Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-06-17
ECLI:NL:RBLIM:2026:5772
RECHTBANK Limburg Civiel recht Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: C/03/320026 / HA ZA 23-297 Vonnis van 17 juni 2026 in de zaak van FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING FNV , gevestigd te Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: FNV, advocaat: mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, tegen MR. [de curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van Brabant Alucast The Netherlands Site Heijen B.V., kantoorhoudende te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: de Curator, advocaat: mr. T.T. van Zanten. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 december 2024, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan de Hoge Raad, - de conclusie van de Advocaat-Generaal van 4 juli 2025 , - het arrest (prejudiciële beslissing) van 13 februari 2026 van de Hoge Raad , - de aktes uitlating naar aanleiding van de prejudiciële beslissing van FNV en van de Curator. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De verdere beoordeling De vordering onder 1 2.1. Onder 1 vordert FNV allereerst dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Curator de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex art. 40 lid 2 van de Faillissementswet (Fw). FNV vordert onder 1 tevens dat de rechtbank voor recht verklaart dat zowel de vordering ter zake van de wettelijke rente als die ter zake van de wettelijke verhoging als boedelschuld zijn te kwalificeren waaraan de preferentie van art. 3:288 sub e van het Burgerlijk Wetboek (BW) verbonden is. 2.2. Bij tussenvonnis van 11 december 2024 heeft de rechtbank hieromtrent prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. De aan de Hoge Raad hierover gestelde vragen en de daarop gegeven antwoorden luiden als volgt, waarbij de rechtbank voor de door de Hoge Raad gebruikte voetnoten een nieuwe nummering heeft aangehouden: Vraag 1: wettelijke rente 2.3. Vraag 1 luidde als volgt: 1. Is de boedel wettelijke rente verschuldigd vanwege de niet-tijdige voldoening van het loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw als boedelschuld wordt aangemerkt en dat valt onder de aanspraken die op grond van de loongarantieregeling door het UWV worden overgenomen? 2.4. Antwoord van de Hoge Raad: 3.2.2 Een schuldenaar is als schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een verbintenis tot betaling van een geldsom de wettelijke rente over die geldsom verschuldigd over de tijd dat hij met de voldoening daarvan in verzuim is geweest (art. 6:119 lid 1 BW). 3.2.3 Als verzuim bestaat ten aanzien van de voldoening van loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw boedelschuld is, moet ook de daarmee verbonden verplichting tot betaling van wettelijke rente – die ontstaat als gevolg van niet-naleving door de curator van een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting – worden aangemerkt als boedelschuld. 3.2.4 De vraag of verzuim bestaat ten aanzien van de vordering tot betaling van loon, moet worden beantwoord aan de hand van de arbeidsovereenkomst en de op verzuim toepasselijke wettelijke bepalingen. Een gebrek aan geldmiddelen levert geen overmacht op. Dit geldt ook voor loon dat op grond van art. 40 lid 2 Fw boedelschuld is. 3.2.5 Voor het antwoord op de vraag of verzuim bestaat, is niet van belang of de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, voor de hem door de werkgever verschuldigde bedragen ook jegens het UWV recht heeft op uitkering op grond van de loongarantieregeling. Het bestaan van een aanspraak jegens het UWV rechtvaardigt niet dat de tekortkoming om het loon tijdig te voldoen, de werkgever niet wordt toegerekend. 3.2.6 Het bestaan van de loongarantieregeling vormt voor de curator niet een redelijke grond, als bedoeld in art. 6:37 BW, om te twijfelen aan wie hij het loon moet betalen, en is voor hem dus geen grond voor opschorting van de op hem rustende verplichting om het loon uit te betalen. De tweede vraag en de derde vraag: de wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) 2.5. Vraag 2 en 3 luidden als volgt: 3.5.4 Indien het actief van de boedel niet toereikend is om alle boedelschulden te voldoen, moeten die schulden naar vaste rechtspraak in beginsel naar evenredigheid van de omvang van elke schuld worden voldaan, behoudens de daarvoor geldende wettelijke redenen van voorrang. 3.5.5 Wettelijke redenen van voorrang zijn te vinden in titel 10 (Verhaalsrecht op goederen) van Boek 3 BW. Daartoe behoort art. 3:288 BW, dat, voor zover van belang, als volgt luidt: “De bevoorrechte vorderingen op alle goederen zijn de vorderingen ter zake van: (…) e. al hetgeen een werknemer over het lopende en het voorafgaande kalenderjaar in geld op grond van de arbeidsovereenkomst van zijn werkgever te vorderen heeft, alsmede de bedragen door de werkgever aan de werknemer in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verschuldigd uit hoofde van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de arbeidsovereenkomst; (…).” 3.5.6 Voor de invoering van art. 3:288 BW in 1992 bepaalde art. 1195 (oud) BW, voor zover van belang, het volgende: “De bevoorregte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde (…): (…) 6°. Het loon van arbeiders over het verschenen jaar, en hetgeen over het lopende jaar verschuldigd is, benevens het bedrag der verhoging van dat loon ingevolge artikel 1638q, alsmede het bedrag der uitgaven, door de arbeider voor de werkgever gedaan, mitsgaders de bedragen, door de werkgever aan de arbeider krachtens het bepaalde in de zevende Titel A van het Derde Boek in verband met de beëindiging der dienstbetrekking verschuldigd; (…).” Dit voorrecht omvatte derhalve met zoveel woorden ook de wettelijke verhoging van art. 1638q (oud) BW, de voorloper van art. 7:625 BW. 3.5.7 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288 BW blijkt dat geen inhoudelijke wijziging is beoogd en dat naar de bedoeling van de wetgever ook de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW onder het voorrecht van art. 3:288, aanhef en onder e, BW valt. 3.5.8 Wettelijke rente over loon valt niet onder art. 3:288, aanhef en onder e, BW, ook niet als dat loon op grond van art. 40 lid 2 Fw boedelschuld is. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 3:288, aanhef en onder e, BW blijkt niet dat het voorrecht mede betrekking heeft op wettelijke rente over loon. Wettelijke rente over loon valt evenmin onder een van de andere wettelijke voorrechten. De desbetreffende vordering is derhalve een concurrente boedelvordering. 2.9. FNV heeft aangevoerd dat het loon in dit geval niet tijdig is voldaan. Uit het arrest van de Hoge Raad volgt dat wettelijke rente en wettelijke verhoging verschuldigd is over de boedelschuld aan de werknemers ex art. 40 lid 2 Fw en dat zowel de vordering terzake de wettelijke rente als de vordering terzake de wettelijke verhoging als boedelschuld kwalificeert. Ook volgt daaruit dat aan de wettelijke verhoging wel de preferentie van art. 3:288 sub e BW is verbonden, maar de wettelijke rente over loon niet valt onder art. 3:288 sub e BW (en dit een concurrente boedelvordering betreft). Dit brengt mee dat de vordering onder 1 grotendeels kan worden toegewezen, met dien dat verstande dat wordt afgewezen de verklaring voor recht dat ook voor de wettelijke rente over loon geldt dat dit een boedelschuld betreft waaraan de preferentie van art. 3:288 sub e BW is verbonden. De vordering onder 2 2.10. Onder 2 vordert FNV dat de rechtbank voor recht te verklaart dat de Curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden is werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van de wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW te informeren. 2.11. De rechtbank heeft hieromtrent de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld: De zesde vraag: informatieplicht 6. Is een curator uit hoofde van zijn wettelijke taak gehouden werknemers uit eigen beweging omtrent hun aanspraak op de boedel uit hoofde van wettelijke rente en/of de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW t