgevingsvergunning ziet, maken volgens eisers onderdeel uit van het inrichtingsplan dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan de aanlegvergunningplicht uit het bestemmingsplan. 13.1. Verweerder heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het planten van bomen geen deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning, nu de (aanvraag voor de) verleende vergunning (alleen ziet) op het bouwen van een appartementencomplex met een parkeervoorziening en niet op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Verweerder wijst er naar het oordeel van de rechtbank terecht op dat, voor zover het aanplanten van bomen op de betreffende percelen een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, die activiteit niet met de verleende omgevingsvergunning is vergund en daardoor geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit. Ook is de rechtbank niet gebleken dat verweerder de aanvraag, vanwege samenhang met de vergunde activiteiten, had moeten aanmerken als een aanvraag voor de activiteit aanleggen waarop verweerder diende te beslissen. Als eisers van mening zijn dat een aanlegvergunning ontbreekt voor niet vergunde activiteiten, dan kunnen zij dat in het kader van handhaving bij verweerder aan de orde stellen. Dat maakt dus niet dat het bestreden besluit om die reden onrechtmatig zou zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ontbreken compensatie voor vermindering windvang 14. Eisers vinden dat verweerder de vermindering van de windvang die met het bouwplan gepaard gaat had moeten compenseren door het vaststellen van een compensatieplan. Eisers stellen dat de vergunning weliswaar binnenplans kan worden verleend als de vermindering van de optimale windvang beperkt blijft tot 5%, maar dat dat niet maakt dat verweerder de compensatie van het nadeel in de vorm van de verminderde optimale windvang niet bij de beoordeling hoefde te betrekken. Eisers wijzen er daarbij op dat het beleid juist uitgaat van een verbetering van de molenbiotopen. Ook wijzen eisers op het eerdere collegevoorstel van 20 januari 2022 waarin het opstellen van een compensatieplan in overleg met de convenantpartners werd overwogen door het college, terwijl dit nooit is doorgevoerd en ook nooit overleg met eisers over compensatie heeft plaatsgevonden. 14.1. Verweerder heeft zich volgens de rechtbank gemotiveerd op het standpunt gesteld dat met het collegebesluit van 25 januari 2022 naar aanleiding van voormeld voorstel niet is besloten tot het vaststellen van een compensatieplan, maar dat daarbij enkel is besloten om over te gaan tot het uitvoeren van een windvanganalyse. Verweerder heeft daarover toegelicht dat die windvanganalyse ziet op de effecten van meerdere ontwikkelingen, waaronder het onderhavige bouwplan, op de windvang van de molen en dat vervolgens aan de hand van dat onderzo Deze beroepsgrond slaagt. Het beroep is om die reden gegrond. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn: 16. Gezien het (gemotiveerde) verzoek van eisers daartoe dient de rechtbank tot slot te beoordelen of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden en of een vergoeding voor immateriële schade moet worden toegekend. 16.1. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 16.2. De redelijke termijn vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van eisers tegen het primaire besluit. Die datum is in dit geval 15 maart 2022. In deze procedure is tot het moment van deze uitspraak sprake van een langere termijn dan de hiervoor genoemde twee jaar, namelijk vier jaar en (afgerond) vier maanden. Daarom dient per instantie te worden bezien of er sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Van het totale tijdsverloop van vier jaar en vier maanden, heeft de bezwaarfase een jaar en drie maanden geduurd. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 12 juli 2023, drie jaar geduurd. Omdat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaarschrift door verweerder langer dan zes maanden heeft geduurd en de behandeling van het beroep langer dan anderhalf jaar, heeft de overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden in zowel de bezwaarfase als de fase bij de bestuursrechter. 