Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-06-26
ECLI:NL:RBLIM:2026:6480
RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummers: ROE 23/995, ROE 23/1090 en ROE 23/1091 uitspraak van de meervoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaken tussen 1. [eisers] beiden uit [woonplaats 1] , eisers in de zaken ROE 23/1090 en ROE 23/1091, hierna samen te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. F. Khalil), 2. [eiser] uit [woonplaats 2] , eiser in de zaak ROE 23/995, hierna te noemen: eiser, (gemachtigde: mr. B.M.C.F. de Groen), en het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg , verweerder (gemachtigde: mr. T. Sanders). Als derde-partij heeft aan de zaken deelgenomen: [vergunninghoudster] , uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster), (gemachtigden: ing. L.J.H. Peeters en mr. J.G. de Wit). I. Inleiding en leeswijzer 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiser tegen de door verweerder aan de vergunninghoudster verleende watervergunning voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit. Eisers en eiser zijn het niet eens met de beide besluiten en voeren hiertoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om de beroepen tegen het leggerbesluit te behandelen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende watervergunning. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen, voor zover dit gaat over het onttrekken van water, gegrond zijn omdat verweerder niet bevoegd was tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Voor het onttrekken van water was namelijk geen watervergunning nodig en kon volstaan worden met een melding. De verleende watervergunning blijft voor het overige in stand, namelijk voor het dempen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de watergang ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Deze uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder (II) is het procesverloop opgenomen. Daarna gaat de rechtbank in op de besluitvorming (III) en worden onder (IV) twee formele aspecten besproken: het overgangsrecht onder de Omgevingswet en de bevoegdheid van de rechtbank met betrekking tot het bestreden besluit II (leggerbesluit). De rechtbank gaat daarna verder in op de het bestreden besluit I (watervergunning). Daarbij wordt eerst ingegaan op de omvang van het geding (V) en de bevoegdheid van verweerder tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water (VI). Vervolgens beoordeelt de rechtbank de beroepsgronden tegen de watervergunning waarbij eerst de beroepsgronden van eisers (VII) en daarna de beroepsgronden van eiser worden besproken (VIII). Verder wordt de overschrijding van de redelijke termijn besproken (IX). Tot slot komt de rechtbank tot haar conclusie (X) waarbij de proceskosten, het griffierrecht, de gevorderde deskundigenkosten, reis- en verblijfkosten en verletkosten aan de orde komen. Helemaal aan het einde staat de volledige beslissing van de rechtbank. Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2023 (het bestreden besluit I) heeft verweerder een watervergunning verleend aan de vergunninghoudster voor het dempen van de watergang ‘Venrayse Endepoel’, het aanleggen van de watergang ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ en het onttrekken van water uit het ‘Afleidingskanaal’. Bij besluit van 30 maart 2023 (het bestreden besluit II) heeft verweerder besloten tot het wijzigen van de legger inzake het verwijderen van de ‘Venrayse Endepoel’ en het aanleggen van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen het bestreden besluit I is geregistreerd onder het zaaknummer ROE 23/1091. Het beroep van eisers voor zover gericht tegen het bestreden besluit II i Eisers en eiser zijn het niet eens met het bestreden besluit I en het bestreden besluit II en hebben hiertegen beroep ingesteld. 4. De rechtbank zal hierna ingaan op wat zij in beroep hebben aangevoerd. Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepen van eisers en eiser kan toekomen, dient de rechtbank ambtshalve te onderzoeken of formele aspecten aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden in de weg staan. IV. Formele aspecten met betrekking tot de beroepen Het overgangsrecht van de Omgevingswet 5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in de Waterwet (watervergunning) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. 5.1. De aanvraag voor de watervergunning is in dit geval ingediend op 26 november 2021. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet en de onderliggende regelgeving, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. De bevoegdheid van de rechtbank 6. Voordat de rechtbank de beroepen van eisers en eiser inhoudelijk kan behandelen, moet de rechtbank ambtshalve nagaan of zij bevoegd is om daarover een oordeel te geven. Dat moet zij nagaan ongeacht wat eisers en eiser daarover hebben aangevoerd. Zonder bevoegdheid, mag de rechtbank namelijk geen inhoudelijk oordeel geven over de beroepen. 7. Als het gaat om de beroepen tegen de watervergunning, acht de rechtbank zichzelf bevoegd om hiervan kennis te nemen. 8. Als het gaat om de beroepen tegen het leggerbesluit, is de rechtbank echter van oordeel dat zij onbevoegd is om daarvan kennis te nemen. Zij zal zich in die beroepen dan ook onbevoegd verklaren. De overwegingen die tot dit oordeel leiden, luiden als volgt. 8.1. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt in artikel 8:5, eerste lid, en Bijlage 2 - samengevat weergegeven - dat geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld tegen een legger die op grond van de Waterwet (artikel 5.1) is vastgesteld, tenzij de ligging van een waterbergingsgebied of beschermingszone als bedoeld in de Waterwet wordt vastgesteld of gewijzigd. Het is in deze zaak de vraag of sprake is van het wijzigen van een beschermingszone als bedoeld in Bijlage 2 bij de Awb en (dus) of de rechtbank bevoegd is een oordeel te geven over het leggerbesluit. 8.2. De rechtbank stelt vast dat met het bestreden besluit I een watervergunning is verleend voor het dempen van een oppervlaktewaterlichaam, het aanleggen van een oppervlaktewaterlichaam en het onttrekken van water. De rechtbank stelt daarnaast vast dat met het bestreden besluit II de legger is gewijzigd ten gevolge van die verleende watervergunning. De rechtbank stelt ook vast dat met het bestreden besluit II geen beschermingszone in de zin van de Waterwet is gewijzigd. Er is immers ook geen watervergunning verleend voor het wijzigen van een beschermingszone. Hierdoor is er geen sprake van de uitzondering als bedoeld in Bijlage 2 bij de Awb. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd voor wat betreft de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit. V. De omvang van het geding (ROE 23/1091 en ROE 23/995 (gedeeltelijk)) 9. De rechtbank start de inhoudelijke beoordeling van de beroepen tegen de watervergunning met het vaststellen van de omvang van het geding. De rechtbank stelt daarbij voorop dat in de beroepsprocedure de omvang van het geding in de eerste plaats begrensd wordt door het besluit waartegen het beroep is ingesteld. De bestuursrechter kan bij de beoordeling van dat besluit niet treden buiten de reikwijdte en de strekking die het besluit heeft of, gelet op de daarop toepasselijke wettelijke bepalingen, had behoren te hebben. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel alleen mag oor De beroepsgrond van eisers slaagt daarom en heeft bovendien tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan overige beroepsgronden van eisers en eiser voor zover die zien op het onttrekken van het water. De rechtbank heeft ter onderbouwing van haar oordeel het volgende overwogen. 13.1. Voor de vraag of verweerder bevoegd is tot het verlenen van de watervergunning voor het onttrekken van het water is in deze zaak bepalend of deze activiteit vergunningplichtig of meldingsplichtig is. Als deze activiteit meldingsplichtig is, dan is verweerder niet bevoegd tot het verlenen van een watervergunning. Als deze activiteit vergunningplichtig is, dan heeft verweerder die bevoegdheid wel. De rechtbank heeft daarom beoordeeld of het onttrekken van het water in dit geval vergunningplichtig of meldingsplichtig is en daarvoor het volgende relevant geacht. 13.2. In artikel 3.3 van de Keur is het volgende bepaald: Voor handelingen waarvoor volgens door het dagelijks bestuur vastgestelde uitvoeringsregels bij deze keur een vergunningplicht geldt, is het alleen toegestaan deze handelingen te verrichten of te laten verrichten indien het dagelijks bestuur daarvoor vooraf een vergunning heeft verleend. Bij het uitvoeren van de handeling moet initiatiefnemer en/of de gebruiker van de vergunning tevens de zorgplichten uit artikel 3.1 in acht nemen. 13.3. Om te bepalen of het onttrekken van het water vergunningplichtig of meldingsplichtig is, moet op grond van de uitvoeringsregel 1.2 behorende bij de Keur het stroomschema worden doorlopen. 13.3.1. Vraag 1 in het stroomschema luidt als volgt: Staat het oppervlaktewater waaruit u wilt onttrekken op kaart “oppervlaktewater onttrekkingen 2?” De rechtbank stelt vast dat het oppervlaktewater waaruit het water wordt onttrokken, namelijk het Afleidingskanaal, staat aangegeven op de hiervoor bedoelde kaart. 13.3.2. Op grond van het stroomschema moet vervolgens vraag 2 worden beantwoord. Vraag 2 in het stroomschema luidt als volgt: Wilt u meer dan 100 m3 water per uur onttrekken op kaart “oppervlaktewater onttrekkingen 2”? De rechtbank stelt vast dat op pagina 7 van de door de vergunninghoudster ingediende melding voor het onttrekken van het water is opgenomen dat er maximaal 100 m3 water per uur wordt onttrokken uit het oppervlaktewaterlichaam. Gelet hierop is het antwoord op vraag 2 van het stroomschema ontkennend en dat betekent dat er een meldingsplicht voor het onttrekken van het water geldt. Nu een meldingsplicht geldt, heeft verweerder geen bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning. De beroepsgrond slaagt daarom. 14. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het bestreden besluit I vernietigen voor zover een vergunning is verleend voor het onttrekken van het water. De rechtbank zal ook voorschrift 5, zoals dat is opgenomen in het bestreden besluit I, vernietigen omdat dit voorschrift ziet op het onttrekken van het water. 15. De rechtbank zal hierna ingaan op de beroepsgronden van eisers en eiser voor zover die zien op het bestreden besluit I voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het dempen van de watergang en het aanleggen van de watergang. VII. De beoordeling van de gronden van beroep van eisers (ROE 23/1091) De verleende vergunning wijkt af van de aanvraag 16. Eisers stellen dat de verleende vergunning afwijkt van wat in de aanvraag is opgenomen. Volgens eisers is er voor wat betreft de lengte en de ligging van de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ meer vergund dan aangevraagd. Daarom is de aanvraag verlaten waardoor het bestreden besluit I alleen al om die reden niet in stand kan blijven volgens eisers. Eisers wijzen in dit kader op tekening 2 van bijlage 1 bij de aanvraag voor de vergunning en op afbeelding 1 op pagina 7 van het bestreden besluit I. 17. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag niet is verlaten en dat, als het gaat om de verlegging van de beek, door verweerder niet meer is vergund dan is aangevraagd. De rechtbank heeft daarover als volgt overwogen. 17.1. De rechtbank s In die paragraaf wordt het belang van de waterhuishoudkundige belangen die de Keur beschermt afgewogen tegen het belang van vergunninghoudster. Verweerder wijst daarnaast erop dat in de conclusie van de watervergunning is opgenomen dat met de in de vergunning opgenomen voorschriften is gewaarborgd dat de te bereiken doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet worden beschermd. 22. De rechtbank volgt verweerder dat de verwijzing in het bestreden besluit I naar paragraaf 7.3 een kennelijke verschrijving is en dat paragraaf 7.2 is bedoeld. De rechtbank is mede gelet op de in die paragraaf opgenomen motivering van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om de watervergunning te weigeren gelet op de doelstellingen uit artikel 2.1. van de Waterwet. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen. 22.1. In artikel 6.21 van de Waterwet is het toetsingskader voor het verlenen van een watervergunning opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt: Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11. 22.2. In artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet zijn de volgende doelstellingen opgenomen: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 22.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 volgt dat artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming van weigeringsgronden kent en dat een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning slechts aan de orde is, voor zover de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet. 22.