16.3. Bij de vaststelling van de termijnoverschrijding in de bezwaarfase is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval een deel van de tijd die gemoeid is geweest met het in bezwaar uitgevoerde onderzoek van [naam B.V.] buiten beschouwing moet worden gelaten. Verweerder heeft er immers ter zitting onweersproken op gewezen dat de bezwaarfase langer heeft geduurd doordat in het belang van partijen minnelijk overleg heeft plaatsgevonden en onderzoek is uitgevoerd door [naam B.V.] . De tijd die met het minnelijk overleg en (een deel van) het onderzoek van [naam B.V.] gemoeid is geweest, bedroeg (in elk geval) ongeveer vijf maanden en over die tijd is de bezwaarprocedure aangehouden waarbij meerdere malen een nieuwe hoorzitting is gepland en uitgesteld. Van de totale duur van de bezwaarfase van een jaar en drie maanden kan daarom volgens de rechtbank vijf maanden niet aan verweerder worden toegerekend. De rechtbank acht het niet redelijk om meer dan vijf maanden of de hele duur van het onderzoek van [naam B.V.] bij de vaststelling van de termijnoverschrijding buiten beschouwing te laten. De rechtbank gaat daarom uit van een totale duur van de bezwaarfase van tien maanden, waardoor de termijnoverschrijding voor de bezwaarfase vier maanden bedraagt. 16.4. Ten aanzien van de vaststelling van de termijnoverschrijding in de beroepsfase overweegt de rechtbank dat de beroepsfase, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het beroepschrift op 12 juli 2023 , drie jaar heeft geduurd. De termijnoverschrijding voor de beroepsfase bedraagt daarmee een jaar en zes maanden. 16.5. De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt, gelet op het voorgaande, een jaar en tien maanden (22 maanden). Uitgaande van deze overschrijding hebben eisers gezamenlijk recht op (naar boven afgerond) € 2.000,- aan schadevergoeding. Verweerder heeft de redelijke termijn van een half jaar voor de bezwaarfase overschreden met vier maa Artikel 2.10, tweede lid In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°.met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°.in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; Artikel 3.10, eerste lid, onder a Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op: a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°; Bestemmingsplan Woongebieden 2019 Artikel 1.84 begripsbepaling molenbiotoop De gehele omgeving van een molen, voor zover van invloed op het functioneren van de molen als maalwerktuig én als monument, waarbij naast windvang ook gelet moet worden op de belevingswaarde van de molen. Artikel 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk Op grond van artikel 2.2. van het bestemmingsplan wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Het begrip ‘ondergeschikte bouwonderdelen’ is in het bestemmingsplan niet nader gedefinieerd. Artikel 21 Wonen Artikel 21.2.2. onder f Ten aanzien van de maatvoering van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: De goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen mag respectievelijk maximaal 6,00 m en 9.00 m bedragen, tenzij: ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' een afwijkende goot- en bouwhoogte is aangegeven of maximaal de bestaande goot- en bouwhoogte op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan indien deze hoger is; Artikel 36.9 vrijwaringszone – molenbiotoop Artikel 36.9.1 Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn de gronden mede bedoeld als molenbiotoop. Artikel 36.9.2 Ongeacht wat in de regels voor de op deze gronden rustende bestemming is bepaald, mag er ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' niet worden gebouwd voorzover de windvang van de molen daardoor in onevenredige mate wordt aangetast. Uitgangspunt hierbij is dat de optimale windvang tot maximaal 5% mag worden beperkt. Voor de bepaling van de hierbij toegestane bouwhoogten worden de formules, alsmede de afwijkingen, zoals opgenomen in de bijlage 'Molenbiotoop' bij de regels zijn gehanteerd. Artikel 36.9.3 Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 36.9.2 voor het oprichten van bebouwing dan wel het planten van hoog opgaand groen/hoge bomen tot een grotere (bouw)hoogte dan bepaald in dat artikel, mits vooraf de vereniging De Hollandse Molen, Molenstichting Limburg, Molenstichting Weerterland of diens opvolger om advies is gevraagd. Artikel 37 Algemene afwijkingsregels Artikel 37.1 onder a Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor: het