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder in paragraaf 7.2 van het bestreden besluit I het volgende heeft opgenomen: “Belangenafweging Door het dempen van het secundaire oppervlaktewater Venrayse Endepoel en het graven van de Verlegde Venrayse Endepoel wordt de afvoerende functie in positieve zin veranderd. Door de aanleg van een 2-tal stuwen kunnen de grondwaterstand en de waterstand in het oppervlaktewater worden gereguleerd ter voorkoming van verdrogende effecten. Het waterschap zal zorgdragen voor de aanleg van de stuwen (zie hiervoor de uitgangspunten in de bijlagen). Door de realisatie van een onderhoudspad langs de Verlegde Venrayse Endepoel verbetert de mogelijkheid tot het beheer van het oppervlaktewater. De plannen zijn door het Waterschap Limburg afgestemd met de omgeving. Het meest kritische onderdeel in het functioneren van de waterhuishoudkundige situatie is het onderhoud aan de watergang. Onderhoudsplichtige van de Venrayse Endepoel was het Waterschap Limburg. Ook het onderhoud van de Verlegde Venrayse Endepoel blijft bij het Waterschap Limburg. Om goed onderhoud uit te kunnen voeren is als voorschrift in de vergunning opgenomen dat er een onderhoudspad moet worden aangelegd. Het belang van de aanvrager bij het verkrijgen van een vergunning is afgewogen tegen de waterhuishoudkundige belangen die door de Keur van het Waterschap Limburg worden beschermd. Uit die belangenafweging is gebleken dat bij honorering van de aanvraag, met inachtneming van de aan dit besluit verbonden voorschriften, de zorg voor de waterhuishouding en het oppervlaktewater wordt gewaarborgd. ” 22.5. De rechtbank stelt daarnaast vast dat twee hydrologische onderzoeken (bijlage 1 en bijlage 2) onderdeel uitmaken van het bestreden besluit I. In het onderzoek van 26 maart 2020 zijn de effecten van de verleende watervergunning onderzocht en zijn mitigerende maatregelen aangegeven om de negatieve effecten weg te nemen. Uit dit onderzoek volgt dat door de mitigerende maatregelen gemiddeld de verdrogende effecten van de omlegging van de Venrayse Endepoel teniet zullen worden gedaan. Dit houdt wel in dat er plekken zullen zi Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 9.2 heeft overwogen valt de duiker/overkluizing buiten de omvang van het geding, waardoor deze beleidsregel en het daarin opgenomen beoordelingskader voor het bestreden besluit I niet van toepassing is. De voorschriften beschermen de doelstellingen van de Waterwet niet 25. Eisers stellen zich op het standpunt dat de voorschriften 1 tot en met 7 die verweerder aan de watervergunning heeft verbonden niet of onvoldoende de doelstellingen uit artikel 2.1 van de Waterwet beschermen. 26. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond van eisers niet slaagt en heeft daarvoor het volgende van belang geacht. 26.1. Wat betreft voorschrift 5 is van belang dat hiervoor onder rechtsoverweging 14 al is overwogen dat dit voorschrift zal worden vernietigd. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een inhoudelijk oordeel over de doeltreffendheid van dat voorschrift niet meer nodig is. 26.2. Wat betreft de voorschriften 2, 4 en 6 stelt de rechtbank vast dat eisers hun beroepsgrond niet hebben onderbouwd. De enkele stelling van eisers dat met deze voorschriften de doelstellingen van de Waterwet niet in voldoende mate worden beschermd, is onvoldoende. 26.3. Wat betreft voorschrift 7 is de rechtbank van oordeel dat wat eisers daarover hebben aangevoerd gaat over de uitvoering van de watervergunning. Eisers stellen namelijk dat niet te begrijpen is dat het onderhoudspad nog niet gerealiseerd is, terwijl de ‘Verlegde Venrayse Endepoel’ al zo’n kleine vier jaar geleden gerealiseerd is. Voor zover eisers menen dat de voorschriften in de watervergunning niet of niet snel genoeg worden nageleefd, kunnen zij daarover een handhavingsverzoek indienen. 26.4. Voor zover eisers over voorschriften 1 en 3 aanvoeren dat deze voorschriften volgens hen geen meerwaarde hebben, volgt de rechtbank hen hierin niet. Voorschriften over de wijze van beheer, onderhoud en uitvoering hebben naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk nut in het kader van het beschermen van de doelstellingen van de Waterwet en daarom heeft verweerder deze voorschriften mogen opnemen. Bijlage 1 en bijlage 2 kunnen niet dienen ter onderbouwing van de watervergunning 27. Eisers stellen zich op het standpunt dat de bijlagen 1 en 2, zoals die zijn opgenomen in het bestreden besluit I, niet kunnen dienen ter onderbouwing hiervan. Dit omdat deze niet zijn ingediend door de vergunninghoudster maar van verweerder afkomstig zijn. Verder blijkt volgens eisers nergens uit dat deze bijlagen ook de bijlagen zijn zoals opgenomen in de watervergunning. Dit omdat de gegevens waarnaar verwezen wordt in de watervergunning ontbreken op de betreffende bijlagen zelf. De bijlagen zijn niet gedateerd en evenmin blijkt van wie deze afkomstig zijn. Ook voor het overige zijn de bijlagen volgens eisers volstrekt onduidelijk. 28. De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel niet slaagt. Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel, zoals dat is opgenomen in artikel 3:2 van de Awb, moet verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaren. Op grond hiervan is verweerder dus verplicht om, als dat nodig is, onderzoek te verrichten in het kader van een aangevraagde vergunning. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat verweerder zelf onderzoek doet naar de vergunbaarheid van een aanvraag. Ook is er geen rechtsregel die maakt dat verweerder dit onderzoek vervolgens niet als bijlage bij een besluit mag voegen. Voor wat betreft de gegevens die ontbreken op de bijlagen kan de rechtbank zich voorstellen dat dit tot enige onduidelijkheid bij eisers heeft geleid. Dit maakt echter niet dat de bijlagen niet kunnen dienen ter onderbouwing van de watervergunning. Verweerder heeft in het aanvullende verweerschrift van 6 december 2024 aangegeven dat de bijlagen zijn opgesteld door de (interne) hydroloog van het waterschap Limburg. Hoewel eisers twee aparte beroepen hebben ingesteld, is sprake van één zaak omdat het over hetzelfde onderwerp en hetzelfde geschil tussen partijen gaat. Omdat eisers samen hebben geprocedeerd, bestaat verder aanleiding om het bedrag voor hen aldus te matigen, dat ieder recht heeft op een bedrag van € 750,00. Deze matiging acht de rechtbank redelijk vanwege de matigende invloed die het gezamenlijk procederen wordt geacht te hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die eisers hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. 35. Nu de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, zal de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van de schadevergoeding worden veroordeeld. X. Conclusie en gevolgen 36. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren voor wat betreft de beroepen van eisers en eiser tegen het leggerbesluit. 37. De rechtbank zal de beroepen van eisers en eiser tegen de watervergunning gegrond verklaren. Dit omdat verweerder niet bevoegd is tot het verlenen van een watervergunning voor het onttrekken van water. Deze activiteit is namelijk meldingsplichtig. De rechtbank zal gelet daarop het bestreden besluit I vernietigen voor zover daarbij een watervergunning is verleend voor het onttrekken van het water. De rechtbank zal ook voorschrift 5, zoals dat is opgenomen in het bestreden besluit I, vernietigen omdat dit voorschrift ziet op het onttrekken van het water. Voor het overige blijft het bestreden besluit I in stand. 38. Omdat de beroepen van eisers en eiser gegrond zijn, krijgen eisers en eiser het door hen betaalde griffierecht terug. Zij krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze bedragen betalen aan zowel eisers als eiser. De vergoeding voor de proceskosten van eisers en eiser stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep door de gemachtigde en 1 punt voor het verschijnen ter zitting door de gemachtigde met een waarde per punt: € 934,- bij een wegingsfactor 1). 39. Eisers (ROE 23/1091) hebben ook een proceskostenformulier overgelegd waarmee zij om vergoeding van deskundigenkosten, reis- en verblijfkosten en verletkosten hebben gevraagd. 40. Wat betreft de verzochte deskundigenkosten overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018; ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken. 40.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2505) overwogen dat omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor het maken van een uitzondering zich in het bijzonder voordoen in zaken in het omgevingsrecht. In die zaken kan het voorkomen dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit. Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond over bijvoorbeeld het aspect geluid een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de bestuursrechter komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten in verband met het geluidsrapport niet voor vergoeding in aanmerking. Ook niet in het geval het bestreden besluit om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, bijvoorbeeld vanwege een ambtshalve te toetsen aspect of vanwege een andere beroepsgrond over een ander aspect van het bestreden besluit en die beroepsgrond wel slaagt. 40.2. In deze zaak zijn door eisers kosten gem